nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 


10.11.2007  "Geen toekomst zonder glastuinbouwzones"

Om de glastuinbouw te moderniseren, zou jaarlijks 100 hectare serres moeten vernieuwd worden. Ondanks de investeringsdrang bij veel tuinders is dat streefdoel nog altijd pure fictie. Zorgt het concept van de ‘duurzame glastuinbouwzones’ voor de kentering? "Als het niet lukt om dergelijke gebieden te ontwikkelen, is Vlaanderen zijn glastuinbouw op termijn kwijt", waarschuwt consulent Marc Moons.

Over het economisch belang van de glastuinbouw bestaat weinig discussie. De primaire productiewaarde onder glas wordt geraamd op 650 miljoen euro, wat goed is voor een aandeel van vijftien procent in de totale land- en tuinbouwsector. Op een areaal van 2.158 hectare zorgen de serrebedrijven voor een rechtstreekse tewerkstelling van 8.000 à 9.000 voltijdse arbeidskrachten. Vlaanderen is op mondiale schaal de vierde grootste exporteur van aardbeien, voor sla en tomaten staat ons gewest respectievelijk op de zesde en zevende plaats van de wereldranglijst. Uit een enquête die de landbouwadministratie vorig jaar heeft afgenomen onder de glastuinders blijkt evenwel dat er redenen tot ongerustheid zijn: op slechts 18 procent van de bedrijven met een zaakvoerder die ouder is dan vijftig jaar blijkt de opvolging verzekerd, en driekwart van de glasopstand is ouder dan tien jaar.

“Aan plannen voor de bouw van nieuwe serres ontbreekt het nochtans niet”, zegt Marc Moons, die daarbij verwijst naar een bevraging die een vijftal jaren geleden georganiseerd werd in de Noorderkempen. “In totaal wilden de ondervraagde tuinders hun areaal uitbreiden met honderd hectare, maar daarvan is tot op heden hooguit vijftien procent gerealiseerd. Alle andere projecten zijn afgeketst op vergunningsdossiers”. Nochtans kunnen glastuinders in principe overal in agrarisch gebied terecht voor de bouw van nieuwe kassen. Is er dan sprake van kwade wil bij de ambtenaren op het departement Ruimtelijke Ordening? Minister Peeters wil collega Van Mechelen niet voor het hoofd stoten: “De noodzakelijke schaalvergroting in de glastuinbouwsector bemoeilijkt de dossiers. Niemand kan ontkennen dat een glastuinbouwbedrijf van pakweg acht hectare wel degelijk een visuele impact heeft voor de omgeving. En het klopt dat de overheid wel eens terughoudend optreedt, maar er moet ook een draagvlak bestaan bij de lokale bevolking. Om potentiële investeerders enig houvast te geven bij hun aanvragen voor een stedenbouwkundige vergunning bestaat al enkele jaren een toetsingskader dat aangeeft wat kan en niet kan. De tijd dat glastuinders grond kopen en er automatisch van kunnen uitgaan dat de nodige vergunningen zullen volgen, is niet meer zo evident als tien jaar geleden”.

Van slooppremies tot glastuinbouwzones. De voorbije jaren werden diverse maatregelen genomen die de vernieuwing van de glasopstand moeten stimuleren. Zo gebeurt de adviesverlening met het oog op stedenbouwkundige vergunningen niet langer door de milieuadministratie, maar wel door landbouwambtenaren. “Daardoor is er een wat minder eenzijdige focus op het belang van de open ruimte”, legt Peeters uit. Daarnaast is er ook investeringssteun beschikbaar voor de afbraak van oude serres en er werd een verlaging doorgevoerd van de aansluitingskosten voor aardgas. In een aantal gemeenten werden bovendien macrozones afgebakend waar glastuinbouwbedrijven welkom zijn en de Vlaamse Landmaatschappij trok enkele jaren geleden op vraag van de landbouwadministratie al op zoek naar geschikte locaties om er glastuinbouwzones te ontwikkelen. De idee om serres te clusteren is al minstens tien jaar oud, want het staat zwart op wit neergeschreven in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Waarom is er zoveel tijd verloren gegaan? Peeters: “De tuinders hebben lange tijd zelf weigerachtig gestaan tegenover dit concept. Ze hadden schrik dat hierdoor de uitbreidingskansen van de bestaande bedrijven in het gedrang zouden komen. Ook de hogere grondprijzen in een specifieke glastuinbouwzone zorgden voor drempelvrees. En dus vroegen de ruimteplanners van de Vlaamse overheid zich af of er wel voldoende investeerders zouden opduiken na de planologische inkleuring van dergelijke gebieden”. Die patstelling werd pas recent doorbroken nadat de glastuinders aan den lijve ondervonden hebben dat de inplanting van de steeds groter wordende serres voor steeds meer administratieve last en onzekerheid zorgt. Volgens Peeters is de sector nu zelfs enthousiast om mee te werken aan de uitbouw van glastuinbouwzones.

De minister wil het ijzer smeden terwijl het heet is. Eind september installeerde hij een klankbordgroep die zich moet buigen over de eerste pilootprojecten voor glastuinbouwzones. Dreigen dergelijke initiatieven van minimaal dertig hectare het familiaal karakter van de sector niet te industrialiseren? “Eyecatcher van deze projecten wordt hun duurzaam karakter”, benadrukt Peeters. “In het sterk geïndustrialiseerde Vlaanderen dienen zich kansen aan om de bedrijventerreinen te lokaliseren op plaatsen waar restwarmte en CO2 ter beschikking staan. Milieukundig is dat een schot in de roos, en op het vlak van ruimtelijke ordening is het een verdedigbaar scenario omdat op deze manier een geleidelijke overgang gemaakt wordt van industriegebieden naar agrarische bedrijvenzones, vooraleer terecht te komen in het open agrarisch gebied”. Tegen volgend jaar moeten drie projecten in de steigers staan.

