InterviewDirk Bergen - Departement Landbouw en Visserij
Europa moet fors investeren in kennis, innovatie en onderzoek om niet kopje onder te gaan in de wereldeconomie. Budget hiervoor kan losgeweekt worden uit de Europese landbouwbegroting. Althans, dat menen sommige opinie- en beleidsmakers. Maar is dat wel een goed idee? Beleidsadviseur Dirk Bergen van het Departement Landbouw en Visserij schreef een rapport over de zelfredzaamheid van de agrarische sector.
De Vlaams landbouwadministratie maakt niet vaak reflectiedocumenten met een filosofische inslag om een maatschappelijk debat op gang te trekken. Vanwaar het idee om zo’n rapport te maken over de zelfredzaamheid van de land- en tuinbouw?
Dirk Bergen: Als gevolg van de zware crisis wordt veel gepraat over de leefbaarheid en zelfredzaamheid van onze landbouwbedrijven. Bovendien komen die begrippen ook veelvuldig aan bod in de debatten over het Europees landbouwbeleid na 2013. Zullen de landbouwers van de toekomst zich op een minder beschermde markt kunnen handhaven? Om het debat rond deze cruciale vraag op de juiste sporen te houden, vonden we het in eerste instantie belangrijk om de termen ‘leefbaarheid’ en ‘zelfredzaamheid’ te verhelderen. Door diverse personen en instanties wordt de terminologie immers op een nogal uiteenlopende wijze gehanteerd.
Dat een landbouwbedrijf leefbaar moet zijn om te kunnen voortbestaan, lijkt evident. Maar dat is veel minder het geval voor de vraag of bedrijven ook zelfredzaam moeten zijn?
Dat klopt. Beide concepten zijn zo verschillend dat we er uiteindelijk aparte rapporten over gemaakt hebben. De analyse over de leefbaarheid van onze bedrijven is eerder beschrijvend en stoelt hoofdzakelijk op objectief verifieerbaar cijfermateriaal. Het andere rapport is een reflectiedocument geworden waarmee we de discussie willen voeden over de mate waarin landbouwbedrijven zelfredzaam moeten zijn. Zo’n reflectie is voor een stuk filosofisch, hetgeen per definitie tot standpunten leidt die men kan aanvechten. Maar dat is niet erg, integendeel. Hopelijk kunnen we op die manier wat zuurstof aanreiken voor het maatschappelijk debat.
Een eerste vaststelling is dat de Europese landbouwsteun zowel in binnen- als buitenland op heel wat tegenkanting botst. Is die er altijd geweest of is dat fenomeen pas de jongste jaren ontstaan?
Er is zeker een tijd geweest dat de Europese landbouwbegroting veel minder ter discussie stond. Pas een vijftiental jaren geleden is dit onderwerp een controversieel issue geworden. Niet toevallig zijn de Europese ministers van Financiën zich in die periode veel meer gaan bezighouden met het landbouwbudget, dat voordien een exclusieve bevoegdheid was van de landbouwministers. Maar er zijn nog andere factoren die de discussie gevoed hebben: bepaalde lidstaten hebben hun rekenmachientje opgediept om voortdurend te becijferen hoeveel Europa hen kost, de uitbreiding van de Europese Unie moest gefinancierd worden en tot slot hebben ook andere geïnteresseerde partijen hun oog laten vallen op het landbouwgeld.
Ook in de vraagstukken over internationale handel is het Europees landbouwbudget de voorbije jaren dikwijls een belangrijk struikelblok gebleken?
Het is niet onlogisch dat andere economische machtsblokken geïnteresseerd zijn in toegang tot een kapitaalkrachtig publiek van bijna vierhonderd miljoen consumenten. En allicht zijn ze ook een tikkeltje jaloers geweest op de manier waarop de Europeanen hun interne markt voor landbouwproducten georganiseerd hebben. Maar je kan er niet naast kijken dat een kentering is opgetreden: om zijn economische groei te waarborgen, lonkt Europa begerig naar afzetmarkten in derde landen voor haar diensten en industriële producten. Die ambities hebben echter een prijs, en die dreigen onze land- en tuinbouwers voor een belangrijk deel te moeten betalen.
Het blijft erg moeilijk om uit te leggen waarom de agrarische sector bijna de helft van het Europees budget nodig heeft. Het gaat per slot van rekening nog altijd om een slordige 55 miljard euro.
