nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Vlaamse aanpak coëxistentie is evenwichtig"
23.03.2009  Cindy Boonen - Landbouw en Visserij

Het Vlaams parlement heeft het coëxistentiedecreet goedgekeurd. Vijf jaar lang hebben politici, ambtenaren, adviesraden en belangenorganisaties zich met opmerkelijke toewijding gebogen over het verstandshuwelijk tussen transgene en conventionele gewassen. Bij beleidsmedewerkster Cindy Boonen van het departement Landbouw en Visserij peilden we naar de ankerpunten van de nieuwe wetgeving.

Iedere EU-lidstaat werkt een eigen coëxistentiewetgeving uit. Wat is de filosofie achter die aanpak?
Cindy Boonen: De teeltomstandigheden in Europa zijn sterk verschillend. Zo is de bestrijding van schieters het jaar na de teelt van transgene maïs niet nodig in gematigde streken zoals Vlaanderen, maar in Zuid-Europa is dat een noodzaak. En windbestuiving van omliggende percelen door genetisch gemodificeerde maïspollen is een kleiner probleem wanneer de percelen met conventionele maïs groot genoeg zijn. Hoe groter het oogstvolume, hoe sterker het verdunningseffect bij vermenging, en hoe kleiner dus de kans dat tolerantiedrempels overschreden worden. De Europese Commissie is van oordeel dat de coëxistentiemaatregelen zoveel mogelijk moeten afgestemd zijn op lokale omstandigheden en gewastypes.

Dat is ook een handige manier om zich van de hete aardappel te ontdoen?
De ervaring met ggo-teelten is inderdaad nog relatief beperkt, en ook dat was voor de Commissie een argument om geen uniforme regels voor te stellen. Intussen werden wel diverse Europese fora opgericht om een maximale samenwerking tussen de lidstaten te bewerkstellingen. Er is een informele netwerkgroep waarin ambtenaren uit alle lidstaten informatie en ervaringen uitwisselen. Daarnaast zal voor ieder gewas een technische werkgroep opgestart worden om te sleutelen aan codes voor goede landbouwpraktijken in verband met coëxistentie. Voor maïs is zo’n werkgroep trouwens reeds operationeel. Ons land heeft professor Dirk Reheul van de Universiteit Gent afgevaardigd om deel te nemen aan de debatten.

Hoe ver staan de EU-lidstaten met hun coëxistentiewetgeving?
In een tiental lidstaten is de wetgeving al van kracht. Voor Denemarken is dat zelfs al het geval sinds 2005, ondanks het feit dat in dat land nog geen ggo’s geteeld worden. De Deense aanpak heeft trouwens model gestaan voor heel wat lidstaten, en ook wij hebben er een deel van onze mosterd gehaald. Opmerkelijk is dat zelfs Oostenrijk en Frankrijk al een wetgeving hebben, hoewel die landen de teelt van de transgene maïs MON 810 – tot hiertoe het enige ggo-gewas dat in de EU mag ingezaaid worden – op hun grondgebied verboden hebben. Anderzijds kiest Spanje, het land met het grootste ggo-areaal in Europa, er sinds 1998 voor om deze maïssoort te telen op basis van een vrijblijvende gedragscode. De EU-lidstaten zijn immers niet verplicht om een coëxistentiewetgeving op poten te zetten. Waar het niet gebeurt, genieten de telers meer vrijheid. Iedere maatregel die een wetgever oplegt, houdt immers per definitie een beperking in. Een regelgeving biedt ook meer rechtszekerheid, zowel voor telers van ggo’s als voor die van conventionele en biologische gewassen.

Welke weg heeft de wetgevende procedure in Vlaanderen reeds afgelegd?
In 2005 werd door de landbouwadministratie een eerste ontwerptekst geschreven. Dat is gebeurd in nauw overleg met vertegenwoordigers van de hele landbouwsector, ook die van de biologische sector. Na een reeks technische procedures hebben de meerderheidspartijen in 2006 uitgebreid de tijd genomen voor politieke discussies. Die hebben in maart 2007 geleid tot de eerste principiële goedkeuring van het voorontwerp van decreet door de Vlaamse regering. De tekst werd na consultatie van de adviesraden, de andere gewesten, de federale overheid, de Europese Commissie en de Raad van State meermaals bijgestuurd. Daarna volgde de definitieve goedkeuring door de regering eind 2008, zodat het ontwerp van decreet behandeld kon worden door het Vlaams parlement. De subcommissie Landbouw vond het opportuun om begin dit jaar hierover een hoorzitting te organiseren waarin wetenschappers, landbouworganisaties en milieuverenigingen aan het woord kwamen. Op basis van dat debat werden nog een drietal amendementen aangebracht. Woensdag wordt de hele procedure afgerond met de finale behandeling en stemming van het decreet in de plenaire vergadering.

