InterviewGil Houins - Voedselagentschap

Verstuur naar een vriend(in)

"Desnoods resultaten horeca-inspecties op internet" (19/10/2009)

De dioxinecrisis van tien jaar geleden was het dramatische orgelpunt van een decennium vol voedselschandalen. Sinds de moeder van alle crisissen de Vlaamse voedselketen op haar grondvesten deed daveren, is het aantal ernstige incidenten fors gedaald. Moeten we ons nog wel zorgen maken over de voedselveiligheid in ons land? Met die vraag trokken we naar gedelegeerd bestuurder Gil Houins van het Voedselagentschap.


Enkele jaren geleden kampte het Voedselagentschap nog met een financiële put. Is dat probleem helemaal van de baan?
Gil Houins: In 2007 hebben we van de federale overheid een extra dotatie ontvangen van 14,6 miljoen euro en daar is vorig jaar nog eens 26 miljoen euro bijgekomen. Daarmee is de overheidsbijdrage in het totale budget van het Voedselagentschap gestegen van 43 naar ongeveer 66 procent. De rest wordt betaald door de 140.000 operatoren in de voedselketen. Hoewel we de heffingen voor de land- en tuinbouwers dit jaar met vier miljoen euro en die van de andere kmo’s met één miljoen euro afgeroomd hebben, kampen we niet langer met financiële problemen.

Welk prijskaartje hangt aan de werking van het Voedselagentschap?
Vorig jaar was dat 170 miljoen euro. Van 2002 tot 2006 hadden we op het eind van het jaar telkens een budgettair deficit. In 2007 draaiden we breakeven en vorig jaar scoorden we dankzij de extra dotatie zelfs een bonus van dertien miljoen euro.

Vindt u dat er een goed evenwicht bereikt is tussen de bijdragen van de overheid en die van de operatoren?
Eigenlijk wel. Vergeet niet dat meer dan de helft van de bijdragen van de operatoren bestaat uit retributies, die betaald worden in ruil voor dienstverlening van het Voedselagentschap. Denk aan de keuring van vlees in de slachthuizen, de exportcertificaten die we uitgeven, enzovoort. Ik denk niet dat de operatoren in de huidige economische context bij onze politici een nog lagere heffing kunnen bedingen. Een landbouwer wiens bedrijf volledig gecertificeerd is voor de autocontrole betaalt nog 45 euro per jaar. Dat is een peulschil, hé.

In de tien jaar na de dioxinecrisis is het aantal voedselschandalen in vergelijking met de turbulente jaren negentig erg beperkt gebleven. Verbaast u dat?
Er doen zich elk jaar nog altijd een reeks incidenten voor. Het grote verschil met vroeger is het reactievermogen van onze diensten. Vandaag beschik ik over een crisiscel met vijf universitair geschoolde medewerkers die draaiboeken uitwerken en in het geval van incidenten de nodige data verzamelen en de gepaste corrigerende maatregelen nemen. Op preventief vlak proberen we gewoon iedere dag alert te blijven. Verder zorgen we ervoor dat de resultaten van onze monsternemingen zo snel mogelijk beschikbaar zijn en belangrijk is natuurlijk ook dat de autocontrole en meldingsplicht intussen ingevoerd zijn. Zo moeten laboratoria die prestaties leveren voor derden ons onmiddellijk op de hoogte brengen in geval van verdachte analyses. Met die bepaling is België een buitenbeentje in Europa, maar die aanpak werkt.

Kan u dat staven aan de hand van een voorbeeld?
Vorig jaar is radioactief gas ontsnapt uit een bedrijf in Fleurus. Om 17 uur werd ik verwittigd door het crisiscentrum van de federale regering en zes uur later hadden onze mensen reeds monsters genomen in de melktanks van boeren in de streek waar het incident zich had voorgedaan. Die monsters werden in allerijl naar Brussel vervoerd en ’s anderendaags wisten we rond het middaguur dat de melk niet vervuild was. Die snelheid is geen overbodige luxe, want op het ogenblik dat we uitsluitsel hadden, werden door ambassades en buitenlandse firma’s al ballonnetjes opgelaten over mogelijke invoerbeperkingen. De snelle analyses hebben er ook voor gezorgd dat een slaproducent rond Fleurus gewoon kon blijven leveren aan zijn supermarktketen omdat de contaminatie onder de Europese grenswaarden gebleven was.

