nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Begin of einde van een gouden tijdperk voor melkveehouders?
30.03.2015  30 jaar melkquotum

Toen de EU in 1984 productierechten in de melkveehouderij invoerde, deed dat parochiezalen vollopen met boze boeren. Nu de afschaffing van de melkquota drie decennia later (bijna) een feit is, lokt dat bij de producenten protest noch gejuich uit. Boeren bereiden zich in stilte en elk op hun eigen manier voor op het postquotumtijdperk: door meer koeien te melken, te verbreden of alles bij het oude te houden en er het beste van te hopen. Bij een aantal onder hen verloopt het afscheid van de quota niet pijnloos. Een overschrijding van het nationale productieplafond zal de melkveehouders met een quotumoverschrijding op de valreep circa 20 miljoen euro kosten. Een beleidsmaatregel die zoveel teweegbracht in Vlaanderen, kreeg van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek en het Centrum voor Agrarische Geschiedenis een gepast afscheid in de vorm van een studiedag en een brochure die de historiek van de melkquota belicht.

Vanaf 1 april 2015 behoort de door Europa opgelegde productiebeperking in de melkveehouderij definitief tot het verleden. Sinds de invoering in 1984 is het melkquotum voortdurend onderwerp van discussie geweest. De stopzetting ervan is een kantelmoment waarop het Centrum Agrarische Geschiedenis (CAG) terugblikt in de brochure ‘Met het oog op de markt’. Samen met het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) werd in Melle de studiedag ’30 jaar melkquotum: begin of einde van een gouden tijdperk’ georganiseerd.

Eind jaren ’60 evolueerde de relatieve schaarste aan melk in de toenmalige EEG razendsnel in een overschotsituatie met een schijnbaar oncontroleerbare productie. “Het zit als het ware in het DNA van de gemiddelde boer vervat om een overvloedige oogst, in dit geval een grote melkproductie, na te streven”, schrijft Bert Woestenborghs van CAG, auteur van de brochure. De hogere melkproductie was dus geen plots opkomend fenomeen, maar al decennialang intrinsiek in de sector aanwezig. Toch verklaart dat onvoldoende waarom Europa in de jaren ’70 zo snel opgescheept zat met boter- en melkpoederoverschotten.

"Wij hebben in ’60 en ‘70 hele goede jaren gehad. Wij zijn klein begonnen en de melkprijs was toen 2,35 frank, een paar jaar nadien was het 5 frank, later 7,50 frank en bij het begin van de jaren ’80 17 frank." Uit: Martens, Boerentrots en ondernemersgeest

Het markt- en prijsbeleid voor zuivel dat vanaf het midden van de jaren ’60 werd uitgetekend in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) heeft daarin een belangrijke rol gespeeld. “De voedselschaarste tijdens en na de Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen zodat het GLB volop de kaart trok van productieverhoging”, weet Woestenborghs. “Een stabiele prijszetting, gekoppeld aan een verzekerde afzet (de EEG kocht systematisch overschotten op tegen een mooie prijs, nvdr.), is natuurlijk een gedroomd investeringsklimaat voor een boer die met zijn bedrijf naar een hoger inkomen streeft. Op tien jaar tijd (1973-1983) steeg de totale melkproductie in de EEG met meer dan een vijfde. De bijdrage van de Belgische melkveehouders in de productiegroei bleef beperkt want de fokkerij zette hier nog een tijdje in op traditionele rassen, vaak dubbeldoel, met een veel lagere melkproductie dan Holstein-koeien.

Overproductie deed EU-budget ontsporen
“Een ganse batterij aan maatregelen moest het (kostelijke) productieoverschot in Europa indijken”, vertelt Joris Relaes, administrateur-generaal van ILVO en voorzitter van ILVO. “Enerzijds had je maatregelen die de vraag verruimden zoals de goedkope ‘kerstboter’, als reclame voor de consumptie van boter, en het verplicht inmengen van melkpoeder in de kalvervoeding. Anderzijds waren er aanbodbeperkende maatregelen, met douanetarieven aan de buitengrenzen en productiequota op de binnenlandse markt.” In 1980 nam zuivel meer dan 40 procent van het totale landbouwbudget in zodat de kostprijs de doorslag gaf voor deze ingrijpende productiebeperking.

melkvee.geVILT.jpg

Het melkquotum was dus in de eerste plaats een budgettair instrument, bedoeld om de EU-begroting onder controle te houden door de boterbergen en andere overschotten aan te pakken. Met succes want halverwege de jaren ’90 waren de overschotten weggewerkt en nadien handhaafden ze zich op een aanvaardbaar volume. Als economisch instrument zakte het quotum door het ijs want de melkprijs onder controle houden, lukte de jongste jaren niet meer. Het quotum was indirect ook een ecologisch instrument: door het aan banden leggen van de productie, werd de milieubelasting afgeblokt. Relaes heeft het verder nog over “een sociaal instrument” omdat het melkquotum een generatie veehouders de mogelijkheid bood om met een ‘gouden handdruk’ uit het beroep te treden. Zie het als een soort pensioenregeling.

