nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Melkveehouderij klaarstomen voor de internationale markt
23.05.2011  Boeren op het scherp van de snede

Er staat de melkveehouderij in Vlaanderen en Europa heel wat veranderingen en uitdagingen te wachten in de nabije toekomst. Wetenschappers van de afdeling ‘Landbouw en Maatschappij’ van het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek (ILVO) hebben daarom antwoorden op prangende vragen gesprokkeld. Ze ontwikkelden en verfijnden met de 'melkveecafés' een systeem van open dialoogmomenten voor melkveehouders. Zo leerden de Vlaamse bedrijfsleiders kennis en ervaring delen. Binnen het Europese DAIRYMAN-project werkt men met voorbeeldbedrijven voor ‘best practice’-adviezen. En sinds kort zijn de betrokken wetenschappers in een internationaal melkveenetwerk gestapt. Ook daar kunnen vooruitdenkende Vlaamse melkveehouders mee op de eerste rij zitten.

“De Vlaamse melkveehouderij is niet wat ze geweest is”, verklaart de onderzoekers aan de ILVO-afdeling ‘Landbouw en Maatschappij’ (L&M). “Dat is geen pessimistisch gemopper, maar een feitelijke observatie”, klinkt het. Zowel het totaal aantal melkveebedrijven als het aantal koeien is gedaald. Er is sprake van een opmerkelijk sterke specialisatie en schaalvergroting: wie overbleef werd groter (de bedrijven) en productiever (de koeien).

Wetenschap en boerenbekommernissen

Het lijstje kopzorgen van de moderne Vlaamse melkveeboer is niet min: grondkosten, de prijs van ruwe grondstoffen voor voeder en bemesting, bedrijfseconomische kennis, arbeid als productiefactor, de maatschappelijke eis van duurzaamheid, de wettelijke noodzaak van sanitaire maatregelen en de roep tot verbreding. In 2015 vervalt daarenboven het Europees systeem van melkquota per deelstaat, zoals we het sinds 1984 kennen. Ook andere mechanismen die de markt moeten beschermen, zoals bijvoorbeeld invoerheffingen en exportrechten, worden volop afgebouwd.

Hoe kan de Vlaamse melkveehouderij stand houden op die vrije markt? Hoe zullen onze melkveehouders omgaan met de wereldwijd stijgende vraag naar melkproducten? Hoe kunnen individuele bedrijven hun economisch en ecologisch management zo organiseren dat ze het hoofd boven water houden of zelfs aan de kop van het peloton komen? “Al die zorgen hoeven niet noodzakelijk negatief te zijn”, is men bij ILVO - L&M overtuigd. “Het zijn even goed uitdagingen die een aanzet kunnen zijn om de zaken beter, meer gestructureerd en dus ook economisch voordeliger aan te pakken.”

melkveeb.jpgOm op deze vragen en uitdagingen een antwoord te kunnen bieden, is ILVO - L&M reeds enkele jaren actief op zoek naar de betere voorbeelden voor een ecologisch en economisch deugdelijke melkveehouderij. Via de 'melkveecafés' hielp L&M al om de boekhoudkundige gegevens van de afdeling Monitoring en Studie (AMS) concreet ten dienste te stellen van de moderne Vlaamse melkveeboer. Toen in 2009 AMS en ILVO-L&M gezamenlijk de schouders zetten onder de melkveecafés, bleek tijdens de discussiesessies voor twee groepen melkveehouders uit Vlaanderen dat de grootste ontevredenheid te maken had met de onzekerheid die de schommelende melkprijs veroorzaakt.

Met het verdwijnen van de melkquota in 2015 zal de hele sector nog uitdrukkelijker geconfronteerd worden met het spel van vraag en aanbod. L&M heeft in dat verband net een publicatie afgewerkt die een eerste verkennende analyse vormt van wat deze verhoogde volatiliteit voor de melkveesector kan betekenen. De analyse met als titel ‘Een volatiele melkprijs: het effect op het risicoprofiel van melkveebedrijven’ kadert in een ruimer project over risicoanalyse en -management.

Knelpunten en actieplannen

Binnen het DAIRYMAN-project – waarover binnenkort een rapport verschijnt – participeren maar liefst 120 Europese melkveebedrijven. Het is een Interreg-project (2009-2013) dat milieuzorg en economische leefbaarheid in de melkveehouderij in Noordwest-Europa centraal zet. De sector in Vlaanderen wordt aan de hand van een literatuurstudie en op basis van beschikbare cijfers ecologisch, economisch en sociaal doorgelicht. Twaalf Vlaamse voorbeeldbedrijven fungeren daarnaast als model voor een duurzame bedrijfsvoering.

