nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Is het Kataraktdecreet verteerd?
03.10.2011  Huisvesting seizoenarbeiders

Voor veel fruittelers is 2011 een verloren jaar. De appel- en perenoogst oogde veelbelovend, maar het noodweer van 18 augustus besliste daar anders over. Terwijl oogst en inkomen wegvallen, blijven de onkosten zich opstapelen. Dat is onder meer het geval voor de huisvesting van seizoenarbeiders. Veel fruitteeltbedrijven hebben recent zwaar geïnvesteerd in structurele oplossingen via nieuwbouw of verbouwingen omdat tijdelijke woonunits maar moeilijk kunnen voldoen aan de woonnormen van het Kataraktdecreet. Hoewel de stormschade hen zorgen baart, maakten Luc Vanoirbeek, tuinbouwconsulent bij Boerenbond, en Ivan Mommen, fruitteler in Zepperen en werkgever van een 60-tal seizoenarbeiders, tijd vrij om hun licht te laten schijnen op de huisvestingsproblematiek.

Om tegemoet te komen aan de specifieke woonomstandigheden van seizoenarbeiders heeft het Vlaams Parlement in 2008 een aanpassing van het Kamerdecreet gestemd, ook wel het ‘Kataraktdecreet’ of ‘decreet seizoenarbeiders’ genoemd. De fruittelers reageerden ontzet op de oppervlakte- en woonkwaliteitnormen die van toepassing werden. “Nieuw waren die normen echter niet”, helpt Luc Vanoirbeek een misverstand uit de wereld. “Tot dan viel de huisvesting van seizoenarbeiders onder het Kamerdecreet dat huisjesmelkerij bestrijdt met strenge woonnormen. Het nieuwe decreet voorzag net een aantal versoepelingen zoals het niet nodig zijn van een conformiteitsattest en andere oppervlaktenormen.”

LucVanoirbeek.2.jpgDe oude regeling in het Kamerdecreet van 1997 was echter jarenlang dode letter gebleven zodat het Kataraktdecreet in de praktijk forse investeringen vergde van de fruittelers. Tot 31 december 2010 gold nog een overgangsregeling, vanaf 1 januari 2011 moeten werkgevers die seizoenarbeiders huisvesten zich volledig schikken naar de nieuwe regels. De minimale oppervlakte van een kamer of slaapruimte voor seizoenarbeiders bedraagt voortaan 8 m² per persoon. Samen met de gemeenschappelijke ruimte moet een seizoenarbeider minimaal 18 m² ter beschikking hebben. Voor elke bijkomende persoon moet 10 m² bijgeteld worden. Vanoirbeek vindt het een gemiste kans dat de oppervlaktenorm focust op slaap- in plaats van leefruimte.

Strikt genomen is er geen probleem om seizoenarbeiders te huisvesten in agrarisch gebied. Toch hangt dit in de praktijk meestal af van het oordeel van Stedenbouw. Verblijfsgelegenheden voor seizoenarbeiders kunnen toegelaten worden voor zover ze een geïntegreerd deel van een leefbaar bedrijf uitmaken. Essentieel is het tijdelijk karakter van het verblijf en de verbondenheid met de agrarische activiteit.

huisvesting.2.jpgMet het Kataraktdecreet geeft de overheid te kennen dat zij op termijn af wil van tijdelijke constructies en wil werken naar duurzame oplossingen via nieuwbouw of verbouwingen van bestaande bedrijfsgebouwen. “Daardoor wordt voorbijgegaan aan een belangrijk voordeel van tijdelijke woonunits: hun wegneembaarheid”, meent Vanoirbeek, die zich afvraagt wat met de nieuwbouw of verbouwing zal gebeuren wanneer de fruitteler zijn activiteiten staakt of niet langer beroep doet op seizoenarbeiders van vreemde origine. Boerenbond ijvert nog altijd voor een regelgevend initiatief om de vergunbaarheid van woonunits te ondersteunen en noemt het een kwaliteitsvolle en voor de teler beter betaalbare vorm van huisvesting.

Of investeren in huisvesting verantwoord is, moet elke fruitteler voor zichzelf uitmaken. “Het grote voordeel is dat werknemers klaar staan op het bedrijf om aan de slag te gaan”, weet Vanoirbeek. Wie met Belgische plukkers werkt, spaart een aardige cent uit. “Maar dan moet je ze wel vinden, de landgenoten die gemotiveerd zijn om fruit te plukken”, beseft hij. “Jobstudenten zoeken hun geluk liever in andere sectoren en het statuut van een seizoenarbeider is uiteraard precair voor iemand die naar werkzekerheid verlangt.”

