nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Wat is er nodig voor een succesvolle bestrijding van BVD?
24.02.2014  Boviene virale diarree bij melk- en vleesvee

Dierenarts Jozef Laureyns van de Buitenpraktijk, faculteit Diergeneeskunde, UGent presenteerde begin januari zijn doctoraatsthesis over de controle van Boviene Virale Diarree (BVD). De eerste doelstelling van de thesis is in de verf zetten dat de klinische diagnose van BVD moeilijk is, onder andere door de vele en soms uitzonderlijke klinische verschijningsvormen en verborgen besmettingen. Verder toont Laureyns aan dat de vrijwillige bestrijding zoals die nu bij ons loopt dikwijls niet efficiënt is, ondanks duidelijke adviezen van Dierengezondheidszorg Vlaanderen en de Gentse faculteit Diergeneeskunde. Op basis van onderzoek en literatuurstudie geeft hij tenslotte ook suggesties voor het op til zijnde verplichte Belgische BVD-bestrijdingsprogramma.

BVD is moeilijk te herkennen op het rundveebedrijf
Boviene Virale Diarree is een complexe ziekte die zich kan voordoen onder een veelvoud aan klinische verschijningsvormen. Daarom is de diagnose zonder staalname en laboratoriumtesten moeilijk tot dikwijls onmogelijk. Dit heeft tot gevolg dat men bij gezondheidsproblemen op rundveebedrijven vaak niet beseft dat het BVD-virus de oorzaak is. Het is dan ook niet verwonderlijk dat uit een recente studie van de faculteit Diergeneeskunde aan de UGent bleek dat het virus aanwezig is op meer dan 40 procent van de Belgische rundveebedrijven.

kalf_ILVO.2.pngIn de doctoraatsthesis worden een aantal gevallen beschreven die niet meteen aan BVD doen denken. Bij een eerste bedrijf werd er een zeldzame vorm van het BVD-virus ontdekt bij een tien dagen oud kalf gedurende een uitbraak van bloederige diarree bij pasgeboren kalveren. Een volgende case gaat over een twee dagen oud kalf met spontane huidbloedingen en een te laag gehalte aan bloedplaatjes. Dit zijn ziektetekens die zonder laboratoriumtesten moeilijk te onderscheiden zijn van wat wordt waargenomen bij kalveren die lijden aan Boviene Neonatale Pancytopenie (BNP), ook “bloederkalveren” genoemd. Het spontane herstel van het bloedingssyndroom bij dit BVD-dragerkalf en de jonge leeftijd in vergelijking met de leeftijd van BNP-kalveren waren uitzonderlijk.

De laatste gevalsbeschrijving behandelt een koe die ernstig algemeen ziek was kort na de kalving en bloederige ontsteking van de dikke darm vertoonde. Andere koeien van het bedrijf waren daarvoor ook ernstig ziek geweest met bloederige diarree als het meest opvallende symptoom. Bij retrospectief onderzoek bleek dat gedurende de uitbraak een drie maanden oud dragerkalf naast de pasgekalfde koeien gehuisvest was. Dit kalf had de koeien besmet met het BVD-virus. Het virus was hoogstwaarschijnlijk het bedrijf binnengekomen via materiaal dat gemeenschappelijk gebruikt werd met een ander bedrijf. Het viel op dat het beschreven kalf en de koe allebei besmet waren met BVDV1b, het bij ons meest gevonden type BVD-virus, terwijl nog steeds algemeen aangenomen wordt dat bijna uitsluitend BVDV2 verantwoordelijk is voor het bloedingssyndroom en andere erge gevallen van BVD.

Verband tussen BVD-virusinfectie en celgetal van de melk
Vervolgens werd er gezocht naar verborgen schade veroorzaakt door het BVD-virus. Uit een onderzoek op Vlaamse bedrijven waar niet gevaccineerd werd tegen BVD-virus, bleek dat er een relatie bestaat tussen de graad van BVD-besmetting van een melkveebedrijf en het tankmelkcelgetal. BVD-vrije bedrijven hadden met name een significant lager tankmelkcelgetal dan bedrijven waar er volgens het BVD-antistoffengehalte in de tankmelk nog actieve infectie was of waar er kort voor het onderzoek nog een infectie met het BVD-virus was.

