nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Welke keuzes maakt Vlaanderen binnen de Europese krijtlijnen?
10.02.2014  Europees landbouwbeleid richting 2020

In 2013 is de hervorming van het Europees landbouwbeleid goedgekeurd. Vlaanderen kan eigen accenten leggen bij de invulling van het kader dat is uitgezet. Tijdens de landbouwstudiedag van de Universiteit Gent, een organisatie van de vakgroep Landbouweconomie in samenwerking met een stuurgroep van landbouwexperts, werden die Vlaamse keuzes onder de loep genomen. Stilaan wordt de impact van de hervorming duidelijk, ook al dient de Europese Commissie nog een aantal details vast te leggen. Gelet op de krappe timing wacht Vlaanderen daar niet op. Als één van de eersten heeft zij een programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling klaar. Voor de jaarwisseling stippelde minister-president Kris Peeters het pad uit voor de hervorming van de directe steun aan landbouw. Leidraad was een voor boeren en tuinders haalbare hervorming.

Bij de hervorming van het Europees landbouwbeleid waren de uitdagingen talrijk en was de budgettaire context moeilijk. Een politiek akkoord tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie liet daardoor op zich wachten tot afgelopen zomer. Het wetgevend werk kon onmogelijk afgerond worden voor 2014 zodat Europa de hervorming een jaar voor zich uit schoof. Niettemin een “historische” hervorming, vindt Sophie Dewispelaere van het directoraat-generaal Landbouw & Plattelandsontwikkeling bij de Europese Commissie. Drie accenten werden gelegd: competitiviteit, duurzaamheid en doeltreffendheid. Ieder jaar zal Europa ongeveer 58 miljard euro uittrekken om die drie doelstellingen via het vernieuwde GLB te realiseren.

Dewispelaere merkt op dat landbouw budgettair aardig de dans is ontsprongen, vergeleken met de neerwaartse bijstelling van de totale EU-begroting. “Het relatieve aandeel van landbouw in het EU-budget is in vergelijking met het oorspronkelijke voorstel zelfs lichtjes gestegen naar 37,8 procent.” Tot vreugde van de één en frustratie van de ander is het Europees landbouwbeleid door de jongste hervorming een stukje geregionaliseerd. “In een Unie met 28 lidstaten is het logisch dat landen eigen accenten mogen leggen, maar we waken wel over het gelijke speelveld in de EU”, zegt Dewispelaere. België is binnen de groep van 28 lidstaten een speciaal geval want Vlaanderen en Wallonië geven elk een eigen invulling aan het Europese beleidskader.

Haalbare hervorming. “Sindsdien is een haalbare landbouwhervorming, aangepast aan de mogelijkheden van de sector, de eerste doelstelling van het Vlaams beleid”, vertelt Joris Relaes, kabinetschef Landbouw van de minister-president. Dat vertaalde zich onder meer in de keuze voor het zogenaamde Ierse model. De waarden van de hoogste en laagste betalingsrechten zullen daardoor korter bij elkaar liggen dan vandaag het geval is bij de toeslagrechten. Die laatste variëren in waarde van 100 euro tot enkele duizenden euro’s voor de rechten waarin de ontkoppelde slachtpremie kalveren vervat zit. Binnen zes jaar landen we niet op betalingsrechten met een gelijke waarde. Een Vlaamse boer ziet maximaal 30 procent van zijn inkomenssteun door de interne convergentie verdampen. Onder meer in Nederland kan de schade door de keuze voor de zogenaamde ‘flat rate’ veel hoger oplopen. Het schokeffect is in Vlaanderen kleiner. De continuïteit van bedrijven komt dus minder in het gedrang.

kalf2_MarcBostyn.gifWim Haentjens van het Departement Landbouw en Visserij licht het nieuwe Vlaamse systeem van directe steun verder toe. “De betaling zal uit meerdere lagen bestaan, met naast de basisbetaling ook een premie voor vergroening en voor sommigen de extra premie voor jonge landbouwers. Een herverdelende betaling (een toeslag op de eerste, maximaal 30, hectaren) komt er niet vanwege de bijkomende maar niet altijd gewenste verschuivingen in directe steun tussen landbouwers. De maatregel is meer op maat van bijvoorbeeld Frankrijk en Wallonië, waar je te maken hebt met veelal grote akkerbouwbedrijven en vaak kleine veebedrijven zodat er wel iets te zeggen valt voor een transfer. Ook het vereenvoudigd systeem voor kleine landbouwers is eerder voor een land als Polen bedoeld zodat men daar niet verzuipt in de administratie voor anderhalf miljoen - meestal kleine - boeren.” Haentjes geeft nog mee dat een deel van de directe steun gekoppeld blijft: 10 procent voor de vleesveehouderij via een zoogkoeienpremie en één procent van de enveloppe voor de kalverhouderij, waar een gekoppelde premie dus terugkeert.

