nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

17.02.2012 "Bodemvruchtbaarheid in België evolueert gunstig"

De bodemvruchtbaarheid in België is er over het algemeen op vooruitgegaan. Zeker de afgelopen vijf jaar is de score op heel wat parameters verbeterd. Dat heeft de Bodemkundige Dienst van België bekendgemaakt. “Hoewel er nog een grote variatie in bodemvruchtbaarheid tussen de percelen bestaat, merken we toch dat bemestingsadviezen hun vruchten afwerpen”, klonk het tijdens een studienamiddag.

De Bodemkundige Dienst van België (BDB) is een onafhankelijke onderzoeks- en adviesinstelling voor landbouw, tuinbouw en milieu. Ze is vooral actief in bodem- en wateronderzoek, bemestingsadvies, irrigatiesturing en milieu-effectenrapporten. Elke vier jaar geeft de Bodemkundige Dienst een rapport uit met daarin details over de conditie van de bodem. Sinds het ontstaan in 1989 kan het daarvoor terugvallen op maar liefst 750.000 bodemstalen met gegevens over pH, koolstof, fosfor, kalium, magnesium, calcium en natrium.

Wat pH of de zuurtegraad van de bodem betreft, blijkt dat 39 procent van de bemonsterde akkerbouwpercelen in de streefzone – oftewel de ideale waarde voor pH in de bodem – valt. Een goede pH-waarde is nodig om een goede gewasopbrengst te kunnen halen. Voor weilanden zien we dat bijna 37 procent van de percelen in de streefzone valt. Sinds 1989 is de pH-waarde in de bodem gunstig geëvolueerd. Vooral in de Leemstreek en de Polders zijn de resultaten goed. “Deze evolutie toont een duidelijk sturend effect van bekalkingsadviezen aan”, aldus Sofie Maes van BDB.

De jarenlange trend van toename van het fosforgehalte in de bodem is op de meeste akkerbouwgronden aan het stabiliseren of zelfs aan het afnemen. “Dat is positief, want een teveel aan fosfor is niet goed voor het milieu. De stof hoopt zich op in de bodem tot een bepaald niveau en belandt bij overmaat in het oppervlakte- en grondwater, wat kan leiden tot eutrofiëring. De afname van het fosforgehalte is vooral het gevolg van een toenemende bewustwording en van het beleid. Zo is het toedienen van fosfaat-kunstmest sinds 2007 verboden”, legt Maes uit.

Ruim 17 procent van de percelen ligt voor fosfor binnen de streefzone. Dit betekent een stijging nadat sinds 1996 een afname van het aantal percelen binnen de streefzone werd genoteerd. Vooral in de Leemstreek ziet men duidelijk dat er de afgelopen jaren gebruikt werd gemaakt van de fosforreserves in de bodem: in de periode 2004-2007 viel 24 procent van de percelen in de streefzone, intussen is dat al 37 procent.

De meeste akkerbouwpercelen en weilanden zijn doorgaans ook goed voorzien van kalium. Een belangrijke bron van kalium is dierlijke mest. Meer dan 84 procent van de percelen heeft een gunstig tot hoog kaliumgehalte. De landbouwstreek die het rijkst is aan kalium zijn de Duinen. Van 1989 tot 2004 was een lichte afname van het kaliumgehalte vast te stellen, nadien zien we opnieuw een lichte opwaartse trend.

Op gebied van magnesium blijven de landbouwgronden goed voorzien. De helft van de akkerbouwpercelen heeft nog steeds een gehalte boven de streefzone. Vooral de Polders en de Duinstreek worden gekenmerkt door zeer hoge magnesiumgehaltes. In weilanden is het gehalte magnesium dan weer licht teruggelopen. “Magnesium dient echter nauwlettend in het oog gehouden te worden, want 17 procent van de gronden kampt met een tekort en dat is relatief veel. Een te laag magnesiumgehalte is immers nadelig voor de gezondheid van de dieren”, stelt de Bodemkundige Dienst. Bovendien valt sinds 1989 een constante daling van het magnesiumgehalte waar te nemen.

Het calciumgehalte is over het algemeen vrij gunstig. Bij ongeveer 37 procent van de akkerbouwpercelen en 31 procent van de weilanden is het calciumgehalte lager dan de streefzone. De problemen met calcium stellen zich vooral in de Kempen, de Zandstreek en ook de Zandleemstreek. Het gehalte natrium ligt dan weer opvallend laag. Ongeveer 74 procent van de weilandstalen en 86 procent van de akkerlandstalen ligt onder streefzone. “Een verklaring hiervoor is dat natrium een mobiel element is dat vrij snel uitspoelt”, legt Sofie Maes uit. Enkel de kustzone vormt een uitzondering. Daar dient gewaakt te worden over verzilting.

Daarnaast meet de Bodemkundige Dienst ook telkens een aantal spoorelementen. Eén daarvan is boor. Ook hier valt een duidelijke positieve evolutie op: in 1989 was het aantal percelen binnen de streefzone nog geen 22 procent, ondertussen is dit opgelopen tot 32 procent. Voor weiland is ook het gehalte aan koper, kobalt en zwavel belangrijk. Voor koper zien we dat bijna de helft van de percelen binnen de streefzone valt. Voor kobalt en zwavel wordt ook een positieve evolutie genoteerd, maar toch is er nog veel aandacht nodig. Voor beide elementen valt minder dan 30 procent van de percelen binnen de streefzone.

“Deze resultaten doen ons concluderen dat er zeker een belangrijke evolutie valt waar te nemen voor heel wat parameters. Pluspunten zijn de gunstige evolutie van de pH-waarde en het fosforgehalte. De invloed van bemestingsadviezen begint stilaan duidelijk te worden”, beweert Maes. Ze wijst er wel op dat er op vlak van natrium en kalium nog een aantal inspanningen geleverd moeten worden. Dat geldt ook voor de spoorelementen kobalt en zwavel.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via