nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Nieuw: de fytolicentie en geïntegreerde gewasbescherming
18.06.2012  Annie Demeyere (ADLO) & Wouter Willems (Volksgezondheid)

De agromilieumaatregel ‘feromoonverwarring’ werd van bij de start in 2010 op de helft van het appel- en perenareaal in Vlaanderen toegepast. Dat fruittelers er - mede dankzij de steun van de Vlaamse overheid - massaal voor kiezen om de schadelijke fruitmot met een milieuvriendelijke techniek te misleiden in plaats van chemisch te bestrijden, illustreert dat de land- en tuinbouwsector grote inspanningen levert om zich aan te passen aan strengere eisen en hogere verwachtingen. Op het vlak van gewasbescherming is de kous nog niet af: vanaf 2014 dient er overgeschakeld te worden op geïntegreerde gewasbescherming (IPM) en eind 2015 zullen alle landbouwers over een fytolicentie moeten beschikken. We voelden twee specialisten, Annie Demeyere van de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling en Wouter Willems van de FOD Volksgezondheid, aan de tand.

Tegenwoordig heten pesticiden gewasbeschermingsmiddelen. Is dat meer dan schone schijn?
Wouter Willems: Op federaal niveau nemen wij de termen uit de Europese wetgeving over. Het woord ‘pesticiden’ is niet uit de terminologie verdwenen want dat is een verzamelnaam voor gewasbeschermingsmiddelen en biociden (ontsmettingsmiddelen, plaagbestrijders, e.d.).
Annie Demeyere: Vanuit de voorlichting wordt al langer van ‘gewasbescherming’ gesproken. Gewasbeschermingsmiddelen zijn voor een plant wat geneesmiddelen voor de mens betekenen. Ze dienen om te beschermen en niet om te bestrijden.

Bij de FOD Volksgezondheid loopt een reductieprogramma voor pesticiden. Wat houdt dat in?
Wouter Willems: Het Programma voor de Reductie van Pesticiden en Biociden wil het milieu- en gezondheidsrisico verkleinen. De betrokken diensten houden zich onder meer bezig met de nieuwe opdeling tussen gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel en particulier gebruik, de voorbereiding op de fytolicentie die er zit aan te komen en diverse sensibiliseringsacties zoals de brochures ‘Lees het etiket’ en ‘Ongewenste gasten in je huis of tuin’. Samen met alle betrokken overheidsinstanties werken we momenteel ook aan een nationaal actieplan voor het duurzaam gebruik van pesticiden, een verplichting die voortvloeit uit een Europese richtlijn.

Hoe evolueert het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen?
Annie Demeyere: Sinds de jaren ’90 is de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die de Vlaamse land- en tuinbouw inzet ongeveer met een derde gedaald. Het aantal kilo actieve stof zegt echter weinig over de impact op het leefmilieu en de gezondheid. Een actieve stof met een dosering van enkele grammen per hectare kan immers schadelijker zijn dan een middel waarvan meerdere kilo’s per hectare nodig zijn. Het beleidsdomein Leefmilieu maakt daarom gebruik van de SEQ-indicator die de impact op het waterleven nagaat. Daaruit blijkt dat de Vlaamse doelstelling om de milieu-impact met de helft te verminderen tussen 2000 en 2010 door de landbouwsector gerealiseerd is. Dat is voor een groot stuk te danken aan het verdwijnen van de meest schadelijke middelen zoals atrazine.

Kan de milieu-impact nog verder omlaag?

Lees ook:
Webapplicatie helpt aardappelen beschermen tegen de plaag
Annie Demeyere: Dat kan, maar het wordt steeds moeilijker. De SEQ-indicator blijft de laatste jaren rond een reductie met 50 procent hangen. In een nat voorjaar met een hoge ziektedruk verslechtert de indicator wat, een droog voorjaar zorgt voor een kleine verbetering. Door bewuster en gerichter aan gewasbescherming te doen, kunnen we nog vooruitgang boeken. De nadruk wordt daarom gelegd op een meer duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat betekent spuiten op basis van waarnemingen en alleen wanneer het nodig is. Vroeger werd bijvoorbeeld wekelijks gespoten tegen de aardappelplaag, vandaag kan het Proefcentrum voor de Aardappelteelt telers op perceelsniveau adviseren op basis van de aardappelvariëteit, de bemesting, de weersomstandigheden, enz.