Nieuwe betalingsrechten. Door de lang aanslepende onderhandelingen op Europees niveau rest de lidstaten niet veel tijd meer om de hervorming te implementeren. Bij het begin van de zomer zou Europa het wetgevend werk, ook wat de details betreft, afgerond moeten hebben. De tijdsnood indachtig werden de krachtlijnen van de Vlaamse invulling van het GLB op politiek niveau voor Nieuwjaar vastgelegd in een conceptnota. Met de toekenning van nieuwe betalingsrechten kan pas eind dit jaar gestart worden. Niet veel later moet ook de verzamelaanvraag bijgespijkerd zijn. Het aantal nieuwe betalingsrechten (+- 645.000) zal dichter aanleunen bij het aantal hectare landbouwgrond in Vlaanderen dan het aantal toeslagrechten (+- 480.000) dat in het verleden deed.

Om te vermijden dat landbouwers massaal op ‘grondenjacht’ gaan, werd de referentie voor het aantal nieuwe betalingsrechten in het verleden gelegd. Een begunstigde krijgt evenveel rechten als het laagste aantal hectare dat hij bewerkt(e) in 2013 of in 2015. Alleen wie meer dan twee hectare grond bewerkt, krijgt betalingsrechten toebedeeld. Bovendien moet hij of zij ‘actief landbouwer’ zijn. Actief landbouwer is iedereen die niet op de negatieve lijst voorkomt die de EU vaststelde. Water- en spoorwegmaatschappijen, vastgoedmakelaars en sport- en recreatieterreinen worden bijvoorbeeld uitgesloten. Het begrip ‘actieve boer’ nog restrictiever afbakenen, waar de lidstaten de vrijheid toe hebben, bleek juridisch niet evident zodat Vlaanderen geen kansen ziet om langs deze weg pensioenboeren buiten spel te zetten.

“We hebben ervoor gekozen om de directe steun af te toppen op 150.000 euro”, vervolgt Joris Relaes. Het aantal bedrijven in onze regio dat vandaag meer inkomensondersteuning ontvangt, is op één hand te tellen. Belangrijker is dat Vlaanderen voluit de kaart trekt van de jongerentoeslag. Jonge landbouwers (<41 jaar) zullen gedurende vijf jaar een toeslag van naar schatting 80 euro per hectare ontvangen.

Landbouwsubsidies krijgen groen tintje. Over de vergroening is al veel gezegd en geschreven, maar misschien wist je nog niet dat voor bepaalde gespecialiseerde bedrijven en bedrijven met veel blijvend grasland vrijstellingen mogelijk zijn op de verplichte gewasdiversificatie. Later dit jaar worden de details gecommuniceerd. De verplichting om permanent grasland te behouden, zal op bedrijf- en niet op perceelsniveau gehandhaafd worden. De milieugevoelige blijvende graslanden worden aangeduid tijdens het Natura 2000-proces zodat er uitzonderlijk op perceelniveau toch een scheurverbod zal gelden. Wie meer dan 15 hectare akkerland heeft, moet vijf procent daarvan inrichten als ecologisch focusgebied, tot zover niks nieuw. En we weten vooralsnog niet hoe ruim of strikt (b.v. groenbedekker meetellen of niet) Europa de invulling van het ecologisch focusgebied ziet.

ganzen2_JaklienVandorpe.gifBioboeren zijn vanwege hun ‘groene’ bedrijfsvoering vrijgesteld van de maatregelen gewasdiversificatie, blijvend grasland en ecologisch focusgebied. Zij ontvangen de premie voor vergroening sowieso. Andere boeren die zich het keurslijf van drie maatregelen liever niet laten aanmeten, kunnen hun toevlucht zoeken tot de zogenaamde ‘equivalente maatregelen’. Let wel, wie hoopt om op die manier met een minimale inspanning de premie op te strijken, dreigt van een kale reis thuis te komen. “Noem het gerust de ‘vergroening+’. De Europese Commissie moet dit onderdeel nog concretiseren, maar je moet bijvoorbeeld aan een milieucertificaat denken”, zegt Haentjes. De expert in pijler I van het GLB zette nog in verf dat iedere begunstigde die de basisbetaling ontvangt, verplicht is om mee te doen aan de vergroening. “Anders verlies je als landbouwer niet alleen de premie voor vergroening (30%), maar wordt er ook een korting ingehouden op de basisbetaling.”

