nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Het mestbeleid is even effectief maar efficiënter zonder NER's"
03.09.2012  Bart Van der Straeten (UGent/AMS)

Een veehouder die zijn bedrijf wil uitbouwen, investeert zuurverdiende centen in extra dieren, een nieuwe stal, eventueel bijkomende voederwinning. Zowel groeiers als starters kunnen productierechten die de kosten verder opdrijven, missen als kiespijn. Toch dient elke Vlaamse boer over nutriëntenemissierechten (NER’s) te beschikken, overeenkomstig de grootte van zijn veestapel. “Compleet zinloos”, zegt Bart Van der Straeten, die in zijn doctoraat aan de vakgroep Landbouweconomie (UGent) het mestbeleid onder de loep nam. “De bemestingsnormen dienen hetzelfde einddoel zodat NER’s boer en beleidsmaker op kosten jagen zonder extra voordelen voor het milieu.” Hij noemt het evenmin efficiënt dat Vlaamse boeren noodgedwongen 70 miljoen kilo stikstof als kunstmest toedienen, terwijl ze dierlijke mest op overschot hebben.

Wat is nu ook al weer het verschil tussen NER’s en mestafzetrechten?
Bart Van der Straeten: Het zijn twee verschillende instrumenten van het mestbeleid die hetzelfde doel nastreven, namelijk nitraatverliezen naar het milieu beperken. Nutriëntenemissierechten (NER’s) beïnvloeden de productie van mestnutriënten (stikstof en fosfaat) door de veestapel per bedrijf te beperken. Voor de dieren die hij huisvest, moet de veehouder over NER’s van de juiste diergroep beschikken. In principe zijn er voldoende NER’s aanwezig in Vlaanderen om forse groei op bedrijfsniveau toe te laten, maar de markt werkt niet perfect zodat NER’s moeilijk beschikbaar en - zeker voor rundvee - duur zijn. Mestafzetrechten controleren het gebruik van mest op het land en zijn het economisch equivalent van de bemestingsnormen. De schaarse bemestingsruimte deed namelijk een markt ontstaan waar veehouders met een mestoverschot en akkerbouwers die vragende partij zijn voor dierlijke mest, elkaar vinden.

“Mestbeleid zadelt boer en beleidsmaker op met dubbele kosten”

Eén van uw promotoren, professor Jeroen Buysse, zei voor de zomer in geVILT dat NER’s niet deugen als oplossing voor het mestprobleem. Kan u uitleggen waarom niet?
Net zoals de bemestingsnormen willen NER’s het mestprobleem in Vlaanderen aanpakken, maar hetzelfde einddoel kan je niet twee keer bereiken. Boer en beleidsmaker worden dus opgezadeld met dubbele kosten zonder bijkomende milieuvoordelen. De overheid zou het mestbeleid uitsluitend kunnen baseren op mestafzetrechten. Controleer niet langer de productie van mest, maar gebruik die middelen om nog beter te waken over de aanwending van mest. Wanneer extra mestproductie verwerkt wordt, vergroot de kans op nitraatuitspoeling immers niet. Gemiddeld wordt nog 145 kilo dierlijke stikstof per hectare gebruikt terwijl de norm op 170 kilo ligt. NER’s en hun voorlopers de nutriënthalten zijn niet altijd zinloos geweest. Ten tijde van MAP IIbis (in 2000) waren de bemestingsnormen voor een aantal gewassen milieukundig gezien nog te ruim en was de handhaving gebrekkig zodat controle op de mestproductie toen wel verantwoord was. Dat was ook nodig om de opkoopregeling voor vee te doen functioneren.

Zou de Vlaamse veestapel een hoge vlucht nemen zonder NER’s?
melkveestal.zonnepanelen.2.jpgEen sluitende uitspraak kan ik daar niet over doen, maar spectaculaire groei op sectorniveau is weinig waarschijnlijk. Individuele bedrijven zouden wel kunnen uitbreiden, zij het beperkt want de verwerking van de extra mest kost ook geld. Varkens- en pluimveebedrijven kunnen trouwens vandaag al uitbreiden mits mestverwerking. Ook op rundveebedrijven voorspel ik weinig groei want in de sector zijn 21 miljoen NER’s op overschot. Het zijn dus andere factoren zoals de ruwvoederwinning die bedrijfsuitbreidingen tegengaan. Voor alle veebedrijven geldt dat de groei deels in functie zal staan van de kosten voor mestafzet. Zelfs zonder een immens kapitaal voor NER’s te moeten reserveren, zullen bedrijven maar uitbreiden in de mate dat de mest op een economisch verantwoorde manier afgezet kan worden. Als de veestapel in Vlaanderen toeneemt, kunnen de stijgende kosten voor mestafzet een rem zetten op de verdere groei van bedrijven.

Zowel NER’s als mestafzetrechten zijn verhandelbaar. Is dat een goede beleidskeuze?
Met een perfect functionerende markt zijn verhandelbare rechten economisch gezien de meest effectieve en efficiënte keuze. Het biedt individuele bedrijven groeikansen en de sector kan zich structureel ontwikkelen. De meest efficiënte bedrijven kunnen de rechten in handen krijgen. De groei van bedrijven mag je niet remmen door rechten onverhandelbaar te maken want dan valt de ontwikkeling van een sector stil en gaat de competitiviteit achteruit in vergelijking met andere landen. In realiteit zijn marktcondities nooit perfect en zijn er transactiekosten bij de handel in rechten. Toch zullen die nooit zwaarder doorwegen dan de voordelen want dan zou er simpelweg geen handel zijn.

