InterviewIgnace Coussement - AgriCord

Verstuur naar een vriend(in)

"Geef boerenorganisaties centrale rol in voedseldebat" (07/12/2009)

De voedselcrisis heeft de landbouw weer op de agenda van de internationale politiek gekatapulteerd. Mooie beloften van wereldleiders volstaan echter niet om een verhoging van de landbouwproductie in arme landen te realiseren. Dat weet niemand beter dan Ignace Coussement, gedelegeerd bestuurder van AgriCord, een wereldwijd netwerk dat bouwt aan de versterking van landbouworganisaties in het Zuiden.


Meer dan een miljard mensen lijden honger. Is de arme boer in het Zuiden er vandaag erger aan toe dan ooit tevoren?
Ignace Coussement: Daar durf ik me niet over uitspreken, want er doen veel cijfers de ronde over het aantal mensen dat honger lijdt. Feit blijft dat er nog steeds te veel schrijnende armoede is, en dat boeren in het Zuiden daar middenin zitten. We denken dan vooral aan Afrika, hoewel de grote aantallen vandaag eerder moeten gezocht worden in Azië, een continent waar zich heel wat markante verschuivingen voordoen, waaronder een sterker groeiende verstedelijking en industrialisering dan het geval is in Afrika.

Grote delen van de wereld kampen nog altijd met de hoge voedselprijzen waarmee de westerse wereld twee jaar geleden geconfronteerd werd. Volgens de Leuvense ontwikkelingseconoom Jo Swinnen moeten we daar heel blij mee zijn, want die hogere prijzen zullen op langere termijn het inkomen van arme boeren opkrikken.
Jo Swinnen heeft gelijk, denk ik. In de interviews met hem stond ook te lezen dat de landbouworganisaties zouden geklaagd hebben over de hoge voedselprijzen. Maar dat moet een vergissing zijn, want vanuit de 160 boerenbonden in ontwikkelingslanden waarmee AgriCord samenwerkt, ontvangen wij vooral signalen dat die hoge prijzen als een opportuniteit moeten beschouwd worden. Natuurlijk is het zo dat veel arme boeren in bepaalde periodes van het jaar inkoper zijn van dezelfde producten die ze tijdens het verkoopsseizoen aan de man brengen. En in nogal wat gevallen zijn boeren gewoon netto inkopers van voedsel. Maar in boerenmiddens leeft de overtuiging dat ze zowel op korte als lange termijn veel meer baat hebben bij hoge dan bij lage voedselprijzen.

De jongste Wereldvoedseltop heeft geen concrete doelstellingen of deadlines opgeleverd. Een teleurstelling?
Dat dit initiatief van de FAO geen baanbrekende resultaten heeft opgeleverd, is voor iedereen duidelijk. Toch wil ik er niet negatief over doen. Dergelijke bijeenkomsten zijn alleen al belangrijk omdat veel mensen er samenkomen om ideeën en standpunten uit te wisselen. Zo houden ze de politieke druk op de ketel en dat blijkt toch vruchten af te werpen. Nogal wat regeringsleiders en hoge functionarissen hebben de voorbije maanden serieuze engagementen op tafel gelegd om de landbouwproductie in arme landen uit het slop te halen. Als onze federale minister van ontwikkelingssamenwerking Michel beslist om zijn budget voor landbouw significant te verhogen, dan is dat geen beslissing die uit de lucht komt vallen. Het draagvlak voor dergelijke beslissingen wordt onder meer op internationale discussiefora gecreëerd. De molen maalt, ook al is het misschien traag. Problemen zoals aids of het migratievraagstuk worden ook niet in een handomdraai opgelost.

Twee jaar geleden erkende zelfs de Wereldbank dat de landbouw de voorbije dertig jaar grandioos verwaarloosd werd. Hebben de arme boeren intussen iets gemerkt van de mentale klik die men op het hoogste beleidsniveau gemaakt heeft?
In de praktijk zie je nog veel te weinig. Anderzijds merk je wel dat er nog nauwelijks politieke topontmoetingen plaatsvinden zonder dat het voedselvraagstuk aan bod komt. Er worden zelfs grote steunbedragen beloofd, hetgeen vroeger zeker niet het geval was. De Europese Commissie heeft geld vrijgemaakt, de G8 wil vijftien miljard dollar investeren…

Het steunbedrag van de G8 zou slechts voor een klein deel uit vers geld bestaan. De rest zou volgens ingewijden weggezogen worden uit bestaande hulpprogramma’s.
Ik maak me ook wel zorgen over de manier waarop de budgetten besteed worden. De toezegging van die fondsen gebeurt immers op regeringsniveau. Het is natuurlijk goed dat nationale overheden straks een actiever landbouwbeleid in de steigers zetten, maar ik stel me de vraag waarom landbouworganisaties niet op een meer consistente wijze bij het opzetten en het uitvoeren van programma’s betrokken worden. Per slot van rekening zijn het niet de regeringen, maar de arme mensen zelf die hun boontjes en die van de groeiende wereldbevolking zullen moeten doppen. Als je van die mensen verwacht dat ze risico’s nemen om meer en beter te produceren, dan kan het geen kwaad om beroep te doen op de expertise die vandaag reeds op het terrein aanwezig is. Die kan grotendeels via landbouworganisaties gevaloriseerd worden, maar helaas hebben die te weinig middelen om hun projecten uit te werken.