Boer zkt opvolger. De kritische noot op de Landbouwstudiedag werd verzorgd door landbouweconoom Jeroen Buysse (UGent). Hij gooide de vraag in het publiek of directe inkomenssteun al dan niet bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen. En hij formuleerde er zelf een met onderzoek onderbouwd antwoord op. Meer dan twee grafieken had Buysse niet nodig om duidelijk te maken dat de Europese landbouwpopulatie in snel tempo vergrijst. Een probleem? Toch wel, want in vergelijking met zijn jonge collega realiseert een oude boer minder toegevoegde waarde op een hectare grond.

“Logischerwijs zou je verwachten dat directe steun het aantal nieuwkomers in de landbouwsector doet stijgen en het aantal stoppers doet dalen”, zegt professor Buysse. Het beleidskader is in iedere lidstaat evenwel anders. Daarom maakte de vakgroep Landbouweconomie van de UGent een analyse van de verschillen. Blijkt dat het regionale beleidskader bepaalt of directe steun een hefboom is die in het voor- dan wel nadeel van generatieverjonging werkt. In Griekenland, Italië, Portugal en Spanje zet directe steun oudere boeren meer aan om in de sector actief te blijven dan dat het jongeren weet aan te trekken. “Als we willen dat deze vorm van steun bijdraagt aan de competitiviteit, dan moeten we een beleid creëren zoals in Zweden, Finland, Frankrijk en Duitsland”, besluit de landbouweconoom. Voor een antwoord op de vergrijzing moet dus niet naar Europa maar naar de lidstaten gekeken worden, die onder meer via fiscale maatregelen oudere landbouwers kunnen stimuleren om uit de sector te stappen en productiemiddelen over te dragen aan hun jonge collega’s.

Vergroening laat steken vallen. Hoewel doeltreffendheid – elke euro zo zinvol mogelijk gebruiken – één van de doelstellingen van de jongste landbouwhervorming is, staat het onderhandelde compromis bol van de inefficiënties. Professor Buysse weet dat treffend te illustreren met enkele voorbeelden. “Neem nu een landbouwer die het einde van zijn carrière ziet naderen. Geconfronteerd met het verplicht behoud van blijvend grasland heeft hij er alle baat bij om dat grasland te scheuren op de percelen die hij in eigendom heeft en aan te leggen op pachtgronden. De nieuwe gebruiker van die laatste percelen, neemt automatisch dat blijvend grasland met bijbehorende verplichtingen over. Dat is niet correct als je het mij vraagt, en bij een verkoop van die pachtgronden kan je je zelfs afvragen of daar geen juridische bezwaren aan vastkleven.”

akkerrand2.jpgAan de hand van een grafiek die de marginale kosten van de aanleg van ecologisch focusgebied weerspiegelt, waarschuwt Buysse voor de onvoorziene effecten van deze vergroeningsmaatregel. “De EU kan voor een soepele dan wel strikte invulling van het focusgebied kiezen. In het eerste scenario legt elke landbouwer vijf procent focusgebied aan, maar is de winst voor de natuur mager. In het andere scenario zullen landbouwers zo creatief zijn om de verplichting over te dragen aan collega’s die focusgebied het goedkoopst kunnen aanleggen. Door het ongeorganiseerd karakter van deze handel zullen de transactiekosten hoog zijn.”