Begin jaren tachtig vloeide nog bijna 70 procent van het Europese budget naar landbouw. Vandaag gaat het nog om veertig procent en de verwachting is dat dit aandeel de komende jaren verder zal blijven dalen. Je mag niet vergeten dat het landbouwbeleid heel lang het enige echte Europees geïntegreerde beleid is geweest, en daarom was het ook logisch dat een belangrijk deel van de middelen daaraan besteed werd. Ook belangrijk om te onderstrepen, is dat men de jongste tien jaar met dat geld heel veel aangevangen heeft: het heeft voor een groot stuk de uitbreiding met de nieuwe lidstaten gefinancierd en bovendien moet ook het plattelandsbeleid ermee betaald worden. En daar stopt het niet, want Europa wil de komende jaren uitdagingen op het vlak van de watervoorziening, de klimaatverandering, de energiebevoorrading en de biodiversiteit aanpakken. Dan zal opnieuw beroep gedaan worden op het landbouwbudget.
In welke mate krijgt de landbouwsector eigenlijk meer steun dan de industrie?
Ik beschik niet over cijfergegevens, maar toch is het goed om deze vraag te stellen. Men vergeet wel eens dat ook industriële ondernemingen financiële steun ontvangen. Dan spreek ik niet zozeer over crisismaatregelen zoals recent voor de banken en de automobielindustrie, maar wel over fiscale stimuli. Misschien is een omschakeling naar meer fiscale steunregelingen voor de landbouw niet alleen een middel om op financieel vlak een minder omstreden positie te kunnen innemen in de maatschappij, maar is het ook een manier om het echte ondernemerschap beter te honoreren.
In dat geval moeten onze land- en tuinbouwbedrijven massaal omschakelen naar een vennootschapsvorm.
Dan zouden we inderdaad moeten afstappen van de forfaitaire inkomensbelasting. De omschakeling is aan de gang, maar het is een werk van lange adem.
In landbouwkringen worden de subsidies gerechtvaardigd door te verwijzen naar de specificiteit van de agrarische sector. Terecht?
De belangrijkste verschillen tussen de landbouw en de industriële sector zijn genoegzaam bekend: de boeren zijn gebonden aan het biologische karakter van het productieproces, ze moeten produceren in openlucht en ze zitten opgezadeld met beperkingen op het vlak van ruimtelijke ordening en schaaleconomie. Het groeiseizoen veroorzaakt bovendien een ongelijkmatige arbeidsbehoefte in de loop van het seizoen. Verder levert de landbouw producten die beantwoorden aan de primaire behoeften. Dit stelt bijzondere eisen aan de veiligheid van de producten en aan de kwaliteit en continuïteit van het productieproces. Bovendien worden landbouwproducten gekenmerkt door een lage prijselasticiteit van vraag en aanbod…
Zo’n lage prijselasticiteit doet zich voor in veel sectoren en leidt ook daar tot prijscycli en langdurige prijsdepressies. Denk maar aan de grillige conjunctuur waarmee de olie-, textiel- of staalindustrie te maken hebben.
Daar ben ik het mee eens. Alle individuele argumenten die aangehaald kunnen worden om het specifieke karakter van de landbouw te typeren, kunnen perfect gecounterd worden. Weersinvloeden kent men ook in de toeristische sector en ook in andere bedrijfstakken komen eenmansbedrijven voor. Voedsel is een primaire levensbehoefte, maar dat geldt ook voor wonen, kleding en dergelijke. En je kan argumenteren dat de laatste veertig jaar nauwelijks sprake geweest is van een geringe mobiliteit van productiefactoren in de Europese landbouw: er is een grote afvloeiing van arbeid geweest en een grote toevloed van kapitaal. Door de culturele emancipatie op het platteland is het tegenwoordig ook heel makkelijk geworden om buiten de landbouw een nevenberoep te vinden.
De landbouw is dus veel minder specifiek dan op het eerste gezicht lijkt…
Dat is een verkeerde conclusie. De landbouw is specifiek vanwege de combinatie en het samenspel van de hele reeks min of meer typerende factoren en eigenschappen. Algemeen overheerst in de landbouw toch de onzekerheid, zowel over de fysieke output als over het financiële resultaat. Daarnaast zijn de structuurparameters dikwijls van die aard dat het bijzonder moeilijk is om de productiefactoren zo efficiënt mogelijk in te zetten. Specifiek voor de Europese landbouw is zeker ook de dualiteit tussen enerzijds de idyllische hunkering naar een landbouw dichtbij de natuur en anderzijds de economische realiteit.
Welke gevolgen zou een eventuele afschaffing van de rechtstreekse inkomenssteun voor de Vlaamse boeren en tuinders hebben?
