InterviewIgnace Deroo - Boerenbond

Verstuur naar een vriend(in)

"Met natuursector valt niet te praten over wildschade" (12/10/2009)

Het jachtseizoen is weer geopend. De boeren zijn er niet rouwig om, want het fenomeen van de wildschade grijpt steeds driester om zich heen. Om dit aanvoelen te staven met feiten en cijfers organiseert Boerenbond een enquête. "Met de resultaten zullen we opnieuw naar de politiek stappen", zegt consulent Ignace Deroo, die het dossier van de wildschade beheert. De natuurverenigingen blijken op dit terrein geen gesprekspartner te zijn.


Bestaan er betrouwbare ramingen over de omvang van de wildschade in Vlaanderen?
Ignace Deroo: Waterdichte cijfers hebben we niet. Wel werden in het verleden al een aantal enquêtes georganiseerd, waardoor we relatief goed weten welke gewassen ten prooi vallen aan welke soorten wild. Daar kan je vervolgens een raming aan vastknopen. Ik ben ervan overtuigd dat het op jaarbasis om meer dan één miljoen euro gaat, verspreid over heel Vlaanderen.

Welke soort schade komt het meest voor?
Nog vóór de oogst kan wildschade optreden waardoor het aantal oogstbare planten daalt. Jonge plantjes kunnen aangepikt worden waardoor ze onvoldoende kunnen uitgroeien. Als in de witloofteelt her en der plantjes uitgetrokken worden, ontwikkelen de overblijvende planten bovendien een dikkere wortel die niet conform is aan de kwaliteitsvereisten. Op die manier zit je dus met dubbele schade. En daarnaast treedt natuurlijk ook schade op tijdens de oogstperiode, wanneer gewassen zoals granen en erwten gewoon opgegeten worden.

Welke diersoorten moeten boeren en tuinders het meest vrezen?
Uit onze enquêtes blijkt dat de houtduiven en een aantal verwilderde soortgenoten een pak schade aanrichten. Ze komen voor in heel Vlaanderen, ook in de steden. Een meer lokaal fenomeen zijn de problemen met ganzen. Delen van West- en Oost-Vlaanderen moeten leren leven met zowel ganzen die hier het hele jaar verblijven als met winterganzen, die vooral grassen en graangewassen teisteren. We kampen ook met exotische en verwilderde ganzen, die meestal vanuit gevangenschap bij hobbyisten de natuur ingetrokken zijn, met alle gevolgen van dien.

Hoe groot is de schade die aangericht wordt door andere diersoorten zoals kauwen, everzwijnen en konijnen?
De schade door konijnen is ingedijkt. Lokaal en tijdelijk doen zich nog wel problemen voor, maar het is geen algemeen verschijnsel. Een aandoening zoals de dikkebuikenziekte houdt de konijnenpopulatie in evenwicht. Het aantal hazen is de jongste tien jaar wel toegenomen, maar grote problemen levert dat niet op. Ook de everzwijnen zijn in opmars. Ik heb wel de indruk dat hun aantal stilaan stabiliseert, maar eigenlijk heeft niemand er een goed beeld van. Zo’n beest heeft maar één nacht nodig om een heel maïsperceel om te woelen. Heel veel in het nieuws zijn vossen, maar in de agrarische sector moeten alleen kippenboeren met buitenuitloop hier wakker van liggen. Kraaiachtigen, zoals de kauw, zorgen daarentegen voor steeds meer schade omdat ze onder meer maïskolven en plastiek kapot pikken en jonge maïsplantjes uittrekken. En dan zijn er nog de ratten, die zowel bij boeren als particulieren kunnen toeslaan. De bestrijding van de muskusrat lijkt vruchten af te werpen, maar de zwarte en bruine rat zijn een ander paar mouwen. Dit dossier valt evenwel buiten de jachtwetgeving.

De wildschade lijkt een groeiend probleem te zijn. Hoe komt dat?
Er zijn meerdere factoren die de wildgroei van een aantal diersoorten in de hand werken. De klimaatverandering zorgt voor minder strenge winters, waardoor het voedselaanbod in die periode toeneemt en minder dieren omkomen door ontbering. Ook de evolutie van de gewassen op ons landbouwareaal heeft een niet te onderschatten impact. Zo zijn duiven verzot op teelten zoals koolzaad, kolen, en op de maïspercelen worden wekenlang honderdduizenden hongerige magen van houtduiven gevuld. Een ander aspect is de strenge wetgeving. Sinds 1 september mag de kauw bestreden worden, maar we hebben daar jarenlang voor moeten ijveren terwijl de populatie jaar na jaar toenam. Om je trouwens een idee te geven over de stijgende aantallen: het afschot van houtduiven is in Vlaanderen van 2001 tot 2007 verdubbeld van 250.000 stuks tot een half miljoen.