Gelukkig moeten niet alle decreten een gelijkaardig parcours afleggen?
Het was een werk van lange adem, maar het gaat dan ook om gevoelige materie. De politieke partijen hebben tijd nodig gehad om het dossier te laten bezinken en ook het advies van de Europese Commissie moest verplicht ingeschakeld worden. Tussendoor hebben we flink doorgewerkt, want het is altijd de bedoeling geweest om de wetgeving klaar te hebben op het ogenblik dat de eerste transgene teelt effectief wordt ingezaaid in Vlaanderen.

Straks is het coëxistentiedecreet gestemd, maar het zullen pas de uitvoeringsbesluiten zijn die bepalen of het om een strenge of soepele wetgeving gaat?
Dat klopt, maar dat is ook de normale gang van zaken. Er staan ons dus nog wel wat verhitte discussies te wachten over bijvoorbeeld de isolatieafstanden. Anderzijds zijn de meerderheidspartijen bereid om zich voor de opmaak van de uitvoeringsbepalingen te baseren op wetenschappelijke bevindingen. Er bestaan over coëxistentie heel wat studies, al moet ik toegeven dat ze ruimte laten voor interpretatie.

In de landbouwpers is eerder al uitgelekt dat de isolatieafstand voor maïs 50 meter zou bedragen. Hoe moeten we dat cijfer interpreteren?
Dat cijfer werd vorig jaar al informeel doorgespeeld aan de stakeholders, maar het is nog niet definitief. Een wetenschappelijke werkgroep buigt zich nog altijd over dit onderwerp. Ook de afstanden voor bijvoorbeeld aardappelen, suikerbieten of koolzaad zijn vandaag nog stof voor studie en discussie.

In Wallonië is sprake van een isolatieafstand van zeshonderd meter voor maïs, en dan nog in combinatie met andere maatregelen zoals bufferzones?
Ten zuiden van de taalgrens heeft men dan ook geopteerd voor een heel strenge aanpak, die op de rand balanceert van hetgeen de Europese Commissie in haar richtsnoeren als disproportioneel bestempelt.

Met zijn lappendeken van kleine percelen is het toch niet evident om in Vlaanderen te werken met isolatieafstanden?
Voor de ene teelt is dat makkelijker dan voor andere. Maïspollen zijn relatief zwaar en de verspreiding door de wind beperkt zich doorgaans dan ook tot de eerste tientallen meters rond het veld. Het debat over koolzaad zal daarentegen veel complexer zijn. Als blijkt dat de coëxistentie voor dit gewas extreem moeilijk te regelen valt, zullen er misschien isolatieafstanden komen die de teelt van transgeen koolzaad in de praktijk onmogelijk maken. Er moet trouwens ook gepraat worden over de modaliteiten voor de reiniging van vrachtwagens die transgene gewassen vervoeren. Indien de wetgever na ieder transport een verplichte wasbeurt oplegt, zou dit ook een hele hoge drempel creëren voor de doorbraak van ggo-teelten in Vlaanderen. Maar dit zijn allemaal hypotheses, ik wil niet te veel vooruitlopen op de feiten.

In Europa wordt al jaren gepraat over tolerantiedrempels voor zaaizaad. Van zodra die er komen, dreigen ze de vastgelegde isolatieafstanden te ondergraven.
Indien uitgegaan wordt van zaaizaden met een ggo-onzuiverheid die hoger ligt dan de detectielimiet, dan blijft er inderdaad minder marge voor de ggo-vermenging op aangrenzende percelen om niet boven de tolerantiegrens van 0,9 procent voor landbouwgrondstoffen uit te komen. Het is niet ondenkbeeldig dat het dossier van het zaaizaad uiteindelijk tot een herziening van de isolatieafstanden zal leiden.

Kunnen boeren bezwaar indienen wanneer blijkt dat hun buurman een transgeen gewas wil inzaaien?
Wanneer een landbouwer een veld heeft dat geheel of gedeeltelijk binnen de vastgestelde isolatieafstand ligt, zal hij voorafgaand aan de zaai en binnen een nog vast te stellen termijn bezwaar kunnen indienen. De boer in kwestie zal dan wel moeten aantonen dat hij economische schade dreigt te lijden door de teeltplannen van zijn collega. Het bezwaar zal beoordeeld worden door een commissie van experts.

Hoe zit het met de schadeloosstelling in geval van besmetting?
Een ggo-teler zal niet individueel aansprakelijk gesteld worden voor een besmetting indien hij voldoet aan alle voorwaarden en eisen die het decreet oplegt. Dit gaat van de voorafgaande verplichte kennisgeving aan onder meer autoriteiten en naburige producenten binnen de vastgestelde meldingsafstand over het betalen van bijdragen aan het schadefonds tot het respecteren van de nodige technische maatregelen voor, tijdens en na de teelt. In dat geval zal het fonds de economische schade vergoeden. Als een boer tegen het advies van de commissie in toch een transgeen gewas teelt en schade veroorzaakt, kan door het slachtoffer een eis tot schadevergoeding aanhangig gemaakt worden bij de burgerlijke rechtbank aanhangig gemaakt worden.