Hoever staat het met de autocontrole in de voedselketen?
We hebben tot hiertoe 23 sectorale gidsen goedgekeurd. Die gelden als referentie voor individuele bedrijven die de autocontrole willen toepassen, en samen dekken ze nu reeds de grote meerderheid van de actoren in de voedselketen. De land- en tuinbouwers zijn dankzij de inspanningen van hun organisaties op de goede weg. Zo hebben ongeveer 13.000 boeren uit de plantaardige sector zich reeds gecertificeerd. In de distributiesector en de horeca staat de autocontrole daarentegen nog wat in zijn kinderschoenen, maar de nodige gidsen zijn klaar. Nu moeten de winkeliers en horeca-uitbaters nog bereid gevonden worden om een audit aan te vragen, en dus ook te betalen. Natuurlijk weet ik ook wel dat het in geen enkele sector zal lukken om de autocontrole bij honderd procent van de operatoren ingeburgerd te krijgen. Het gaat immers om een vrijwillig systeem. Maar wie niet meedoet, zal vaker gecontroleerd worden en moet hogere heffingen betalen.

Jaren geleden werd het plan geopperd om alle lastenboeken op elkaar af te stemmen zodat boeren idealiter maar één gecombineerde doorlichting moeten ondergaan.
Vandaag is het perfect mogelijk om met één audit zowel de plantaardige als dierlijke productieactiviteiten te laten certificeren. Maar als de controles op een bepaald lastenboek exclusief uitgevoerd worden door een certificeringsinstelling die geen erkenning aangevraagd heeft voor de controle van andere bedrijfsaspecten, dan is zo’n gecombineerde doorlichting natuurlijk niet mogelijk. Gelukkig streven de landbouworganisatie via het door hen opgerichte Codiplan naar vereenvoudiging en een betere afstemming van de verschillende lastenboeken. Anderzijds moeten we ons geen illusies maken: naar één enkele gids zullen we allicht nooit meer terugkeren omdat de grootwarenhuizen zich zo graag profileren met hun eigen productievoorschriften.

Hoe vaak worden landbouwers gecontroleerd door inspecteurs van het Voedselagentschap?
Mensen met een hoevewinkel krijgen vaker controleurs over de vloer, maar de gemiddelde boer en tuinder krijgt slechts één controle om de tien jaar. Ik kom dikwijls boeren tegen die me vertellen dat ze in enkele maanden tijd drie of vier inspecties gekregen hebben. Bij nader inzicht blijkt dan steevast dat het ze controleurs van private lastenboeken of van de gewesten op bezoek gekregen hadden.

De dolle koeien hebben jarenlang erg zwaar gewogen op het budget van het Voedselagentschap. Hoewel het al drie jaar geleden is dat zo’n dier nog aangetroffen werd in ons land, slorpt dit dossier nog altijd veel fondsen op.
Dat klopt. Vorig jaar heeft de dollekoeienziekte ons nog 13,8 miljoen euro gekost. Sinds begin dit jaar is het wel zo dat enkel nog runderen ouder dan 48 maanden gecontroleerd worden, terwijl de leeftijdsgrens voordien op dertig maanden lag. Laat ons hopen dat de Europese Commissie voor volgend jaar een nieuwe versoepeling zal aanvaarden. Ons land is alvast vragende partij om de drempel voor bse-tests op te trekken naar zestig maanden, want we kunnen onze centen veel beter besteden aan bijvoorbeeld de strijd tegen salmonella of een intensievere begeleiding van land- en tuinbouwers.

Moeten we ons nog zorgen maken over salmonella bij varkens en kippen?
Voor eieren boeken we mooie resultaten. Enkele jaren geleden werden eerst de moederdieren gevaccineerd, daarna de legkippen zelf. De jongste maatregel houdt in dat eieren van gecontamineerde legkippenbedrijven automatisch gekanaliseerd moeten worden naar de verwerkingsbedrijven. Voor braadkippen en varkens is de toestand nog altijd voor verbetering vatbaar. Voor de varkenssector is een hele strategie op poten gezet waarbij bedrijfsdierenartsen, onze veterinaire experts, Dierengezondheidszorg Vlaanderen en de landbouworganisaties elk een rol spelen en informatie uitwisselen.