Wordt het BVD-virus in Vlaanderen efficiënt bestreden?
Het is evident dat er voor het herkennen van een ziekte zoals BVD, die vaak niet gedetecteerd kan worden aan de hand van klinische verschijnselen, laboratoriumtesten aangewezen zijn. Deze testen zijn zowel nodig voor het stellen van de diagnose bij individuele zieke dieren, als voor het voortdurend opvolgen van rundveebedrijven. Dit monitoren is noodzakelijk, zowel voor het ontdekken van BVD-viruscirculatie op bedrijven, als voor het tijdig opmerken van eventuele herinfecties na een succesvolle uitzuivering.

kalf.melkveehouderij.2.jpgAlgemeen wordt aangenomen dat er voor een efficiënte BVDV-controle drie elementen onontbeerlijk zijn: bioveiligheidsmaatregelen, opsporing en verwijdering van alle dragers (dieren die blijvend geïnfecteerd zijn en het virus verder verspreiden, nvdr.) en het voortdurend opvolgen van de situatie. Om na te gaan waarom in Vlaanderen het terugdringen van het BVD-virus niet blijkt te lukken, wordt in een volgend hoofdstuk onderzocht of de vrijwillige pogingen tot controle van de besmetting wel voldoende systematisch worden uitgevoerd.

Uit de verkregen gegevens blijkt dat de bestrijding in Vlaanderen op de meeste rundveebedrijven inefficiënt verloopt. De meeste bedrijven (63%) kenden hun BVD-status niet, omdat ze niet monitoren. Ook werd er op 71 procent van de bedrijven gevaccineerd tegen BVD zonder het voorafgaand opsporen en verwijderen van virusdragers. Dit betekent dat twee van de drie vereiste peilers van een efficiënte aanpak op de meeste bedrijven ontbreken. Dit onderzoek naar het BVD-management op Vlaamse bedrijven toont dus aan dat, net zoals dit in andere landen het geval is, de vrijwillige aanpak op bedrijfsniveau niet werkt voor BVD.

Een verplicht bestrijdingsprogramma voor België
Ervaringen uit het verleden leren dat bestrijdingsprogramma’s alleen maar konden slagen als ze op regionaal of nationaal niveau gevoerd werden. Hieruit volgt logisch dat een nationaal, verplicht BVD-eradicatieprogramma de enige goede aanpak is om op middellange termijn succesvol te zijn. In het laatste deel van dit proefschrift worden een aantal voorwaarden aangegeven waaraan een toekomstig nationaal BVD-programma moet voldoen opdat het erin zou slagen om de ziekte uit te roeien op het Belgisch grondgebied. Daarbij is rekening gehouden met de praktische haalbaarheid, de financiële mogelijkheden en de kans op aanvaarding door de betrokkenen.

kalf2.gifDe strategie van het Belgische programma zoals het nu is gepland, bestaat uit het verplicht testen van alle pasgeboren kalveren vanaf januari 2015. Daarvoor zal de ‘ear notch’-test gebruikt worden. Hierbij wordt bij het plaatsen van het officiële oormerk automatisch een stukje oorweefsel genomen, dat dan voor onderzoek naar het laboratorium verzonden wordt. In de eerste stadia van het Belgische programma zullen de regels beperkt zijn. "Dit is een aanvaardbare strategie", aldus Laureyns, "omdat een nieuw programma goed uitgelegd moet kunnen worden aan alle betrokkenen." Ook de succesvolle programma’s in het buitenland waren bij aanvang gebaseerd op eenvoudige regels.

In België wil men, na het evalueren van de vooruitgang, steeds weer een volgende stap toevoegen, waarin enerzijds verplichtingen kunnen wegvallen voor bedrijven die al ver gevorderd zijn met de bestrijding, maar anderzijds strengere maatregelen opgenomen kunnen worden voor de overige bedrijven. In afwachting van een meer dwingend reglement, is een goed gevoerde informatiecampagne gefocust op de veehouders en de bedrijfsdierenartsen hoogst noodzakelijk om de beperktheden in de eerste fase van het programma op te vangen.

Bron: |

In samenwerking met: faculteit Diergeneeskunde, Universiteit Gent

Volg VILT ook via