nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


25.05.2007  Hoe veilig is Vlaamse mest?

"Vlaamse compost vergiftigde Franse aardappelen". Die krantenkop deed medio maart een bom ontploffen in de landbouwsector. "Frankrijk mag hoegenaamd niet wegvallen als afzetgebied", zegt Stefaan Laperre van Leievoeders, dat al enkele jaren met succes ruwe kippenmest en compost exporteert. "Zowel ons mestvolume als het aantal klanten nemen toe. Te danken aan de kwaliteit van onze producten".

Een boer uit de champagnestreek heeft een rechtszaak ingespannen tegen Compofert. Volgens de aanklacht zou het bedrijf uit Kallo aan de onfortuinlijke landbouwer een met kaliumsulfaat verrijkte compost geleverd hebben die aardappelen deed afsterven. Er is overigens sprake van meerdere gedupeerde boeren in de streek van Saint-Quentin en Reims. De beschuldigde partij is niet van plan om zonder slag of stoot een miljoen euro schadevergoeding te betalen. “De bodemanalyses waarover wij beschikken tonen waarden aan die duidelijk onder de toegelaten maximumnormen liggen”, liet Compofert verstaan in een persbericht. “Omdat de schade voor de betrokken landbouwer zeer groot is, zoekt hij naar eventuele medeschuldigen". Klare taal of blufpoker? Dat moet het gerechtelijk onderzoek uitwijzen.

Zolang wilde het ABS niet wachten om bij monde van voorzitter Adriaens de schorsing van de vergunning van Compofert te vragen. Enkele dagen later kondigde minister-president Leterme in het Vlaams Parlement ingrijpende maatregelen aan voor de hele sector van de mestexport: een versnelde uitvoering van kwaliteitscontroles, extra staalnamen, meer transportcontroles, bijkomende transportvereisten en een brede consultatie over de certificatie van eindproducten. Isabelle Vermander van het Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM) reageert niet overdonderd: “De mestexport is een jonge sector. De voorbije jaren werd heel veel energie gestoken in een afstemming van de complexe regelgeving. Niet alleen de landbouwers en mestexporterende bedrijven moesten in dit kluwen hun weg zoeken, dat was ook voor de overheid het geval. Nu alles in zijn plooi valt, is de tijd misschien rijp om nog eens alle stukjes van de puzzel op te lijsten en de kwaliteitsprocedures eventueel verder te verfijnen. Maar mispak je niet, er zijn al een heleboel verplichte erkenningen, controles en analyses”.

Veel mestactieplannen. Wie denkt dat hij aan mest zijn voeten kan vegen, heeft het verkeerd voor. De Bijbel van de mestverwerkers is verordening 1774/2002, de opvolger van de bezemrichtlijn. Europa wil dat verwerkte mest vrij is van kiemen en bacteriën door een verplichte hygiënisatie op te leggen, waarvoor de Mestbank specifieke erkenningen uitreikt. In mensentaal uitgedrukt: iedere kilogram verwerkte mest moet minstens gedurende één uur verhit worden tot minstens 70 graden Celsius. De controle hierop gebeurt door computergestuurde temperatuursondes die op verschillende plaatsen in de installaties permanent de temperatuur van de mest opmeten. Dit verhittingsproces is overigens één van de kritische controlepunten die elke verwerker netjes moet documenteren als onderdeel van het obligate HACCP-systeem. In een handboek moet dus onder meer gedetailleerd beschreven staan welke stappen het bedrijf onderneemt van zodra een partij mest door onvoorziene omstandigheden niet voldoende verhit werd.