In het project staan kennisuitwisseling en sociale contacten centraal. Daarom wil men alle schakels in en buiten de keten bij het project betrekken: landbouwers, maar ook vertegenwoordigers uit de voeder- en meststoffenindustrie, zuivelfirma’s, beleidsmakers, natuurverenigingen, enz. Door alle partijen in elke regio op een workshop uit te nodigen, wordt er een rijkdom aan informatie bijeengesprokkeld die naar de brede sector gecommuniceerd zal worden. “Dat is van onschatbaar economisch belang, want de zuivelsector is goed voor 9,8 procent van de waarde van de Vlaamse land- en tuinbouwproductie en behoort daarmee tot de vijf belangrijkste subsectoren (samen met varkensvlees, rundvlees, groenten en niet-eetbare tuinbouwproducten)”, illustreert ILVO – L&M.

melkkan.jpgDAIRYMAN gaat nog een stap verder dan de melkveecafés: men zoekt ook actief naar oplossingen om de bedrijfsvoering te optimaliseren door de discussiegroepen aan te vullen met doelgericht individueel bedrijfsadvies. Er is immers steeds ruimte voor verbetering, zo blijkt. Tijdens een workshop in februari 2011 werd gepolst hoe de Vlaamse melkveehouder maatschappelijk verantwoord en rendabel kan ondernemen. Die evenwichtsoefening op het slappe koord van economische, ecologische en sociale duurzaamheid is niet eenvoudig. Vertrekpunt was een knelpuntenlijstje: het risicovolle inkomen, de mestproblematiek, de steeds verdere afgebouwde marktbescherming, de fluctuerende melkprijs en productiekosten, enz..

“Daarom kijken de onderzoekers hoe een boer al die prijsschommelingen kan incalculeren in het bedrijfsmanagement”, zegt ILVO - L&M. “Het familiaal karakter van vele Vlaamse bedrijven is op dat vlak al een pluspunt, omdat op die manier de arbeidskosten laag blijven (al resulteert dit wel in een loon dat lager ligt dan in andere sectoren).” Anderzijds zien de onderzoekers dat de toenemende schaalvergroting de productiekosten weliswaar drukt, maar ook de werklast de hoogte doet ingaan. “Een voor de hand liggende oplossing is doorgedreven automatisering, maar daar hangt een behoorlijk prijskaartje aan”, beseft L&M, al kan het een oplossing zijn om samen te werken door bijvoorbeeld gezamenlijk machines aan te kopen en te gebruiken.

Automatisering door bijvoorbeeld melkrobots in te schakelen, heeft als bijkomend gevolg dat de weidegang van de melkkoeien vaak drastisch omlaag gaat. “Dat kan een imagoprobleem veroorzaken”, waarschuwt L&M. “Zo merken we op dat FrieslandCampina weidegang als standaard hanteert in de bedrijfsvoering van hun leden omdat het de beeldvorming en acceptatie van de melkveehouderij ten goede komt. De mensen zien immers graag de koeien op de wei.” Verbreding van de sector (door thuisverkoop, hoevetoerisme en agromilieumaatregelen) beschouwen de onderzoekers in die optiek ook een uitmuntende bedrijfsstrategie.

De prijs van duurzaamheid

Duurzaam bezig zijn, is dus onmiskenbaar een opsteker voor de beroepstrots van de melkveehouder, maar er blijft het probleem van het inkomen. “De landbouwer kan dan wel in de weer zijn met het leveren van ecosysteemdiensten en zo het landschap aantrekkelijker maken en ecologisch gezonder houden, maar die persoonlijke attitude moet natuurlijk in de eerste plaats rendabel blijven”, benadrukt ILVO - L&M. In dat verband signaleren de onderzoekers binnen DAIRYMAN een aantal alternatieve strategieën voor een betere prijsvorming.

melk.jpgEén mogelijkheid is consolidatie, waarbij boeren gezamenlijk hun producten gaan vermarkten om zo een betere onderhandelingspositie in de wacht te slepen. Een voorbeeld hiervan is de coöperatie Milcobel die recent een succesvolle samenwerking opzette met Delhaize rond duurzaam geproduceerde melk. Ook kunnen boeren via integratie de keten verkorten. De Oost-Vlaamse vereniging Mikka houdt de afstand tussen producent en consument zo klein mogelijk via rechtstreekse vermarkting en verkoop aan de verbruiker. Deze strategieën staan wel nog in de kinderschoenen, met alle wettelijke en financiële beperkingen van dien (zoals de wet op mededinging en de extra kosten om de samenwerking te coördineren). Er zijn bovendien financiële gevolgen voor de klant: de artisanale melk van Mikka is bijvoorbeeld dubbel zo duur als de gewone. “Het is dus nog maar de vraag of de burger zijn maatschappelijke verzuchtingen op het vlak van duurzaamheid ook wil betalen als consument”, merken de onderzoekers op.