Uit een recente studie van de landbouwadministratie blijkt dat door een eliminatie van de bedrijfstoeslagen het aandeel van ‘slecht leefbare’ melkveebedrijven stijgt van 13 naar 32 procent. Dat zijn bedrijven die slechter scoren dan het gewogen gemiddeld minimuminkomen. Tegelijk halveert het aandeel van de melkveebedrijven die beter doen dan het vergelijkbaar arbeidsinkomen, van 46 naar 23 procent. Bedrijven met vleesvee of een combinatie van vleesvee en akkerbouw zouden door een afschaffing van de inkomenssteun nog veel zwaardere klappen incasseren. Anderzijds hebben we ook sectoren zoals de varkenshouderij en de tuinbouw die weinig of geen steun ontvangen. Hoopgevend is dat er in alle landbouwsectoren bedrijven te vinden zijn die zo rendabel boeren dat ze ook zelfredzaam zouden blijven indien de bedrijfstoeslagen wegvallen. Voor het merendeel van de bedrijven is dat echter niet het geval.
Het is een publiek geheim dat er op het vlak van rendement hemelsgrote verschillen bestaan tussen gelijkaardige landbouwbedrijven. Vindt u het maatschappelijk aanvaardbaar dat minder goede bedrijven toch steun blijven genieten?
Die vraag is niet zo makkelijk te beantwoorden. Vanuit puur economisch oogpunt lijkt het nonsens om verlieslatende activiteiten te subsidiëren. Dat is ook de reden waarom niet alle landbouwbedrijven met kans op succes een aanvraag kunnen indienen voor het bekomen van investeringssteun. Daarvoor moet je inkomen minstens twee derde bedragen van het gewestelijk vergelijkbaar inkomen. Bij de verdeling van rechtstreekse inkomenssteun moet je die rigoureuze criteria op het vlak van bedrijfsrendement echter laten varen.
Waarom?
De objectieven die destijds bij de totstandkoming van het Europese landbouwbeleid geformuleerd werden in het Verdrag van Rome zijn niet alleen van economische aard. Er moest voldoende voedsel geproduceerd worden, tegen een aanvaardbare prijs voor de consumenten en op een manier dat boeren er een redelijk inkomen kunnen uit puren. Het landbouwbeleid moet ook bijdragen aan een leefbaar platteland. Door middel van het landbouwbeleid worden dus een reeks bijkomende doelstellingen gerealiseerd. Dat zie je ook al aan het feit dat aan de bedrijfstoeslagen ondertussen ook een reeks randvoorwaarden gekoppeld zijn, die betrekking hebben op milieuzorg, dierenwelzijn en dergelijke. Boeren moeten aan nogal wat wettelijke verplichtingen voldoen in ruil voor de inkomenssteun.
Land- en tuinbouwers worden in toenemende mate dienstenleveranciers. En ook daarvoor kunnen ze rekenen op behoorlijk wat overheidssteun. Hoe beoordeelt u dat?
Het is belangrijk een onderscheid te maken tussen private en publieke diensten. Voorbeelden van private diensten zijn hoevetoerisme, landbouweducatie of bijvoorbeeld het aanbieden van een overdekte staanplaats voor caravans. Dergelijke activiteiten zijn enkel zinvol als er een markt voor bestaat. Als dat niet het geval is, moet de aanbieder van dergelijke diensten maar de juiste conclusie trekken. De overheid kan een innovatief idee een duwtje in de rug geven tijdens de opstartfase, maar voor de rest is financiële steun niet aan de orde.
Maar de landbouwers leveren ook steeds meer publieke diensten…
Dat klopt, en die kunnen opgedeeld worden in drie soorten. Ten eerste zijn er de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de bedrijfstoeslagen. Landbouwers worden niet rechtstreeks vergoed voor het naleven van die productie-eisen. Integendeel, niet-naleving kan leiden tot een korting op de voorziene steun. Daarnaast kunnen boeren ervoor kiezen om facultatieve diensten te leveren. Denk hierbij aan de beheerovereenkomsten, waarbij de overheid een vergoeding voorziet voor geleverde prestaties. Voor een aantal van deze diensten is het niet altijd duidelijk of er een marktprijs voor bestaat en in welke mate de overheid de volledige kost voor zijn rekening moet nemen. Tot slot zijn er diensten die gewoon het resultaat zijn van de landbouwactiviteiten op het platteland. Boeren houden de open ruimte in stand en zorgen ervoor dat er koeien in de weiden staan. Hiervoor wordt tot hiertoe geen rechtstreekse vergoeding voorzien, maar in Nederland heeft men intussen geleerd dat dergelijke thema’s voor bijzonder veel maatschappelijke commotie kunnen zorgen.
In uw rapport pleit u ervoor om niet systematisch het woord ‘steun’ te gebruiken?
Als boeren een betaling ontvangen voor prestaties die geleverd werden, is het niet correct om over ‘steun’ te spreken. De levering van maatschappelijk gewenste goederen en diensten past binnen een strategie van inkomensverwerving. Dat is iets anders dan het verkrijgen van inkomenssteun. We moeten onze landbouwers niet verkeerdelijk opzadelen met het imago van steuntrekkers.
