nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

22.02.2012 Carbon footprint Vlaamse veehouderij in kaart gebracht

De carbon footprint van één kilo halfvolle UHT-melk geproduceerd door Vlaamse koeien schommelt tussen 1,03 en 1,36 kilo CO2-equivalent. Voor een kilo ontbeend rundvlees en ontbeend varkensvlees uit Vlaanderen bedraagt die carbon footprint respectievelijk 22,2 à 25,4 CO2-equivalent en 11,6 à 14,6 CO2-equivalent. Dat blijkt uit een studie die het Departement Landbouw en Visserij liet uitvoeren.

Als gevolg van landbouwactiviteit komen verschillende broeikasgassen vrij. De belangrijkste daarvan zijn koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en lachgas (N2O). Samen resulteren zijn in een carbon footprint, een maat voor de impact van een activiteit op klimaatverandering. Omdat de veehouderij binnen de landbouwsector een belangrijk aandeel heeft in de koolstofvoetafdruk, concentreerde de studie zich op de veehouderijproducten. “Het was de bedoeling om een meetinstrument te ontwikkelen dat de carbon footprint van deze producten vanuit een ketenbenadering kan bepalen”, aldus Dirk Bergen van de Afdeling Monitoring en Studie (AMS).

De studie, die in de eerste plaats een methodologisch werkstuk is, werd uitgevoerd door de Universiteit Gent en Environmental Resources en Management (ERM). “Er bestaat geen algemene internationale standaard om de carbon footprint te meten. Daarom hebben we onze eigen methodologie moeten ontwikkelen”, legt Ellen Bracquené van ERM uit. “Die bouwt voort op internationale protocollen rond carbon footprinting zoals de PAS2050 en de ISO14067. Dit stelde ons in staat om een bruikbaar en transparant meetinstrument te ontwikkelen om de carbon footprint van de Vlaamse veehouderij te berekenen.”

Toch heeft de gevolgde methodologie een aantal belangrijke kritieke punten, zoals de keuze van de functionele eenheid, de systeemafbakening en de allocatiemethode die de verdeling bepaalt van broeikasgasemissies over verschillende producten die tijdens hetzelfde proces ontstaan. Voor vleesproducten werden drie functionele eenheden bepaald: per kilo levend gewicht (na het landbouwbedrijf), per kilo karkas (na slachting, maar voor de uitsnijderij) en per kilo vlees (na de uitsnijderij). Voor zuivelproducten vormde een kilo rauwe melk een functionele eenheid en een kilo UHT halfvolle melk een andere.

“We hebben dus de carbon footprint gemeten tot de eerste verwerking. Dat betekent dat andere emissiebronnen verder in de keten buiten beschouwing werden gelaten, meer bepaald distributie, detailhandel, consument en afvalverwerking”, aldus Bracquené. De onderzoekster wijst er ook op dat de carbon footprint op sectorniveau is gemeten. “We hebben een gemiddeld Vlaams veehouderijbedrijf als uitgangspunt genomen. Om de footprint te meten, hebben we de best beschikbare data in Vlaanderen bij elkaar gebracht.”

Wat melk betreft, zien we dat de carbon footprint voor een kilo rauwe melk schommelt tussen 0,90 en 1,23 CO2-equivalent, voor een liter halfvolle UHT-melk is dat 1,03 à 1,36. De belangrijkste bijdrage aan broeikasgasemissies komt van de pensfermentatie (35%), de voederproductie (24%) en de mest, zowel opslag als afzet op grasland (14%). “We zien wel een grote invloed van de verteerbaarheid van voeders, het sojaverbruik, de melkproductie per koe en het vervangingspercentage van koeien op het bedrijf”, zegt Bracquené.

De carbon footprint van rundvlees is berekend als 11,6 à 14,6 CO2-equivalent per kilo levend gewicht, 16,3 à 20,5 CO2-equivalent per kilo karkas en 22,2 à 25,4 CO2-equivalent per kilo ontbeend vlees. Voor ontbeend vlees komt de belangrijkste bijdrage aan broeikasgasemissies van de persfermentatie (48%), de voederproductie (26%) en de mest (15%). De footprint wordt sterk beïnvloed door de tussenkalftijd, het sojaverbruik, de verteerbaarheid van de voeders, het sterftepercentage en het slachtgewicht van de dieren.

Voor varkensvlees varieert de carbon footprint tussen 3,1 à 4,2 kilo levend gewicht, 4,0 à 5,3 per kilo karkas en 4,8 à 6,4 CO2-equivalent per kilo ontbeend vlees. Voor die laatste categorie dragen de aangekochte krachtvoeders bij tot ongeveer 54 procent van de totale carbon footprint. De tweede belangrijkste emissiebron is de mestopslag en het mestgebruik (28%). De verwerking draagt beperkt bij tot de carbon footprint (4%). Een belangrijke invloed gaat uit van de verteerbaarheid van voeders, het sojagehalte van krachtvoer, de biggenproductie, het slachtgewicht en het sterftepercentage.

Deze cijfergegevens kunnen de sector wijzen op verbeterpunten. “Denk maar aan het aanpassen van het rantsoen of het verbeteren van de voederefficiëntie om de uitstoot via pensfermentatie te verminderen. Ook het vervangen van soja door lokale eiwitten kan een positieve invloed hebben op de carbon footprint”, somt Valerie Vandermeulen van de UGent een aantal voorbeelden op. Zij wijst er wel op dat de carbon footprint maar één van de aspecten van duurzaamheid is. Elke aanpassing moet ook afgetoetst worden op economische en sociale parameters.

Het vergelijken van de carbon footprint van de Vlaamse veehouderij met andere landen is door het gebrek aan een algemene internationale standaard moeilijk. “De waarde van deze studie ligt in het feit dat wordt aangegeven welke maatregelen op bedrijfs- en sectorniveau mogelijk zijn om de carbon footprint te verminderen”, legt Guido Van Huylenbroeck uit. “Het is ook belangrijk om dit rapport niet te zien als een eindtoestand, maar als een proces. Bij herhaling van deze metingen over een aantal jaar moet duidelijk worden of we als sector in de juiste richting evolueren.”

Meer informatie: Toepassen van de Carbon Footprint methodologie op Vlaamse veehouderijproducten

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via