De Europese wetgever heeft niet alleen oog voor de technische verwerkingsprocedures, maar ook voor het bedrijfsmanagement van de mestverwerker. “Zo moet er bijvoorbeeld een goede fysieke scheiding bestaan tussen de ruimte met te verwerken grondstoffen en de opslagplaats met eindproducten. Met dezelfde heftruck producten in- en uitladen of met hetzelfde schoeisel door de verschillende loodsen lopen, is een doodzonde”, verduidelijkt Vermander. Om de hygiëne in kaart te brengen, laten mestverwerkers op periodieke basis microbiologische analyses op salmonella en enkele andere potentiële contaminanten uitvoeren. “En wie meststoffen naar Frankrijk wil exporteren, moet in opdracht van de Franse overheid nog eens extra analyses laten uitvoeren op sporenelementen, zware metalen, micro-organismen en voedingsstoffen om te voldoen aan de zogeheten NFU-norm”, voegt Laperre eraan toe. “Bij Leievoeders hebben we twee verschillende NFU-nummers. Eentje voor mest met een geringere nutriënteninhoud, die een tijdje mag blijven liggen op de kopakkers van de ontvangende boer. Het andere nummer dient voor mest die binnen de 72 uur moet ondergewerkt worden op het perceel van bestemming”.

Meester in mest. Dat Frankrijk dergelijke regels hanteert, is geen rariteit. Ook in ons land is een koninklijk besluit van kracht dat de handel in meststoffen regelt door de mesttypes in verschillende productklassen onder te verdelen. Die wetgeving is niet alleen handig voor gedroogde en gecomposteerde mest die bij Belgische landbouwers en particulieren mag afgezet worden: bij export gebeurt het wel eens dat het land van bestemming de Belgische producterkenning voor de mest in kwestie opvraagt. Daarnaast moeten mestverwerkers vanzelfsprekend ook voldoen aan het mestdecreet: de in- en outputstromen van de installaties belanden in een register en ook een nutriëntenboekhouding is verplicht. Vooraleer een verwerker mest op transport zet, dient de Mestbank in het bezit te zijn van de nodige mestafzetdocumenten, waarop onder meer de samenstelling van de mest vermeld staat. Om die te achterhalen, is dan weer een mestanalyse nodig. “In overeenstemming met de Mestbank is een regeling uitgewerkt waardoor niet elke vracht apart moet bemonsterd worden”, zegt Jan Bries van de Bodemkundige Dienst, de onbetwiste marktleider in ons land als het om mestanalyses gaat. “Bij ongeveer 15 à 20 procent van de ruim 5.000 analyses die we op jaarbasis uitvoeren, wordt een Franse vertaling van het rapport gevraagd. Zo weten we ongeveer hoe groot het werkvolume is dat de mestexport naar Frankrijk ons oplevert”.

De Bodemkundige Dienst is al vijftien jaar bezig met gestandaardiseerde mestanalyses, waar desgevraagd ook een verslag over de bemestingswaarde bijgevoegd wordt. In welke mate zijn de eigenschappen van de Vlaamse mest in de loop der jaren veranderd? “Bij de introductie van de voederconvenanten met de mengvoederindustrie zagen we de fosfaatgehaltes vlug dalen. De ruwe mest blijft wel sterk verschillen van bedrijf tot bedrijf, afhankelijk van het watermanagement, voederrantsoen, staltype, enzovoort. De variatie in de samenstelling van compost is de jongste tijd echter sterk gedaald: de beheerders van de composteerinstallaties krijgen hun procédé dus steeds beter onder de knie”, zegt Bries. Voor installaties die naast mest ook organisch-biologische afvalstoffen verwerken, is wel een keuringsattest vereist dat uitgereikt wordt door VLACO. Het eindproduct in kwestie moet bovendien ook nog eens als secundaire grondstof erkend worden door OVAM.