Is de wetgever te laks?
De politici leggen hun oor natuurlijk ook te luister bij natuurbeschermers. Ik heb daar geen moeite mee, zolang de economische realiteit niet genegeerd wordt. Wanneer zich in een fabriek een technisch mankement voordoet, wordt dat meteen opgelost. Ook de landbouw is een productieapparaat dat enkel kan overleven wanneer het eindproduct voldoende rendement oplevert. Dat vergeet men wel eens. De sector wordt momenteel in zoveel verschillende dossiers onder druk gezet dat we er als landbouworganisatie op zijn minst over moeten waken dat de teelttechnische resultaten blijven wat ze zijn. De buitenwereld moet dat begrijpen, net zoals de boeren respect moeten opbrengen voor de natuur waarin ze werken. Samen met de jagers gaan we de beleidsmakers erop wijzen dat de slinger tussen landbouw en natuur een beetje te veel naar de groene zijde is doorgeslagen.

Maar door hun teeltkeuze werken dus ook de landbouwers wildschade in de hand?
De verschuiving van teelten volgt een economische logica, die niemand kan tegenhouden. Ik wil overigens gerust toegeven dat het verdwijnen van bepaalde dieren en de wildgroei van andere soorten voor een stuk kan toegeschreven worden aan de monoculturen. Maar er zijn nog andere elementen die de biodiversiteit verstoren. Zo zijn er steeds meer vossen en kraaiachtigen die de nesten inpikken van zangvogels. En ook de evolutie van de pesticiden speelt een rol: vroeger werden veel schadelijkere gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, die bovendien in veel grotere volumes werden aangewend. Door het verbod op de meest giftige producten kunnen veel meer dieren overleven. Dat geldt zeker voor de houtduif.

In welke mate zijn de landbouwers zelf in staat om wildschade te voorkomen?
In het jachtdecreet van 1991 staat letterlijk dat elke grondgebruiker verondersteld wordt zijn gewassen te beschermen. Er werden in het verleden heel wat technieken ontwikkeld. Na de vogelverschrikker zijn de kanonnen gekomen omdat die hetzelfde lawaai maken als een geweerschot. De dieren herkennen dat geluid, en zolang ze de associatie maken met een geweer is een kanon effectief. Het komt er dus op aan om tussen de kanonschoten door regelmatig eens een duif af te schieten. Dat is een erg efficiënte methode, maar helaas wordt het kanon al een tiental jaren in vraag gesteld vanwege geluidsoverlast.

Dus zijn de boeren en tuinders opnieuw op zoek gegaan naar alternatieven.
Er bestaat een lange lijst van afschrikmiddelen. Boeren kunnen goed getrainde roofvogels inzetten of cd’tjes met het geluid van die dieren afspelen in hun velden, waarbij echter opnieuw geluidsoverlast dreigt. Tegen lopende dieren kunnen boeren afsluitingen plaatsen en tegen vliegende dieren kunnen die gecombineerd worden met een of andere vorm van dakbedekking. Voor bloemkolen wordt dat meer en meer gedaan, maar bijvoorbeeld voor erwten is het sop de kool niet waard. Er zijn ook moderne vogelverschrikkers, in de vorm van een plastieken pop waarin lucht geblazen wordt. Door fluorescerende kleuren te gebruiken, eventueel in combinatie met een zwaailicht of geluid, valt zoiets wel op. Ook het zoevend geluid van gespannen linten kan helpen. Maar als je daarnaast woont, is dat ook niet alles. Bovendien zijn de meeste middelen slechts tijdelijk effectief, tot gewenning optreedt bij de dieren. En van zodra een populatie te groot wordt, helpt er geen lievemoederen meer aan.

Dan helpt alleen nog bejaging.
Populaties moeten inderdaad binnen aanvaardbare aantallen blijven. Het steeds terugkerende discussiepunt is natuurlijk hoe groot die aantallen precies moeten zijn. Het spreekt vanzelf dat die voor ons lager liggen dan het geval is bij natuurverenigingen. En dan is er ook nog het debat over de manier waarop die aantallen bereikt kunnen worden. Voor Canadese ganzen werd in het verleden voorgesteld om nesten te zoeken tijdens de broedperiode en vervolgens de eieren te schudden zodat de voortplanting afgeremd wordt. Op bepaalde plaatsen hebben boeren dat ook een tijdlang gedaan. Wat ze niet wisten, is dat het slaagpercentage van dat schudden slechts negentig procent bedraagt. Dus kwam uit één van elke tien eieren alsnog een kuiken dat geen concurrentie ondervond van andere pasgeboren dieren en alle aandacht kreeg van de ouderdieren. Aangezien een gans tien à twaalf jaar kan leven en elk jaar eieren uitbroedt, is het onmogelijk om op die diervriendelijke manier de populatie onder controle te houden.