Ook het nutriëntengebruik heeft zowel een economische als ecologische weerslag. Het is van groot belang voor een duurzame landbouw dat de nutriënten efficiënt worden ingezet. De verliezen moeten minimaal zijn om zo de kringloop maximaal te kunnen sluiten. De Europese regelgeving, met de Nitraatrichtlijn en de Kaderrichtlijn Water voorop, stelt op dat vlak hoge eisen. Bij ons moet het mestactieplan zorgen dat het mestbeleid bijgestuurd wordt om aan al die regels te voldoen. En al is onze waterkwaliteit intussen veel beter geworden en de emissie van ammoniak en broeikasgassen naar beneden gegaan, toch is er nog heel wat ruimte voor verbetering door een proactieve aanpak. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat het daarbij niet noodzakelijk om duizelingwekkende investeringen hoeft te gaan. Beperkte maatregelen kunnen soms al voor verrassende resultaten zorgen: het rantsoen nauwgezet berekenen om zo de juiste krachtvoeders te kunnen aankopen, bemestingsadvies nemen en opvolgen, zorgen voor een goede bodemkwaliteit, enz.

ILVO-L&M vestigt met DAIRYMAN ook de aandacht op een bijkomend probleem van de mestproblematiek. De strengere bemestingsnormen hebben namelijk een negatief effect op de kwaliteit en kwantiteit van ruwvoeders. Kwalitatief daalt de eiwitinhoud en dus ook de voederwaarde. Er komen bijgevolg meer externe eiwitbronnen (zoals soja) via import in onze landbouw terecht. Daardoor ontstaat in ontwikkelingslanden een (te) intensieve landbouw, terwijl bij ons een grondloze veeteelt opgang maakt, met in de marge een overdaad aan maïsteelt om de voederrantsoenen aan te vullen. Mogelijke oplossingen hier zijn de herwaardering van reststromen, meer kwalitatieve graskuilen en de bedrijfseigen teelt van eiwitrijke gewassen.

Vooruitziend en internationaal

In de conclusie van het DAIRYMAN-rapport omschrijven de ILVO-onderzoekers de hedendaagse boerenstiel als “boeren op het scherp van de snede”: er moet gewerkt worden met kleine economische marges, terwijl men tegelijkertijd aan een resem randvoorwaarden moet voldoen. Dat is een hele klus en daarom engageren de onderzoekers zich om op basis van hun studie van de voorbeeldbedrijven middelen aan te reiken waarmee alle melkveehouders hun management kunnen opkrikken. Ze beklemtonen daarbij dat het ontzettend belangrijk is om niet op korte termijn te denken. “De melkveehouder die vandaag en morgen marktgericht en ecologisch verantwoord wil overleven, zal voldoende vooruit moeten kijken”, klinkt het. Dat blijkt ook uit een nieuw onderzoeksproject over melkvee van L&M en UGent. In dat ECOWORM-project pleit men voor een geïntegreerde en bedrijfsspecifieke aanpak van de ontworming in de melkveehouderij, die veel bedrijfsefficiënter is dan de huidige aanpak op basis van het infectieniveau.

melkveec.jpgNaast het aanscherpen van een vooruitziende aanpak wil DAIRYMAN de melkveehouder ook klaarstomen voor de internationale markt. In dit kader mochten een aantal Vlaamse en Nederlandse melkveehouders vorig jaar een groep van Ierse boeren verwelkomen op hun bedrijf. Verschillende productiemethoden zorgen immers voor verschillen in expertise, en zo kan men van elkaar leren. “Waar de Ieren iets konden opsteken over onze intensieve manier van melkveehouderij, kan een bezoek aan Ierland voor onze boeren bijvoorbeeld een betere kijk op efficiënt graslandbeheer bieden”, is ILVO - L&M overtuigd.

Dat leren van elkaar zal zich niet beperken tot de Europese context van DAIRYMAN, want sinds 2010 is L&M ook lid van het International Farm Comparison Network. Via uitwisseling van kennis, inzichten, methoden, tools en gegevens wil dit globale netwerk bijdragen tot een beter begrip van de economie van de melkproductie. De onderzoekers van L&M voeden de kennisbank van dit netwerk nu met jaarlijkse gegevens over onze melkveesector en hebben zo ook toegang tot de data van de andere deelnemers uit zo’n 80 landen, waardoor een internationale vergelijking mogelijk wordt.

In het licht van de globalisering van de zuivelmarkt kunnen de Vlaamse melkveeboeren dus hun voordeel doen met kennis over de aanpak in het buitenland. Het gaat hierbij om zeer concrete informatie zoals risico-analyses en kwaliteitscontrole, die vergaard wordt via panels waarin onderzoekers, zuivelverwerkers en landbouwers zetelen. In de recent verschenen publicatie ‘Het IFCN als analysekader voor de melkveesector in Vlaanderen’ doen de ILVO-onderzoekers dan ook een oproep aan alle potentiële belanghebbenden om deel te nemen aan zo’n panel. “Want samenwerken is goed boeren”, besluiten zij.

Meer info: contacteer ILVO via of bekijk de ILVO-publicatie DAIRYMAN & de website van het Interreg-project

Bron: |

Beeld: ILVO

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via