Hoe verklaart u dat landbouworganisaties bij de besteding van ontwikkelingsbudgetten zo schromelijk over het hoofd gezien worden?
Regeringen zijn daar nog steeds niet zo happig op. Bij de ngo’s ligt dat gelukkig anders. Landbouworganisaties moeten nog steeds vechten voor hun plaats. Dat is jammer, want bij AgriCord krijgen we bijzonder veel goede projectaanvragen van de aangesloten landbouworganisaties in arme landen. Stuk voor stuk zijn dat erg zinvolle voorstellen, omdat ze ingediend worden door organisaties die de problemen van de lokale boeren kennen als hun broekzak en omdat er bij die organisaties reeds een basispotentieel aanwezig is om zaken geregeld te krijgen.

Kan u de meerwaarde van landbouworganisaties staven met een voorbeeld?
In een land als Zambia is er een erg verspreide bewoning, met grote afstanden tussen de dorpen en boerderijen. Dat veroorzaakt meerkosten op het vlak van transport, infrastructuur, voorlichting, enzovoort. Veel boeren geraken daardoor niet met hun producten op de markt.. Je hebt in zo’n geval een lokale landbouworganisatie nodig die door coöperatieve afspraken de handicaps helpt opvangen. Zo’n vereniging kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat ondernemende boeren, ook in meer afgelegen dorpen, toegang krijgen tot krediet, zaden en meststoffen. En als er moet gepraat worden over de elektriciteitsvoorziening om de verwerking en verpakking van landbouwproducten mogelijk te maken, hebben de boeren nood aan een nationale landbouworganisatie die op het niveau van de regering kan lobbyen over dergelijke zaken.

Heeft u de indruk dat de landbouwbudgetten in het kader van ontwikkelingssamenwerking op dit ogenblik onvoldoende renderen?
Daar durf ik niet meteen een antwoord op geven. Ik focus liever maar op onze eigen winkel, en dan stel ik vast dat het potentieel van landbouworganisaties onderbenut blijft, en dat er een heel terrein voor zinvolle landbouwprojecten braak blijft liggen. Ik zou me al een stuk prettiger voelen indien regeringen het aandeel van landbouwuitgaven in hun nationale begroting ernstig zouden verhogen. De voorbije jaren hebben de Afrikaanse regeringsleiders meermaals beloofd om minstens tien procent van hun staatsbudget rechtstreeks in de landbouw te investeren, maar dat blijkt een slag in het water te zijn. Er ligt in de meeste landen nochtans heel veel werk op de plank: markttoegang creëren, landbouwinfrastructuur aanleggen, een gezond handelsbeleid uittekenen, grenzen afschermen waar nodig, investeringen in landbouw stimuleren. Dergelijke zaken komen echter niet of nauwelijks van de grond.

Kunnen arme boeren hun landbouwproductie verhogen terwijl de eigen regering de andere kant opkijkt?
We moeten ons daar zeker niet door laten ontmoedigen. Ik heb de voorbije jaren mooie voorbeelden gezien van landbouworganisaties die er door interne capaciteitsopbouw op korte termijn in geslaagd zijn om hun stem te laten horen in debatten met de eigen regering. In een tijdsspanne van amper drie à vijf jaar kan je met capabele boerenleiders komen tot goed voorbereide standpunten, die hun landbouworganisatie perfect kan uitdragen zowel op nationaal als internationaal vlak, en die respect afdwingen bij hun gesprekspartners. Bij AgriCord merken we ook dat boerenbonden er, mits gefocuste investeringen en een stabiel ondernemersklimaat, heel snel voor kunnen zorgen dat hun leden dynamisch inspelen op kwaliteitsvereisten voor contractteelt. Zoiets duurt zeker geen tien jaar. In die zin ontwikkelen landbouworganisaties in ontwikkelingslanden zich vandaag veel sneller dan de boerenbonden die honderd jaar geleden in onze contreien zijn ontstaan.

Het Europees parlement wil dat Europa tegen 2020 jaarlijks dertig miljard euro pompt in de klimaatadaptatie van ontwikkelingslanden. Mogelijk wordt op die manier heel veel geld doorgesluisd naar de boeren?
Als er fondsen vrijgemaakt worden, zullen die opnieuw bij regeringen terechtkomen. Eigenlijk hebben landbouworganisaties maar een kleine fractie van de opgesomde budgetten nodig om betekenisvolle resultaten te kunnen boeken. Maar AgriCord heeft heeft het dus moeilijk om die fractie gemobiliseerd te krijgen.