Voor diersoorten zoals het everzwijn of de houtduif zijn de jagers in principe verantwoordelijk voor het vermijden van wildschade. In welke mate lukt dat?
De jagers zijn op basis van het jachtdecreet verantwoordelijk voor bijna veertig soorten wild, maar daarvan zijn er slechts veertien effectief bejaagbaar. Naast everzwijnen en houtduiven gaat het ook om vossen, fazanten, reeën, patrijzen, edelherten, damherten, moeflons, hazen, konijnen, wilde eenden, grauwe en Canadese ganzen. Indien deze diersoorten gewasschade veroorzaken zonder dat de jagers actie ondernemen, kunnen ze hierop aangesproken worden door de landbouwers. Maar dat gebeurt in de praktijk zeer weinig omdat in de wetgeving nergens limieten of cijfers vermeld staan.

Hoe is het in het algemeen gesteld met de relatie tussen landbouwers en jagers?
Ik stel vast dat er op heel wat plaatsen een goede interactie is. Als boeren met problemen worstelen, pikken jagers daar meestal heel gretig op in. Maar ik steek niet onder stoelen of banken dat er ook gebieden zijn waar de samenwerking minder goed verloopt. Er zijn nog altijd jagers die ervan uitgaan dat ze een hobby bedrijven, zonder meer. Een tijdverdrijf dat je bij wijze van spreken deze week doet, maar volgende week en de week daarna misschien niet. Zo werkt het natuurlijk niet, want jager zijn is niet alleen een recht, maar ook een plicht. Van een moderne jager mag je op zijn minst verwachten dat hij de nood erkent van het beheer van wildpopulaties. In Frankrijk lukt dat nog altijd iets beter dan bij ons.

Waarom?
Bij onze zuiderburen zijn jagers vaak landbouwers, die maar al te goed weten wat ze moeten doen om hun tarwe, koolzaad en zonnebloemen te beschermen. In Vlaanderen is naar schatting vijf à tien procent van de jagers actief in de boerenstiel. Dat percentage is de jongste jaren weliswaar gestegen als gevolg van de nieuwe wapenwet. Vroeger knalden veel landbouwers tussendoor wel eens met hun hagelgeweer, maar het bezit en gebruik van dergelijke jachtgeweren is vandaag niet meer toegelaten voor particulieren.

Wat kan er gebeuren om de samenwerking tussen boeren en jagers nog te verbeteren?
Begrijp me niet verkeerd: over het algemeen zijn we zeer tevreden over de huidige samenwerking. We moeten er ook mee rekening houden dat jagers niet meer over dezelfde middelen beschikken als voorheen. Ik geef een eenvoudig voorbeeld: met loodhagel konden ze vroeger duiven afschieten van op een afstand van vijftig meter. Om milieuredenen moeten ze het vandaag stellen met staalhagel die minder zwaar weegt, waardoor ze nog slechts van op veertig meter dodelijk kunnen treffen. Dat maakt de jacht er natuurlijk niet gemakkelijker op.

In februari werd een nationaal afschietweekend voor houtduiven georganiseerd, waarbij veel ongenoegen opborrelde bij natuurverenigingen.
Ik sta zelf aan de wieg van dat initiatief, maar het dateert niet van gisteren, hé. Jaren geleden werd het opgestart in samenwerking met de wildbeheereenheid Baekeland die actief is in de streek van Roeselare, waar heel wat fijne groenten geteeld worden. Het gebeurde telkens op een zondag, ergens eind mei, met een erkenning voor ‘bijzondere bejaging’ aangezien die datum buiten het reguliere jachtseizoen valt. Intussen bleef het proefcentrum van Beitem sleutelen aan schaderamingen en alternatieve afweersystemen, maar finaal moesten de onderzoekers erkennen dat bijkomende bejaging onvermijdelijk is. Daarop heeft het West-Vlaamse provinciebestuur beslist om in het voorjaar van 2008 voor het eerst een duivenweekend te organiseren. Voor de editie van dit jaar werden ook de andere provincies vanuit Boerenbond benaderd, en dat is behoorlijk gelukt.

