nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

12.01.2018 11 procent van Vlaamse tuinbouwproductie gaat verloren

In de volledige Vlaamse tuinbouwsector ontstaan er naar schatting 283.000 ton voedselreststromen waarvan 79 procent voedselverliezen en 21 procent nevenstromen. Het gaat om 11 procent van de totale tuinbouwproductie. Belangrijke redenen voor het hoge tonnage zijn het grote productievolume van groenten en fruit in ons land en de directe afhankelijkheid van klimatologische omstandigheden. Dat blijkt uit een analyse van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO).

De voedselreststromen zijn het grootst in de sector van groenten in openlucht. Daar gaat het om 228.509 ton voedselreststromen waarvan 174.900 ton voedselverliezen of eetbare voedselreststromen. Het overige aandeel (53.609 ton) bestaat uit niet-eetbare voedselrestromen of nevenstromen. In de serreteelt gaat het om 21.070 ton waarvan de overgrote meerderheid eetbare reststromen zijn. Op vlak van fruit zien we voedselreststromen van 282.821 ton, waarvan 222.912 ton eetbaar en 59.909 niet-eetbaar.

De belangrijkste tuinbouwteelt qua omvang van de voedselreststromen is prei dat verantwoordelijk is voor 30 procent van alle voedselreststromen. Ajuin vormt de tweede belangrijkste categorie met 12 procent van de voedselreststromen, gevolgd door spinazie (7%). Andere belangrijke teelten met veel voedselreststromen zijn peren, bloemkool voor de industrie, wortelen voor de industrie, prei voor de industrie en appelen.

De belangrijkste redenen voor die hoge tonnages voedselreststromen in de tuinbouwsector is te verklaren door de hoge productie per capita die Vlaanderen heeft in vergelijking met andere landen. Die productie neemt zelfs nog toe door de sterke en stijgende exportgerichtheid van de sector. “Een belangrijk maar onbekend deel van de voedselreststromen in de landbouw is toe te schrijven aan de productie voor buitenlandse markten”, zo klinkt het.

Ook de specifieke productieomstandigheden in de landbouw spelen een belangrijke rol. De landbouwer is immers direct afhankelijk van ‘natuurlijke’ productieomstandigheden, zoals het klimaat, die hij zelf niet in de hand heeft. Deze omstandigheden kunnen een grote impact hebben op oogst-, sorteer- en bewaarverliezen. Glazige aardappelen door de droogte of appelen en peren met hagelschade worden hier door de onderzoekers opgesomd als voorbeelden. Dit kan ook een impact hebben op de kwaliteit en uitval verderop in de keten.

Als er wordt gekeken waar die voedselreststromen terechtkomen, dan blijkt dat 62 procent ervan terug naar de bodem gaat. Ongeveer 18 procent krijgt als bestemming voeder voor dieren en een klein deel ervan gaat naar de vergisting (5%) of wordt gecomposteerd (6%). Ongeveer negen procent van de voedselreststromen heeft een onbekende bestemming. “Als het voedselverlies uitgedrukt wordt ten opzichte van de totale productie, dan gaat het om het relatieve voedselverlies. Dat bedraagt voor de Vlaamse tuinbouw slechts 11 procent”, aldus ILVO.  

Meer informatie: Monitoring van voedselreststromen en voedselverliezen in de Vlaamse tuinbouw

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via