Ligt u wakker van de resultaten van de klimaattop?
Het klimaatthema werd snel onderkend door de landbouworganisaties in het Zuiden. AgriCord heeft het voorbije anderhalf jaar meetings in alle streken van de wereld mogelijk gemaakt, zodat landbouworganisaties een onderbouwd standpunt konden uitwerken rond dit thema. Hoe dat standpunt eruit ziet, is natuurlijk hun zaak.

AgriCord werd zes jaar geleden opgericht vanuit Boerenbond en een aantal andere landbouworganisaties uit OESO-landen. Hoe sterk is het netwerk intussen?
Het blijft groeien. Landbouworganisaties uit België, Canada, Nederland, Noorwegen, en Frankrijk stonden aan de wieg van de organisatie. Finland en Zweden kwamen er nadien bij. Dit jaar hebben zich ook Spanje en Italië aangesloten, en ook de Waalse landbouworganisatie FWA is lid geworden. Verder zijn we nog in gesprek met boerenbonden uit enkele andere landen, zoals Duitsland en Oostenrijk. Op jaarbasis worden met een budget van 20 à 30 miljoen euro 150 à 200 projecten opgestart met de 160 partnerorganisaties in het Zuiden. Ook dat laatste aantal willen we nog verder optrekken.

De landbouworganisaties uit de rijke landen zorgen zelf voor de financiering?
Ze steunen met raad en daad. Verder proberen ze bij hun eigen regering fondsen te werven om de capaciteit van de landbouworganisaties in de arme landen te versterken. Onze boodschap is duidelijk: als we morgen over dubbel zoveel middelen zouden beschikken, hebben we geen enkele moeite om dat te kanaliseren naar veelbelovende boerenorganisaties. Het simpele feit dat we werken als netwerk van organisaties die permanent met elkaar in contact staan, biedt bijkomende voordelen: de onderlinge sociale controle is zo sterk dat boerenleiders de beschikbare steun erg zorgvuldig beheren. Wie zich niet gedraagt als een goede huisvader, valt in ons systeem meteen door de mand.

Is het enthousiasme van de initiatiefnemers nog altijd even groot als bij de opstart van AgriCord?
Persoonlijk vind ik het een bijzondere prestatie dat die landbouworganisaties ook in moeilijke tijden oog blijven hebben voor hetgeen zich elders in de wereld afspeelt. Dat ze er ook tijd en geld in steken, is niet altijd makkelijk uit te leggen aan de achterban. Maar toch is er nog nooit enige aarzeling geweest. De Europese boeren stonden, met goede redenen, de voorbije maanden bijna alle dagen op straat, maar ze hebben hun engagement om collega’s in ontwikkelingslanden te steunen op geen enkel ogenblik in vraag gesteld.

Wat is u de voorbije jaren bij de landbouworganisaties in arme landen het meest opgevallen?
Eigenlijk ben ik het meest getroffen door het feit dat de betrokkenen bij al onze projecten voor meer dan veertig procent bestaan uit vrouwen. Ze staan veel verder dan men wel eens denkt, en dat is mooi. Op het niveau van de besluitvorming in landbouworganisaties zijn vrouwen nog wel ondervertegenwoordigd, maar dat is niet alleen in ontwikkelingslanden het geval.

Wat is tot hiertoe de mooiste verwezenlijking van AgriCord?
De manier waarop de boerenorganisaties er in Senegal en Mali in geslaagd zijn om zich met steun van hun collega’s uit onder meer Frankrijk te mengen in de totstandkoming van nieuwe landbouwwetten, is hartverwarmend. In twee à drie jaar tijd hebben zij er zich zo sterk gemanifesteerd dat men ze niet meer over het hoofd kan zien. Deze ervaring wordt nu gebruikt in Ivoorkust, Burkina Faso en Benin. En in Zambia is de National Farmers Union uitgegroeid tot een erkende gesprekspartner van de regering. De lokale boeren kunnen er de eigen overheid veel sterkere signalen geven dan pakweg de FAO of Oxfam. En op lokaal niveau heeft de National Farmers Union gezorgd voor grotere volumes contractteelt bij boeren voor katoen en voor tabak, onder verbeterde voorwaarden.

Slotvraag: bent u tevreden met de benoeming van Karel De Gucht als eurocommissaris voor Handel?
Dat is een liberaal, hé. Boerenorganisaties zijn vragende partij voor beter werkende markten, niet voor vrije markten zonder meer. Ik had De Gucht dus liever op een ander departement gezien. Bijvoorbeeld op ontwikkelingssamenwerking. Daar zorgen liberalen dikwijls voor vernieuwing.

 

bron eigen verslaggeving