Test-Aankoop onderzocht vorig jaar zeventig kippenproducten uit supermarkten en beenhouwerijen. Bij 45 producten was er sprake van een slechte hygiënische kwaliteit.
Sorry, maar niemand eet ongekookt kippenvlees, hé. Test-Aankoop heeft over haar bevindingen nogal wat lawaai gemaakt in de media, maar het gevaar is dus zeer relatief. Anderzijds mag men mijn boodschap ook niet misverstaan: als we in Europa geen Amerikaanse chloorkippen willen, zullen onze veebedrijven nog betere resultaten moeten boeken in de strijd tegen salmonella. Anders is dat invoerverbod op termijn politiek onhoudbaar.

Rusland is een belangrijke afzetmarkt voor vlees, fruit en groenten. Maar allicht bezorgt ze u ook heel wat kopzorgen?
We moeten daar niet flauw over doen: de Russische overheid koestert de ambitie om de zelfvoorzieningsgraad voor land- en tuinbouwproducten op te trekken naar negentig procent. En als Rusland met Europa over de agrarische handel praat, is de uitgangspositie voor ons niet erg comfortabel omdat de Russen nu eenmaal een erg belangrijke energieleverancier zijn.

Dat Rusland nog altijd geen lid van de Wereldhandelsorganisatie is, maakt de zaken er allicht ook niet eenvoudiger op?
Daardoor moeten ze de normen uit de codex alimentarius niet volgen, en al zeker niet de Europese voorschriften. Rusland hanteert voorlopig dus nog andere residulimieten voor antibiotica in vlees en voor pesticiden in groenten en fruit. Hierover hebben Rusland en de Europese Commissie meerdere protocollen ondertekend. Om na te gaan of alles volgens de afspraken verloopt, krijgen we net zoals de andere EU-lidstaten regelmatig een Russische expert over de vloer voor een doorlichting van onze exportbedrijven of een onderzoek naar de werking van het Voedselagentschap. Gelukkig is de verstandhouding met onze Russische collega’s tot hiertoe altijd voorbeeldig geweest. We moeten vooral waakzaam zijn voor mogelijke manipulaties van onze voedingsproducten tijdens het transport naar Rusland. In bepaalde Oostbloklanden deinst men er niet voor terug om bijvoorbeeld certificaten te vervalsen.

De Russen hebben kritiek geuit op Fytolab in Gent. Het zou onvoldoende residu’s kunnen opsporen.
Fytolab kan ongeveer 360 actieve stoffen screenen, en is daarmee één van de beste laboratoria in Europa. Maar de monitoring van onze export gebeurt natuurlijk steekproefsgewijs, en dus kan je nooit uitsluiten dat een aantal gecontamineerde peren door de mazen van het net glippen. Daarnaast zijn er een aantal stoffen die al sinds de jaren zeventig verboden zijn, maar waarvan er nog altijd residu’s aangetroffen worden.

Mogen we concluderen dat de Russen wispelturig en onbetrouwbaar zijn?
Ach, ik heb de indruk dat er wel meerdere landen in de wereld zijn die hun markt in toenemende mate proberen te beschermen. Met de Chinezen hebben we vier jaar onderhandeld over een marktopening voor ons varkensvlees. De zaak is nog altijd niet rond, want er moet nog een Chinese dierenarts op bezoek komen voor een steekproefsgewijze controle van onze exportfirma’s. Om dergelijke praktijken aan banden te leggen, hebben we nood aan een sterke Wereldhandelsorganisatie. Ik ben helemaal geen wilde liberaal, maar het is belangrijk om bepaalde handelskwesties snel en met kennis van zaken te kunnen trancheren.

In Nederland maakt men zich met de regelmaat van een klok zorgen over het toenemende antibioticagebruik in de veehouderij. Is het gevaar op antibioticaresistentie in ons land minder groot?
Wie de cijfers bekijkt van onze controles op de aanwezigheid van antibiotica in vlees, stelt vast dat er niks spectaculairs aan de hand is. We houden dat dossier in het oog, maar de consument moet er op dit ogenblik zeker niet van wakker liggen.

Om de hormonenmaffia harder te kunnen treffen, dringt Open Vld’er Bart Tommelein aan op een opwaardering van de hormonencel.
Ik probeer diplomatisch te blijven, maar je kan niet naast de vaststelling dat de hormonenmaffia graag uitwijkt naar Nederland om dieren te slachten. Het gewicht van karkassen is namelijk één van de parameters die onze controleurs gebruiken om groeibevorderaars op te sporen. Wie zich vandaag in ons land nog bezighoudt met hormonen, speelt een erg gevaarlijk spel. Na een positief geval krijgen veebedrijven het H-statuut opgespeld, waardoor de hele veestapel in één klap gestigmatiseerd raakt. Bovendien moeten die boeren op eigen kosten peperdure analyses laten uitvoeren.