“Mestverwerking verplichten in Vlaanderen was een schot in de roos”

Waarom zou de overheid willen tussenkomen in de handel van quota?
Vanuit economisch oogpunt is het een voordeel dat quota in een perfecte markt bij de meest efficiënte bedrijven terechtkomen. Sociaal gezien kan die concentratie echter nadelig zijn. De verplichte mestverwerking in Vlaanderen is een mooi voorbeeld van een beleidsbijsturing om sociale (en economische) redenen. Het moedigde mestverwerkers aan om te investeren en vermijdt dat de prijs voor mestafzet op land onmogelijk hoog oploopt voor kleine veebedrijven. Zonder verplichte mestverwerking zou de kostprijs voor een mestafzetrecht tien procent duurder uitvallen. De kleine en middelgrote veebedrijven mogen dan wel een kostenreductie ervaren, de keerzijde van het overheidsingrijpen is dat voor de totale dierlijke productiesector de kosten voor mestafzet wel hoger liggen. Het is de taak van de beleidsmaker om die afweging te maken.

Uw doctoraat bestempelt de bemestingsnormen als een concentratierecht. Wat is dat en welke voordelen biedt het?
mest1.jpgDoor bemestingsnormen te beschrijven als concentratierechten leverde ik het eerste praktijkvoorbeeld van dergelijke rechten in de wetenschappelijke literatuur. Tot voor kort werden bemestingsnormen vergeleken met CO2-emissierechten. Waar een bedrijf de CO2 uitstoot na aankoop van emissierechten maakt niet uit, terwijl dat ruimtelijk aspect net de essentie is van het mestbeleid. Een concentratierecht beperkt niet alleen het totale mestgebruik van een landbouwer, het regelt ook de noodzakelijke ruimtelijke spreiding van het mestgebruik: een landbouwbedrijf moet het mestafzetrecht gebruiken op de plaats van aankoop. Een veebedrijf uit de Westhoek dat een mestafzetrecht aankoopt in de akkerbouwstreek in het binnenland, zal zijn mest dus moeten transporteren naar die streek. Onder het systeem van emissierechten zou het mestgebruik op een perceel enkel beperkt worden door teelttechnische limieten enzou in gemeenten met een hoge mestdruk het mestgebruik kunnen oplopen tot 340 kilo stikstof per hectare, terwijl dit nu overal beneden de norm van 170 kilo ligt. Het ruimtelijk aspect beïnvloedt ook de prijs die veehouders moeten ophoesten om hun mestoverschot kwijt te raken. De ‘willingness to pay’ van een West-Vlaamse veehouder zal een veelvoud zijn van die van een collega uit Vlaams-Brabant. Deze vernieuwde wetenschappelijke kijk verandert uiteraard niets voor de landbouwer maar biedt meer mogelijkheden om het mestbeleid te analyseren en te verbeteren.

Vlaamse boeren zijn grote kunstmestgebruikers terwijl er dierlijke mest in overvloed is. Kan dat echt niet anders?

Lees ook:
Rekenvoorbeeld en uitleg bij mestbeleid op basis van niet-benutte stikstof
Ecologisch is het waanzin dat stikstof uit dierlijke mest via mestverwerking de lucht wordt ingestuurd, terwijl het energie vreet om luchtstikstof te verwerken tot een kunstmestkorrel. Ook economisch is het onverantwoord dat een landbouwer betaalt voor het onttrekken van stikstof uit mest, waarna hij diezelfde eenheid stikstof opnieuw aankoopt in de vorm van kunstmest. Dat is niet de fout van de landbouwer, wel van een beleid dat niet de juiste stimulansen geeft. Helaas ziet het er niet naar uit dat Europa de eerstkomende jaren toestemming geeft om het eindproduct van mestverwerking te catalogeren als kunstmest. Een alternatief is boeren toelaten om meer dierlijke mest te gebruiken op voorwaarde dat zij via een bewerking van de mest de nutriënten beter beschikbaar maken voor het gewas. Je moet de landbouwer wel een goede reden geven om zijn mest te vergisten of te scheiden. Die goede reden is de toelating om meer dierlijke mest te mogen opbrengen zodat minder kunstmest aangekocht moet worden.

Is een efficiënter mestbeleid beter voor de boer, maar slechter voor het milieu?
Niet noodzakelijk, wat in Vlaanderen bewezen wordt door derogatie. Dat is de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden meer dierlijke mest aan te wenden. De Vlaamse derogatie is van alle derogatiesystemen in Europa niet alleen de efficiëntste met de grootste potentiële kostenvermindering, maar biedt ook de beste garanties voor het milieu. Elders wordt derogatie toegekend op bedrijfsniveau waarna op alle percelen meer dierlijke mest ingezet wordt. In Vlaanderen wordt derogatie toegekend op perceelsniveau en komen alleen percelen met een gewas met een grote stikstofbehoefte en een lang groeiseizoen in aanmerking.

Hoe ziet het ‘ideale mestbeleid’ er uit? Welke rol is daarin weggelegd voor de overheid?
Het ideale mestbeleid combineert effectiviteit en efficiëntie. De normen voor de waterkwaliteit in de Nitraatrichtlijn moeten behaald worden, er is geen andere weg. De beleidsmaker moet dit proberen te realiseren zonder boeren te confronteren met nodeloze kosten. Schrap dus de nutriëntenemissierechten en baseer het mestbeleid op een goede handhaving van de bemestingsnormen en zet daar de vrijgekomen middelen voor in. De rotte appels moeten er immers uit want zij verpesten het voor de boeren die het goed menen. Het beleid moet veebedrijven ook voldoende kansen geven om te groeien en marktconform te blijven. De structurele ontwikkeling van de sector mag niet aangetast worden zolang groei maar plaatsvindt met eerbied voor de nitraatdoelstelling en voor de kleinere bedrijven.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via