Wie zal het compensatiefonds spijzen?
De ggo-telers zullen een verplichte bijdrage moeten betalen. Er zal nog een politieke evenwichtsoefening nodig zijn om de hoogte van dat bedrag vast te leggen. In Denemarken gaat het om 13,5 euro per hectare, terwijl de landbouwers in Wallonië tussen 20 en 200 euro per hectare moeten ophoesten, afhankelijk van de grootte en vorm van het perceel. Allicht zullen wij ergens tussen die twee uitersten landen. Daarnaast zullen ook de inkomsten uit administratieve boetes die het gevolg zijn van inbreuken op het coëxistentiedecreet naar het fonds vloeien.

Zal het fonds ook schade vergoeden indien percelen buiten de meldingsafstand besmet raken?
Dat is niet de bedoeling.

Kunnen particulieren bezwaar indienen tegen de inzaai van een ggo-gewas?
Die mogelijkheid is enkel weerhouden voor landbouwers. Wel zet de Vlaamse regering de deur op een kier voor andere betrokkenen die economische schade zouden kunnen lijden, zoals bijvoorbeeld imkers. Bij bepaalde teelten zou men ervoor kunnen opteren dat ggo-telers ook de imkers in kennis moeten stellen en dat die vervolgens dan ook het recht hebben om bezwaar in te dienen. Voor bijvoorbeeld koolzaad kan dat een interessante denkpiste zijn.

Zullen burgers zich kunnen informeren over de exacte locatie waar ggo-teelten werden ingezaaid?
Europa legt de verplichting op om een register bij te houden. Maar in Vlaanderen zullen die gegevens slechts publiekelijk gemaakt worden in de mate dat de wetgever dit verplicht. Dit principe zal in de uitvoeringsbesluiten verder uitgewerkt worden. Hierbij zal ook de nodige aandacht gaan naar de specifieke toegankelijkheid en opvraagbaarheid van gegevens door relevante instanties en organisaties.

Voorziet het coëxistentiedecreet de mogelijkheid om in Vlaanderen ggo-vrije zones te creëren?
Die aanvulling in het decreet is er gekomen na een gezamenlijk advies van Mina en Serv. Ze bepaalt dat de Vlaamse regering ggo-vrije zones kan reserveren op voorwaarde dat aan een aantal voorwaarden voldaan wordt. Ten eerste kan dit enkel gebeuren op vrijwillig en schriftelijk verzoek van alle landbouwers in een bepaald gebied. Zo’n aanvraag moet ook ingediend worden per individueel gewas. Ten tweede kan een zone alleen een ggo-vrije status verkrijgen voor gewassoorten waarvan effectief genetisch gemodificeerde variëteiten op de markt beschikbaar zijn. Op die manier proberen we misbruiken van de claim ‘ggo-vrij’ te voorkomen.

Wanneer treedt het Vlaamse coëxistentiedecreet met alles erop en eraan in voege?
Omdat de uitvoeringsbesluiten een technische procedure moeten doorlopen die meer dan een jaar duurt, verwacht ik dat de hele regelgeving ten vroegste in de tweede helft 2010 in werking zal treden, en dus operationeel zal zijn voor het teeltseizoen 2011.

Heeft u begrip voor de kritiek van de biologische landbouwsector op dit decreet?
Natuurlijk. Zij verdedigen met recht hun producten en basisfilosofie. Om een evenwichtige eindvisie te bekomen, werd de biologische sector van bij het prille begin betrokken bij de uitwerking van het decreet. Vanuit pragmatisch oogpunt hebben ze er ook aan meegewerkt, want zonder regels zou het risico op toevallige vermenging alleen maar groter zijn. Precies daarom begrijp ik niet waarom de biologische sector tijdens de recente hoorzitting in het Vlaams parlement aanstipte dat het ontwerpdecreet veel te vroeg komt. Uiteraard zijn er elementen die ze graag strenger zouden zien, maar hetgeen vandaag op tafel ligt is het resultaat van een complexe evenwichtsoefening waar vijf jaar aan gesleuteld werd. Het argument dat het decreet op geen enkele ervaring stoelt, klopt natuurlijk. Maar om die reden zijn dan ook periodieke evaluaties voorzien.

Zijn de coëxistentieregels in onze buurlanden strenger?
De verschillen tussen de lidstaten zijn vrij groot. De maatregel die dat het duidelijkst reflecteert, is de isolatieafstand. Voor maïs bedraagt die in Nederland 25 meter terwijl Luxemburg een norm van 600 meter hanteert. In alle bescheidenheid denk ik dat wij met ons decreet een evenwichtig voorstel hebben, dat zich situeert tussen de Europese uitersten. Met dien verstande dat de uitvoeringsbesluiten de wetgeving nog altijd in de ene of andere richting kunnen doen doorslaan.

Poll: Vindt u dat Vlaanderen moet opteren voor strenge of soepele regels in verband met de teelt van ggo’s?

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via