Industrie als bondgenoot. Consulent Marc Moons denkt niet dat hij voor een onmogelijke opgave staat. “In een glastuinbouwzone is de grondprijs een veelvoud van de gangbare tarieven, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de lagere kosten voor de nieuwbouw en de energiekost die minstens gehalveerd kan worden. Op de koop toe genieten geclusterde serres maximale bedrijfszekerheid”, luidt het. Op een bedrijventerrein kunnen glastuinders samenwerken op het vlak van logistiek, transport, commercialisering en energie. Een belangrijke factor is ook het gezamenlijke waterbeheer. “De komende jaren gaan individuele bedrijven het steeds moeilijker hebben om vergunningen te verkrijgen als gevolg van de waterproblematiek, terwijl je in glastuinbouwzones serres zelfs kan aansluiten op het rioleringsnet”. Hoe zit het trouwens met de woningen die bij de serres moeten gebouwd worden? “De klankbordgroep wil bekijken of ook de woonfunctie kan geclusterd worden, ergens in de nabijheid van de glastuinbouwzones. Twee à drie jaar geleden stuitte zo’n voorstel nog op felle tegenkanting bij de tuinders, maar de geesten zijn intussen gerijpt”, weet Moons.

Het project in Oudenburg, nabij Oostende, is het verst gevorderd. De haalbaarheidsstudie voor de inplanting van een agrarisch bedrijventerrein van 140 hectare in de buurt van de plaatselijke industriezone is bijna afgerond. De mogelijkheid bestaat om er 40 à 50 hectare glasopstand neer te poten, waar zo’n 225 arbeidskrachten tewerkgesteld kunnen worden. De site is verkeerkundig goed ontsloten, werd herbevestigd als agrarisch gebied en er zijn in de directe omgeving weinig of geen fysieke obstakels voor de toelevering van de industriële restwarmte. Van actiecomités is geen sprake en de industrie is zelfs ronduit vragende partij omdat de milieuvergunning van de bedrijven de alternatieve benutting van overtollige warmte vereist. De glastuinbouwzone in Oudenburg kan jaarlijks 15 miljoen kubieke meter gas of 13,5 miljoen liter stookolie uitsparen en voor een CO2-reductie zorgen tot 63.000 ton. Ter vergelijking: de CO2-emissie van een gemiddeld gezin bedraagt negen ton.

Energiepositief! Moons weet dat een milieuvriendelijke aanpak geen overbodige luxe is: “In Engeland bestaat nu al de verplichting om de CO2-emissie te vermelden op de verpakking van voedingsproducten. In Nederland overweegt men hetzelfde te doen voor tuinbouwproducten, en dus komt het er bij ons vroeg of laat ook wel van. De bedrijven die zich zullen vestigen in Oudenburg moeten er niet van wakker liggen, want door hun CO2-opname zullen ze zelfs emissiepositief kunnen produceren”. De voorbije jaren heeft de glastuinbouwsector overigens al forse energie-inspanningen geleverd. Tegen eind dit jaar zal naar verwachting 150 MWe aan elektrisch vermogen van WKK-installaties geïnstalleerd zijn. Indien die installaties gemiddeld 5.000 uren per jaar draaien, produceren ze voldoende elektriciteit voor 200.000 gezinnen. In vergelijking met de 2.800 MWe in Nederland is dat echter een habbekrats. “Om onze noorderburen enigszins bij te benen, is een clustering van onze glastuinbouwbedrijven noodzakelijk. Het is immers niet realistisch om in iedere uithoek van Vlaanderen aardgasleidingen en elektriciteitsnetten met voldoende capaciteit te voorzien”.

In Oudenburg zal de intercommunale WVI fungeren als projectontwikkelaar. Zonder tegenslag kunnen de eerste serres eind 2010 gebouwd worden. “Dat eerste project is van cruciaal belang, omdat het als inspiratiebron zal dienen voor anderen”, weet Moons. In Beveren is inmiddels een oriënterende studie opgestart. Daarbij wordt onderzocht welke de meest rendabele energieoplossing is: de recuperatie van restwarmte uit de Antwerpse haven, de bouw van een energiecentrale naast de glastuinbouwzone of de installatie van WKK’s op de individuele serrebedrijven. Het bedrijventerrein zou er een plaats krijgen in een macrozone die de gemeente eerder reeds heeft ingekleurd voor de glastuinbouwsector. Later volgen misschien Roeselare, Sint-Katelijne-Waver, enzovoort Aan kandidaat-glastuinders is er evenmin gebrek. Meer nog, er zijn er zelfs die in hun eentje de hele projectoppervlakte van een bedrijvenzone zouden willen vol bouwen. “Ik sluit niet uit dat er in de toekomst zones komen die ingericht worden voor één enkele tuinder, maar voor het eerste project in Oudenburg is die formule uitgesloten. We mikken op meerdere tuinders met een grote warmtevraag”. Volgens Moons popelen vooral tuinders in West-Vlaanderen en de Noorderkempen om te investeren in glastuinbouwzones, wat te maken heeft met de gemiddelde leeftijd van de tuinders die er actief zijn. “Zelfs in Limburg is er sporadische interesse, en daar is alvast nog genoeg ruimte om bedrijvenzones aan te snijden”.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via