Waarom is de datum voor het massaal afschieten van de houtduiven verhuisd naar eind februari?
Omdat we dan enerzijds nog net in het jachtseizoen zitten en anderzijds het risico inperken op het afschieten van duiven die deelnemen aan de seizoenstrek. We willen enkel de duiven afschieten die bij ons broeden. Daarom zou het vanuit natuuroogpunt beter zijn om de bejaging mogelijk te maken tot eind maart, zodat de jagers het onderscheid tussen blijvers en trekkers nog selectiever kunnen maken.

Maar is het na de kritiek van vorig jaar nog opportuun om zo’n weekend te organiseren?
Officieel staat het nog niet vast dat het volgend jaar opnieuw doorgaat, maar de kans is heel groot. Als het van mij of van de jagers afhangt, is er geen twijfel mogelijk.

Hebben de initiatiefnemers hierover gepraat met de natuurverenigingen?
Is dat nodig? Dit jaar hebben we voor het eerst ruchtbaarheid gegeven aan het afschietweekend, en ze hebben die meteen misbruikt omdat ze de jacht liever kwijt dan rijk zijn. Geen enkele boer of jager wil dat diersoorten verdwijnen, maar bij de natuurbeschermers zijn velen van oordeel dat de dieren geen strobreed in de weg mag gelegd worden. Op basis van ervaringen uit het verleden ben ik tot de vaststelling gekomen dat het bijzonder moeilijk is om met deze mensen tot afspraken te komen.

Boerenbond en Natuurpunt kunnen het tegenwoordig nochtans goed vinden met elkaar.
Dat is zo, maar wildschade is een onderwerp dat niet op de agenda staat. Nochtans doet men er in groene middens goed aan om te erkennen dat sommige zaken scheefgroeien, zo niet krijgen ze vroeg of laat in hun eigen natuurgebieden de boemerang in het aangezicht.

Op sommige diersoorten zoals kolganzen en kleine rietganzen is de jacht permanent verboden. En soms verschuilen dieren zich in zones waar omwille van het natuurbehoud niet gejaagd mag worden. Een moeilijk geval?
Schade door niet-bejaagbaar wild of wild uit natuurgebieden moet vergoed worden door het Minafonds. Zo staat het tenminste in het jachtdecreet van 1991. In de praktijk werden aangegeven schadegevallen steevast doorgeschoven naar de Vlaamse overheid, die vervolgens een rechtszaak opstartte tegen de gedupeerde boeren. Die kregen uiteindelijk wel gelijk van de rechter, maar de procedure sleepte twee of drie jaar aan. Daarom werd een wetsvoorstel ingediend om wildschade administratief te vergoeden. Jarenlang heeft Boerenbond aan de boom geschud, en dit voorjaar heeft de Vlaamse regering eindelijk ook de uitvoeringsbesluiten van het nieuwe decreet goedgekeurd. Er zijn voorlopig nog geen schadegevallen behandeld op basis van de nieuwe regeling, maar ik heb er niet veel vertrouwen in.

Hoezo?
Om een administratieve vergoeding te kunnen krijgen, moeten boeren eerst de bestrijding van het wild aangevraagd hebben. Dat klinkt wel heel vreemd indien de schade berokkend werd door niet-bejaagbaar wild. Die bepaling moet dus uit de wetgeving geschrapt worden.

Dit voorjaar heeft de Vlaamse regering ook het soortenbesluit goedgekeurd. Is dat belangrijk voor de boeren en tuinders?
Eigenlijk niet, want alles wat met de jacht te maken heeft, wordt geregeld via het jachtdecreet. Wel is het zo dat een aantal diersoorten die gewasschade veroorzaken daarin niet vermeld worden. Het gaat meer bepaald om de zwarte kraai, kauw, spreeuw, Vlaamse gaai en ekster. Nieuw is dat de kauw voortaan het hele jaar door mag geschoten worden, terwijl dat voor de Vlaamse gaai niet langer het geval is. Het is een zaak van geven en nemen.

Momenteel probeert Boerenbond met een enquête de wildschade nog maar eens in kaart te brengen. Op de website schrijven jullie ook dat het de bedoeling is om met dit dossier opnieuw naar de wetgever te stappen.
De dataverzameling is echt wel nodig. Op de website van het Nederlandse faunafonds vind je lijsten van tientallen bladzijden met gewassen, aangevraagde vergoedingen en uitbetaalde schade. Zoiets hebben wij niet. Maar dat zal ons niet verhinderen om met een aantal eisen naar Brussel te trekken. Zo dringen we voor de houtduif aan op een verlenging van de normale bejaging van eind februari tot eind maart, de bijzondere bejaging moet versoepeld worden en de mogelijkheden om soorten zoals het everzwijn aan te pakken, moeten verruimd worden.
 

 

bron eigen verslaggeving