Liberalisering van het aanvankelijk strakke melkquotum
Het principe van een productieplafond lijkt eenvoudig, maar werd door de mobiliteit van het quotum een complexe materie die slechts door een handvol experten in Vlaanderen volledig beheerst werd. Naast tijdelijke verhuur konden quota vanaf 1987 ook echt verhandeld worden tussen producenten. De mobiliteit van het quotum kreeg een politiek tintje want het zette kwaad bloed in Wallonië. De Walen zagen met lede ogen aan hoe Vlaamse melkveehouders op hun grondgebied quotum bijkochten. Er heerste grote bezorgdheid dat de quota van de kleinschalige Waalse melkveehouderij zouden worden ‘weggezogen’ richting Vlaanderen. Dat is meteen ook de reden waarom Wallonië vragende partij was voor de regionalisering van het landbouwbeleid, een geladen vraag die normaliter vanuit Vlaanderen komt.

"Wij hebben ons quotum verkocht en daar veel geld van gemaakt. En dan hebben wij nog een beetje voortgeboerd. Wij hebben er natuurlijk van geprofiteerd, maar voor de jonge boeren is dat zeer slecht geweest." Uit: Martens, Boerentrots en ondernemersgeest

Dynamische melkveehouders uit de Noorderkempen namen het voortouw in de quotumhandel. Peter Broeckx, melkveehouder uit Dessel, behoort tot de zogenaamde ‘quotumgeneratie’ die een melkveebedrijf bleef najagen ondanks alle obstakels. “Mijn dossier voor een overdracht van quotum tussen derden moet één van de eerste geweest zijn. Tot ieders verbazing werd de cumul van quota na overname mij toegestaan”, aldus Broeckx. Onbeperkt uitbreiden op bedrijfsniveau behoorde niet tot de mogelijkheden. Door graduele afhoudingen op het volume was er in de praktijk een bedrijfsplafond ingesteld van 400.000 liter. Dat plafond werd gaandeweg uitgebreid, maar evenzeer omzeild. “Landbouwers streven een rendabel bedrijf na en verzinnen zo nodig oplossingen voor de grenzen aan de groei. De landbouwadministratie ergerde zich blauw aan hun inventiviteit. Op sommige melkveebedrijven wisselde de melkveestapel halverwege het jaar tussen twee locaties of werd met twee melkinstallaties gemolken”, herinnert Broeckx zich.

melkvee_LoonwerkDefour.geVILT.jpg

Om te vermijden dat quota en dus ook melkveehouderij uit bepaalde regio’s zouden verdwijnen, werd vanaf 1988 de 30-kilometerregel ingevoerd. Quotum kon nog alleen verhandeld worden in een omtrek van 30 kilometer rond de gemeente waar het bedrijf van de overlater zich bevond. Ook de grond nodig voor de melkproductie moest in principe worden overgedragen, maar dat werd in de praktijk een ‘papieren deal’ die gauw weer verscheurd werd. Guy Vandepoel van Boerenbond herinnert zich levendige discussies in de sectorvakgroep omtrent de overdracht van melkquota. Discussies die vooral over evenwichten gingen, tussen jonge en oude bedrijfsleiders, tussen gespecialiseerde melkveebedrijven en gemengde landbouwbedrijven, enz.

Snelle sanering in het quotumtijdperk
Bij de invoering van de melkquota voltrok zich een herstructurering in de melkveehouderij. Kleine boeren gingen er in versneld tempo tussenuit. Relaes verwacht nu eenzelfde fenomeen bij de stopzetting van de quota en de overlevering van de melkveehouderij aan de vrije markt. In het quotumtijdperk ging het behoorlijk hard. Het aantal melkveehouders daalde van meer dan 47.000 in 1984 naar 28.400 in 1991 (-40%), om tussen 1995 (22.000) en 2010 nog eens te halveren tot iets meer dan 11.000 boeren.