Hebben landbouwers gelijk als ze een deel van het milieuprobleem afschuiven op particulieren en lokale besturen?
Annie Demeyere: Het klopt dat niet weinig pesticiden, met name herbiciden tegen onkruiden, gebruikt worden voor het onderhoud van het openbaar en privaat domein. Het zijn middelen waarvan de dosering vaak hoog ligt zodat 25 à 30 procent van het pesticidengebruik niet aan landbouw toe te schrijven is. Niet-professionelen zijn minder goed op de hoogte van de gevaren voor het milieu. Zij zullen bijvoorbeeld een stoep onkruidvrij spuiten met glyfosaat terwijl het risico op afspoeling en waterverontreiniging bij de behandeling van verharde ondergronden groot is, iets waar landbouwers zich beter bewust van zijn.

Wordt daar iets aan gedaan?
Wouter Willems: Eind augustus is de opsplitsing tussen gewasbeschermingsmiddelen voor professioneel en particulier gebruik een feit. Heel wat actieve stoffen zullen enkel nog verkrijgbaar zijn voor professionele gebruikers, waaronder de landbouwers. Gewasbeschermingsmiddelen die beschikbaar blijven voor burgers worden gebruiksvriendelijker en veiliger dankzij aanpassingen aan de verpakking, de samenstelling en het etiket. De particulier zal bovendien deskundig geadviseerd worden want vanaf eind 2015 moet er in elk verkooppunt ofwel een medewerker aanwezig zijn die de nodige fytolicentie kan voorleggen ofwel dient dergelijke persoon beschikbaar te zijn, bijvoorbeeld via een callcenter.
Annie Demeyere: De Vlaamse overheid verlangt van de lokale besturen dat zij tegen 2015 hun grondgebied onderhouden zonder pesticiden in te zetten, tenzij dringende redenen een uitzondering rechtvaardigen.

Welke eisen stelt ‘geïntegreerde gewasbescherming’ (IPM) vanaf 2014 aan onze landbouwers?
Annie Demeyere: IPM betekent het gewas beschermen met alle mogelijke methodes en daarbij voorrang geven aan niet-chemische oplossingen zoals mechanische onkruidbestrijding of natuurlijke plaagbestrijders. Om dat mogelijk te maken, doe je in de eerste plaats aan preventie door de juiste vruchtafwisseling, variëteitskeuze, bemesting, zaaidichtheid, enz. Een tweede stap is monitoring: ziekten en plagen gaan waarnemen. Pas wanneer de schadedrempel overschreden is, ga je als derde en laatste stap ingrijpen. Dat mag na 2014 nog altijd chemisch met gewasbeschermingsmiddelen, maar dan moet voor het meest selectieve en minst milieugevaarlijke middel gekozen worden. Die rangschikking wordt momenteel opgemaakt.

Zijn er deelsectoren die het voortouw nemen? Doemen er elders problemen op?
Annie Demeyere: Fruittelers doen al 10 tot 20 jaar aan geïntegreerde gewasbescherming. Zij staan het verst met feromoonverwarring van de fruitmot, nestgelegenheid voor oorwormen en het sparen of uitzetten van natuurlijke vijanden als lieveheersbeestjes, roofwantsen en -mijten. Ook de groenteteelt onder glas geeft het goede voorbeeld. In de tomatenteelt dateert de eerste biologische bestrijding van de witte vlieg uit de jaren ’80. Sierteelt is het andere uiterste en akkerbouw en vollegrondsgroenteteelt bevinden zich daar tussenin. Voor alle sectoren de nodige kennis vergaren, is nu een prioriteit.