Dat is allemaal juist, maar de fraudeurs hebben nog altijd een stapje voor op de speurders.
De laatste tien jaar is het hormonendossier een zaak geworden van zeer creatieve geesten. Onze onderzoekers kunnen zo’n lage hoeveelheden van bepaalde residu’s opsporen dat we ons de vraag moeten stellen of die niet gewoon afkomstig zijn van bacteriën in de lucht. Het heeft geen zin om onder bepaalde detectiegrenzen te duiken. Maar pas op, we laten niets aan het toeval over: zopas heb ik nog een apparaat gekocht om moeilijk opspoorbare stoffen toch te kunnen detecteren. Meer kan ik daar op dit ogenblik echter nog niet over zeggen.

Wat zijn op het vlak van voedselveiligheid de zwakke plekken in de voedselketen?
De mengvoederbedrijven hebben tien jaar geleden de dioxinecrisis van op de eerste rij meegemaakt, maar deze sector heeft enorme inspanningen geleverd om het risico op incidenten sterk te reduceren. In de dierlijke sector moeten we waakzaam blijven voor salmonella en E.coli. Wat groenten en fruit betreft, zien we dat er nog altijd normen voor pesticidenresidu’s overschreven worden, maar ons wetenschappelijk comité garandeert dat dit geen probleem vormt voor de volksgezondheid. In de verwerkende industrie passen de meeste ondernemingen onder druk van de supermarktketens het HACCP-systeem toe. Rest dan nog de horeca, en daar hebben we nog enorm veel werk voor de boeg.

Zijn de horeca-uitbaters niet van goede wil?
De horeca telt 50.000 operatoren, die aan een hoog ritme de sector in- en uitstromen. Bovendien hebben ze niet altijd een goede opleiding genoten. Met onze ‘smiley’ en een voorlichtingscel die bemand wordt door vier voltijdse medewerkers proberen we de hygiënische omstandigheden in de horeca naar een hoger niveau te tillen, maar het gaat allemaal veel te traag naar mijn zin. Mijn boodschap aan de horecafederaties is daarom niet mis te verstaan: als er binnen één à twee jaar geen zichtbare verbetering optreedt, laat ik de resultaten van de inspecties publiceren op internet. Op basis van de Europese regelgeving is dat perfect mogelijk.

Tijdens de landbouwbeurs van Libramont werd de stand van het Voedselagentschap kort en klein geslagen door Waalse boeren. Hoe heeft u die baldadigheden geïnterpreteerd?
Ik heb nooit onder stoelen of banken gestoken dat de Waalse boeren geen makkelijke leerlingen zijn. Sommigen onder hen worden niet graag gecontroleerd. In Vlaanderen heerst een heel andere cultuur omdat de productie er veel meer gedifferentieerd is en er jaren geleden al lastenboeken geïntroduceerd werden door supermarktketens. Wallonië telt daarentegen veel graan- en bietenboeren, voor wie voedselveiligheid een ver-van-mijn-bedshow is. Velen zien het Voedselagentschap ook als een bedreiging voor hun ambachtelijke productie. Die perceptie is onterecht, maar ze wordt ten zuiden van de taalgrens permanent gevoed door de vakbladen. Zo heeft men bij de FWA niet eens de moed om indien nodig de aanpak van ons agentschap te verdedigen in hun ledenblad. Daarom heb ik begin dit jaar beslist om via een brief rechtstreeks met de Waalse landbouwers te communiceren. Dat blijkt de enige manier te zijn om de toegevoegde waarde van het Voedselagentschap aan te tonen en bijvoorbeeld uit te leggen dat ook ingevoerde producten streng gecontroleerd worden.

Trekt u volgend jaar nog met een stand naar Libramont?
Ik heb de bevoegde minister nu al verwittigd dat dit niet het geval zal zijn. We zijn heel veeleisend voor onze mensen op het terrein, maar dan wil ik ook dat ze gerespecteerd worden. Het Voedselagentschap zal met veel plezier aanwezig zijn op Agriflanders en Agribex, maar Libramont is voorlopig een afgesloten hoofdstuk. Of toch niet, want we hebben ons burgerlijke partij gesteld na afloop van de geweldplegingen in juli. We hebben alles netjes op video en zullen de gepaste schadevergoedingen eisen.
 

 

bron eigen verslaggeving