Voor de zuivelindustrie betekenden de quota een verminderde aanvoer van melk. Hierdoor verhoogde de toch al scherpe onderlinge concurrentie tussen melkerijen in hun zoektocht naar melk. Over het algemeen zaten zij met een onderbenutting van hun verwerkingscapaciteit voor boter en magere melkpoeder, de twee marktsegmenten waarop de Belgische zuivelsector zich traditioneel had toegelegd. De schaarste dreef de melkprijzen de hoogte in, wat in de eerste plaats de boeren ten goede kwam. Bovendien kwamen Nederlandse zuivelfirma’s over de grens melk ophalen aan hogere prijzen dan de plaatselijke melkerijen konden bieden. Een herstructurering van de zuivelindustrie kondigde zich aan en zou zich pijnlijk en abrupt voltrekken tussen 1990 en 1991.

Toekomst melkveehouderij in postquotumtijdperk
“Met veel minder boeren en melkkoeien wordt er veel meer, veel kwaliteitsvollere en veel rijkere melk geproduceerd. De sector is geprofessionaliseerd en het einde van de schaalvergroting is nog niet in zicht. De quota hebben niet rechtstreeks deze evolutie gestuurd, maar waren een bepalende factor in de sanering van zowel de melkveehouderij als de zuivelfabrieken”, besluit Bert Woestenborghs het historisch overzicht van drie decennia melkquota. Op de vraag of de melkveehouderij in Vlaanderen in het postquotumtijdperk nog een toekomst heeft, kreeg Woenstenborghs doorgaans positieve antwoorden van melkveehouders en experten.

melkvee.geVILT.jpg

Vlaanderen bevindt zich in een regio die klimatologisch uitermate geschikt is voor melkveehouderij. Ongebreidelde groei die misschien in andere Europese landen mogelijk is, zal hier omwille van milieu- en andere beperkingen (o.a. grond, management, financiële risico’s bereiken grens van wat een gezin dragen kan) moeilijk haalbaar zijn. Het vakmanschap en ondernemerschap van de melkveehouder blijven van doorslaggevend belang. Ongetwijfeld zal de melkveehouder scherper moeten anticiperen op de marktsituatie en rekening moeten houden met een veel volatielere prijs dan hij had gewenst. Dat de melkproductie plots zeer sterk zou toenemen, daar kan je aan twijfelen want de voorbije jaren werd het nationale melkquotum enkel vol gemolken in jaren dat de melkprijs goed was.

"De bomen zullen na het melkquotum niet tot in de hemel groeien. Andere factoren zullen de omvang van de melkveehouderij bepalen." Uit: Landbouwleven

Torsten Hemme, directeur van het International Farm Comparison Network (IFCN), spreekt over de verdwijning van de quota in termen van “een fantastische opportuniteit”. Een uitspraak die Renaat Debergh van de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) nog eens overdoet. Allebei zien ze voldoende hoopgevende signalen voor de conjunctuur op de zuivelmarkt. Wereldwijd groeit de vraag naar melk (+20 miljoen ton per jaar) door de stijgende wereldbevolking en de hogere zuivelinname per persoon.

De momenteel gunstige euro-dollar-wisselkoers en de lagere kostprijs van een familiaal melkveebedrijf in de EU in vergelijking met zijn meer grootschalige concurrent in de VS, versterken het geloof dat de Europese melkveehouderij zijn mannetje kan staan op de wereldmarkt. Volgens Debergh is ook de zuivelindustrie klaar voor de vrije markt. In ons land investeerde de sector de laatste drie jaar 50 procent meer in zijn fabrieken dan in de vijf jaar voordien. Voor het eerst in 30 jaar worden er nieuwe poedertorens gebouwd, merkt Erwin Wauters op, de onderzoeker die namens ILVO aangesloten is bij IFCN.

Onder normale omstandigheden … maar wat is normaal
België exporteert melk zodat de prijs waaraan melk hier verkocht kan worden door de wereldmarkt wordt bepaald, ook voor de volumes melk die nooit het land verlaten. Het internationaal netwerk van zuivelexperten IFCN voorspelt gemiddeld gunstige prijzen tot 2020. Tegen dan zal er merkbaar meer handel in zuivel op de wereldmarkt zijn, waardoor de volatiliteit zou kunnen dalen. Toch zullen er nog periodes komen waarin de prijzen te laag zijn om de kosten te dekken, waarschuwt ILVO-onderzoeker Wauters. Liquiditeitsmanagement wordt dus van kapitaal belang.

Het hier uitgestippelde toekomstscenario, dat uitgaat van een stijgende mondiale vraag naar melk en meer wereldhandel, houdt geen rekening met onvoorziene gebeurtenissen die daarop kunnen ingrijpen. Het Russisch handelsembargo en de oorlog in Oekraïne indachtig, moet de sector ook durven nadenken over een periode waarin ‘normale omstandigheden’ tijdelijk niet meer voorkomen.

Bron: 'Met het oog op de markt' / eigen verslaggeving

Beeld: VILT / Loonwerk Defour

Volg VILT ook via