Veel hangt ook af van de fase waarin een bedrijf zich bevindt. “Een fruitteler die tegen de pensioenleeftijd aanhinkt en geen opvolger heeft, gaat uiteraard niet meer zwaar investeren in huisvesting.” Op het fruitteeltbedrijf van Ivan Mommen en Chantal Suet in Zepperen is de opvolging verzekerd zodat investeren in huisvesting van seizoenarbeiders zich opdrong, hoewel het koppel beseft dat dergelijke kosten niet terug te verdienen zijn. Mommen heeft vier Polen vast in dienst en doet twee maanden per jaar beroep op een 60-tal seizoenarbeiders (Polen, Indiërs en Belgen) voor de oogst van de appels en peren. Om alle werknemers een onderkomen te geven, werd de bovenverdieping van de nieuw gebouwde sorteerloods opgedeeld in wooncompartimenten.

fruitteeltbedrijf.2.jpgNet zoals Vanoirbeek noemt Mommen ‘beschikbaarheid’ het grootste voordeel van huisvesting van seizoenarbeiders. “Het is heel dankbaar om harde werkers als Polen op het bedrijf te hebben. In het verleden deed ik al beroep op Italianen, Turken en Marokkanen die pendelden vanuit Brussel of Luik. Toen was het elke morgen bang afwachten of ze wel zouden arriveren.” Intussen heeft hij een sterke vertrouwensband opgebouwd met zijn Polen. Vier van hen zijn vast in dienst en spreken uitstekend Nederlands. Hun landgenoten kunnen zich goed uitdrukken in het Engels. Voor Mommen zijn het intussen vertrouwde gezichten want de meeste van hen werken al zeven jaar op zijn bedrijf.

Dat fruittelers beroep doen op Polen omdat zij goedkoper zijn, is een wijdverspreid misverstand. Een Oost-Europeaan verdient als seizoenarbeider evenveel als een Belg. Nu seizoenarbeiders een duidelijke verbetering van hun wooncomfort ervaren, hebben zij nog meer redenen om 65 dagen per jaar in de Vlaamse tuinbouwsector te werken. Vroeg of laat zal de levensstandaard van de Polen stijgen zodat zij niet langer bereid zijn om als seizoenarbeider naar het buitenland te trekken. “Hetzelfde maakten we mee met de Spanjaarden die hier vroeger kwamen plukken”, vertelt Vanoirbeek. “Maar zijn het geen Polen, dan zullen we in de toekomst wel beroep kunnen doen op mensen uit Oekraïne of Wit-Rusland. Seizoenarbeiders die zich financieel willen verbeteren, zijn er altijd geweest”, weet Vanoirbeek.

fruitpluk2.jpgEen hogere levensstandaard in Oost-Europa schept ook kansen voor onze fruittelers in de vorm van een grotere afzetmarkt voor kwaliteitsappels en -peren. Mommen stelde met eigen ogen vast dat de Poolse economie de voorbije jaren rake klappen kreeg zodat hij niet meteen vreest voor zijn goede arbeidskrachten. “Land- en tuinbouw is de enige sector in Polen die niet kapot ging aan de financieel-economische crisis.”

Heeft hij geen schrik dat de plukkers die hij dit jaar instructies geeft, volgend jaar zelf eigenaar zijn van een boomgaard in Polen en zijn concurrenten worden? “Concurrentie is nodig”, zegt Mommen onbevreesd, “op voorwaarde dat Europese landbouwsubsidies er geen ongelijke strijd van maken.” Hij vreest dat de appelproductie op termijn zal verhuizen naar Oost-Europa, “maar peren pakken ze ons niet af want het weer leent zich daar niet voor de teelt.” Mommen, die half augustus 25 hectare fruit verloor door hagelschade, beseft hoe onvoorspelbaar de natuur kan zijn en maakt daarom een voorbehoud voor het geval de voor peren geschikte teeltzone naar het oosten opschuift onder invloed van de klimaatverandering. “Desnoods telen we hier mandarijnen”, houdt hij er daarom de moed in.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via