Zullen boeren ooit opnieuw met hun schoffel door het veld lopen?
Lees ook:
GPS als hulpmiddel bij gewasbescherming
Annie Demeyere:
In de toekomst evolueren we in een aantal teelten wellicht naar één chemische onkruidbestrijding en mechanisch ingrijpen om de resterende onkruiden op te ruimen, maar zover is het ook na de invoering van IPM in 2014 nog niet. Mechanisch ingrijpen zal altijd zijn beperkingen hebben, maar GPS maakt het mogelijk om machinaal erg nauwkeurig te werken. Op dat vlak kunnen boeren in de leer bij hun collega’s uit de biolandbouw die daar meer ervaring mee hebben. Ook de natuurlijke hulpmiddeltjes (bacterie- en viruspreparaten) die de biolandbouw inzet om de ziekte- en plaagdruk te beheersen, zijn net zo goed inzetbaar in de gangbare landbouw.

Een landbouwer die gewasbeschermingsmiddelen wil spuiten, moet vanaf eind 2015 beschikken over een fytolicentie. Waar mag hij zich aan verwachten?
Wouter Willems: Handelaars in gewasbeschermingsmiddelen en loonwerkers die spuiten voor derden dienen vandaag reeds over een erkenning te beschikken. Dat systeem voldoet echter niet meer aan de Europese eisen zodat alle professionele gebruikers, handelaars en voorlichters eind 2015 over een nieuwe ‘fytolicentie’ moeten beschikken. Die zal kunnen bekomen worden vanaf september 2013. Dat is het begin van de overgangsperiode die (bijna) alle professionelen in de sector de kans geeft om een fytolicentie aan te vragen. Landbouwers met minstens twee jaar ervaring zullen zonder bijkomende voorwaarden een licentie krijgen. Vanaf eind 2015 verandert dat en wordt de fytolicentie enkel verstrekt aan houders van het juiste schooldiploma of aan wie slaagt voor het basisexamen, al dan niet na het volgen van bijscholing. Wie niet slaagt voor dat basisexamen, wordt verplicht om 60 uur (landbouwer) of 120 uur lessen (voorlichter of handelaar) te nemen alvorens opnieuw aan het examen te kunnen deelnemen. De fytolicentie heeft een geldigheidsduur van zes jaar. In die zes jaar dient de licentiehouder theoretische of praktische vormingsactiviteiten bij te wonen om zijn fytolicentie te behouden. Er komen vier verschillende types fytolicentie en we verwachten van de handelaar en voorlichter met het hoogste licentietype (P3) dat hij in die zes jaar meer vormingsactiviteiten bijwoont (6) dan de landbouwer (4) met een P2-licentie. Landbouwers mogen erop vertrouwen dat zij nog uitvoerig ingelicht worden.

Schort er dan momenteel iets aan de kennis van onze boeren en tuinders omtrent gewasbescherming? Vertrouwen zij teveel op commerciële voorlichters?
Annie Demeyere: Land- en tuinbouwers weten wat zij doen en zij beschikken over een zeer goede basiskennis. Dat is precies de reden waarom beroepservaring in de overgangsperiode volstaat om een fytolicentie te verkrijgen. Hun bijscholing kan echter beter want op de voorlichting zien we vaak dezelfde gezichten en is er dus een groep landbouwers die we op vrijwillige basis niet kunnen bereiken. Om hun fytolicentie niet te verliezen, zullen ook zij in de toekomst vorming moeten volgen. De adviezen vanuit de handel zijn niet verkeerd want een landbouwer kan niet van alle (nieuwe) producten op de hoogte zijn. Via vorming schaven we aan de kennis van de landbouwers zodat zij kritischer kunnen oordelen over de info die ze van hun fytoverkoper krijgen.

Blijft voor elke ziekte, plaag en onkruid een chemische oplossing voorhanden?
Annie Demeyere: Belangrijker is dat de landbouwsector in de toekomst voor elke ziekte, plaag en onkruid over een oplossing, chemisch of andere, beschikt die een rendabele bedrijfsvoering toelaat.
Wouter Willems: Ik wil graag besluiten door de hoop uit te drukken dat we alle landbouwers vlot kunnen bereiken met de nodige inlichtingen omtrent de fytolicentie zodat iedereen tijdig aan alle verplichtingen voldoet. De FOD Volksgezondheid zal daarvoor de nodige kanalen aanspreken. Dat de licentie kosteloos is voor de landbouwer en in de overgangsperiode verkregen kan worden op basis van beroepservaring en zonder bijkomende opleidingen, zou daarbij een stimulans moeten zijn.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via