Buysse voelt intuïtief aan dat de vergroening zoals Europa ze nu uitgetekend heeft, contraproductief kan werken. “Landbouwers zullen niet geneigd zijn om uit eigen beweging nog inspanningen voor de natuur te doen uit vrees dat dat de nieuwe referentie voor toekomstig beleid wordt.” Volgens de landbouweconoom moet het beleid dichter bij de doelstellingen staan. Hoe? Door in pijler I van het GLB naar het voorbeeld van pijler II (plattelandsbeleid) premies te geven in functie van de doelstellingen. Wil je grasland behouden? Geef dan een premie per hectare grasland. Wil je meer natuurlijk ingerichte akkerranden? Geef dan een premie per hectare ecologisch focusgebied in plaats van vijf procent als grens te nemen en te bestraffen wie eronder zit en wie meer doet dan gevraagd niet te belonen.

Door te morrelen aan bestaand beleid in plaats van te opteren voor een grondige koerswijziging zijn er inefficiënties in geslopen. Voor professor Buysse is dat voldoende reden om deze hervorming niet ‘historisch’ te noemen. Kabinetschef Joris Relaes voegt daar nog enkele bedenkingen aan toe: “De manier waarop vergroening wordt aangepakt, is niet van die aard dat het landbouwers sterk zal motiveren. Zij zullen het minimum doen om aan de regels te voldoen en premieverlies te vermijden. Een vergroening met een meer stimulerend dan bestraffend karakter zou meer kunnen opgeleverd hebben.”

Inkomenssteun aan landbouw versus plattelandsmaatregelen. De directe steun uit pijler I noemt Relaes “politiek het moeilijkst te verantwoorden”. Toen de varkenssector in crisis verkeerde, ging de inkomenssteun naar de akkerbouw die op dat ogenblik van goede prijzen genoot. Melkveehouders kregen in 2012 en 2013 evenveel directe steun, hoewel er die jaren een wereld van verschil was tussen de melkprijzen. De kabinetschef besluit daaruit dat met pijler II een moderner beleid mogelijk is, dat beter afgestemd kan worden op de noden van de sector. Mede daarom maakt Vlaanderen van deze hervormingsronde gebruik om tien procent van het budget voor directe steun (120 miljoen euro) over te hevelen naar – sterk op de landbouwers gerichte ondersteuning – in pijler II. “Directe steun blijft uiteraard voor sommige subsectoren een belangrijk deel van het inkomen uitmaken”, zegt Relaes, die beseft dat land- en tuinbouw te bruuske veranderingen in het beleid moeilijk verteert.

opvolging.generatiewissel.kind.jongelandbouwer.2_kathleenvandijck.jpgMeer dan ‘pijler II’ zal ‘VLIF’ een belletje doen rinkelen bij landbouwers. Voor de periode na 2014 worden de middelen van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds fors opgetrokken. “Die steun zal doelgerichter toegekend worden, dus meer gericht op duurzaamheid, milieu, dierenwelzijn, enz. Voor een simpele machineloods voorzien we geen investeringssteun meer”, vertelt Relaes. De steun gaat preferentieel naar de meest duurzame investeringen. Een nieuwigheid in PDPO III is dat ‘echte’ pioniers niet meer uit de boot zullen vallen. Het VLIF zal zoals vanouds werken met een lijst van investeringen die hun waarde bewezen hebben. Innovaties die (nog) niet op de lijst staan, komen in aanmerking voor projectsteun. Goede ideeën die het oordeel van de jury doorstaan, kunnen zo doorstromen naar de praktijk. Verder onthouden we van de uiteenzetting van Patricia De Clercq van het Departement Landbouw en Visserij dat de overnamesteun aan jonge landbouwers wordt voortgezet met het oog op generatieverjonging. Bovendien broedt de overheid nog op startersteun voor mensen zonder achtergrond in de sector.

Aan het eind van de studiedag werd kritisch gekeken naar de resultaten en de toekomstplannen van het plattelandsbeleid. “Het merendeel van de investeringssteun had een positieve impact op de competitiviteit van de landbouw”, weet Rein Dessers van IDEA Consult, het studiebureau dat samen met Antea Group en UGent de tussentijdse evaluatie van PDPO II uitvoerde. Landbouwers die met VLIF-steun investeerden in diversificatie (b.v. hoeveverkoop) realiseerden met elke euro steun twee euro omzetstijging. Anders verging het de landbouwers die – al dan niet verplicht – investeerden in betere milieuprestaties van hun bedrijf. Dat had door de kostenstijging een negatief effect op de rendabiliteit.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Steff Noppen / Marc Bostyn / Jaklien Vandorpe / Kathleen Vandijck / VILT

Volg VILT ook via