Sommige beheerovereenkomsten dragen bij tot de bewaking van de basismilieukwaliteit. Vindt u het vanzelfsprekend dat landbouwers ook hiervoor een vergoeding krijgen?
Dat is een moeilijke discussie. Wat mogen we wel en niet als vanzelfsprekend beschouwen bij een agrarische bedrijfsvoering? Eén ding is zeker: de Vlaamse landbouwsector moet zich niet schamen voor haar milieuprestaties van de voorbije jaren. Vroeger hadden de mensen nog een idyllisch beeld van de landbouw, maar echt duurzaam ging die niet te werk. Met vallen en opstaan zijn de boeren en tuinders zich steeds bewuster gaan opstellen ten aanzien van het leefmilieu, en de lat wordt altijd wat hoger gelegd. Zo komt ook de landbouw stilaan bij het punt dat milieuzorg een evidente voorwaarde is om nog te mogen produceren.
De jongste jaren is de zelfredzaamheid van de agrarische sector door de liberalisering van landbouwmarkten en de ontkoppeling van de steun al een stuk verhoogd. Die trend zal zich in de toekomst allicht doorzetten?
Ik beschik niet over een glazen bol. Tot vóór de economische crisis leefde de indruk dat overheden zich liever wat meer uit het dagdagelijkse beheer van de economie wilden terugtrekken. Hoewel de ervaring van het voorbije jaar geleerd heeft dat dergelijke trends zich verrassend snel kunnen keren, denk ik persoonlijk dat de Europese boeren in de toekomst zullen geconfronteerd worden met een nog vrijere marktomgeving. Dit proces zal zich geleidelijk moeten voltrekken en met voldoende aandacht voor sociale complicaties. Er moeten dus voldoende vangnetten voorzien worden voor de landbouwers.
Moet het de bedoeling zijn dat de landbouw ooit volledig zelfredzaam wordt?
Ik denk het niet. De overheid heeft een historische verantwoordelijkheid voor de landbouw zoals we die nu kennen, en die het gevolg is van de beleidsinstrumenten die tot hiertoe ingezet werden. Daarnaast is continuïteit van strategisch belang voor de voedselvoorziening en voor het behoud van ons landschap. Ook het argument dat boeren moeten gecompenseerd worden voor de strenge productie-eisen lijkt me valabel. Niet alleen omdat hun concurrentiepositie gevrijwaard moet blijven, maar ook omdat landbouwers niet rechtstreeks betaalde of betaalbare goederen en diensten leveren die gewaardeerd worden: mensen genieten graag van het landschap en stellen de rust op het platteland erg op prijs.
Maar vanuit economisch en maatschappelijk oogpunt lijkt het gezond dat de landbouw streeft naar meer zelfredzaamheid. Akkoord?
Sommige landbouwsectoren en –bedrijven hebben meer potentieel dan andere om een stevige stap in deze richting te zetten.
In Nederland gaat men ervan uit dat de liberalisering van markten automatisch voor een hogere zelfredzaamheid zorgt. Die cultuur kennen we in Vlaanderen niet?
Kijk maar eens hoe hard de crisis momenteel toeslaat in de Nederlandse glastuinbouw. Ik denk dat het redelijk wijs is met de nodige bedachtzaamheid te evolueren richting meer zelfredzaamheid. Op die manier stellen we ons veel minder kwetsbaar op voor de gevaren die verbonden zijn aan marktderegulering.
Meer informatie: Discussiedocument 'Zelfredzaamheid in de landbouw. Voer voor discussie'
bron eigen verslaggeving
zoek in het archief van "Duiding"
gerelateerde nieuwsberichten
- 11/04/2011 VS overwegen landbouwsubsidies terug te schroeven
- 06/01/2011 Frankrijk snoeit in belastingvoordeel biolandbouw
- 12/11/2010 Subsidies voor zonnepanelen worden versneld afgebouwd
- 02/11/2010 Aandacht voor randvoorwaarden om premies te vrijwaren
- 18/10/2010 Milieubewegingen moeten fors besparen
- 30/09/2010 Stijging agromilieusteun ondanks dalend areaal
- 22/09/2010 Veehouders met kwaliteitslabel kunnen steun aanvragen
- 04/05/2010 Suikerfabrieken ontvangen meeste landbouwsubsidies
- 28/04/2010 Oostendse vismijn moet onrechtmatige steun terugbetalen
- 16/04/2010 "Zonder katoensubsidies VS ligt wereldprijs 3,5% hoger"

T +32 (0)2 552 81 91 F +32 (0)2 552 81 93