Geen klachten. Leievoeders dendert met zijn mesttransporten regelmatig door Wallonië, op weg naar Frankrijk. Dat de Vlaamse mest ten zuiden van de taalgrens nog altijd niet welkom is, stuit op onbegrip. “Een politieke afrekening”, klinkt het. Op de Franse mestmarkt lopen de zaken daarentegen gesmeerd voor de veevoederfirma die in zijn branche nog net tot de top-5 van grootste bedrijven mag gerekend worden. “Enkele jaren geleden waren onze klanten volop op zoek naar afzetmogelijkheden voor pluimveemest. We zijn louter als dienstverlening begonnen met mestexport, en dat is het vandaag nog steeds”, zegt Laperre. Het meest eenvoudige en goedkope procédé geldt voor kippenboeren die hun ruwe mest gedurende enkele maanden op hun bedrijf kunnen stockeren. Voor deze klanten maakt het bedrijf een dossier op dat voldoet aan de Europese transportverordening voor afvalstoffen. Daar komt een hele papierberg bij te pas, zodat het een hele poos duurt vooraleer de mest effectief kan getransporteerd worden. “Bedrijven die geen stockeerruimte hebben, moeten met hun mest noodgedwongen uitwijken naar composteerinstallaties of biothermische drooginstallaties. Daar wordt de kippenmest gemengd met de dikke fractie van varkensmest. Zonder bijmenging kan die varkensmest immers alleen maar gehygiëniseerd worden aan zeer hoge energiekosten”.

Franse boeren kunnen bij Leievoeders dus terecht voor zowel kippenmest als compost. Het ene product is het andere niet. Bij pluimveemest gaat het om beperkte volumes die over zo kort mogelijke afstanden vervoerd worden. “Dat heeft ook te maken met het feit dat vrachtwagens die ruwe mest vervoeren als gevolg van hygiëneregels bij hun terugkeer geen granen mogen meebrengen. Financieel scheelt dat een slok op een borrel aangezien we ook actief zijn in de handel van landbouwgrondstoffen. We kunnen het ons in elk geval niet permitteren naar Reims te rijden, om vervolgens met een lege transportwagen terug te keren”, vertelt Laperre. Maar klagen doen ze bij Leievoeders niet echt. Het familiebedrijf telt dan ook steeds meer Franse boeren onder zijn cliënteel. Is de Vlaamse mest dan zo goedkoop? “De kwaliteit van de mest is doorslaggevend”, repliceert Laperre kordaat. “We hebben in al die jaren nog nooit een klacht ontvangen. Integendeel, vaak merken we dat nieuwe klanten een kleine hoeveel mest aanvragen, waarna ze gauw een bijbestelling plaatsen voor hun volledige bieten- en aardappelenareaal”.

Mestverwerking van grond. Het succes van de Vlaamse organische mest in de Noord-Franse akkerbouwgebieden is volgens Jan Bries eenvoudig te verklaren: “In die streken tref je vaak bodems met een erg laag humusgehalte en weinig fosforreserves. Granen kunnen voedingsstoffen zeer goed benutten, maar voor de teelt van bieten, aardappelen en een aantal groenten is de mest van onze veehouders een erg kostenefficiënte manier om tot een optimale bemesting en plantengroei te komen”. Bij Leievoeders is men ervan overtuigd dat er nog rek zit op de mestexport naar Frankrijk. Uit gegevens van de Mestbank blijkt dat die nu al goed is voor een marktaandeel van 64 procent op een totaal mestvolume van 340.000 ton mest en mestproducten die in 2005 vanuit Vlaanderen geëxporteerd werden. Nederland staat op de tweede plaats met een aandeel van dertig procent. Bijkomende afzetgebieden zijn meer dan welkom door de inkleuring van heel Vlaanderen als kwetsbaar gebied. De mestverwerking draait alvast op volle toeren. Terwijl vorig jaar in heel Vlaanderen 112 operationele mestverwerkers actief waren, staat de teller van het VCM plotsklaps op 205, weliswaar met inbegrip van de verwerkers wiens vergunningsaanvraag nog niet afgerond is en wiens installatie nog in opbouw is. Het imago van de Vlaamse mest is intussen dus een immens kapitaal waard. Reden te meer om er erg zorgzaam mee om te springen.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via