nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


15.04.2007  Investeerders lusten Vlaamse ggo-rijst

Op Euronext Brussel werd de aandelenhandel van biotechbedrijf Devgen enkele weken geleden opgeschort vanwege buitengewone groeicijfers. Wat later verhoogde het bedrijf zijn kapitaal moeiteloos met 31 miljoen euro. Toch opmerkelijk voor een bedrijf dat tot hiertoe alleen kosten maakte. Rond 2010 zou Devgen zijn eerste producten commercialiseren waar ook Vlaamse boeren plezier aan kunnen beleven.

De Gentse onderzoeker Thierry Bogaert was oorspronkelijk een fruitvliegspecialist, maar bekeerde zich in 1987 tot de worm. Hij trok naar Cambridge, Signapore en Gent om er zich volledig te verdiepen in de Caenorhabditis elegans, het best gedocumenteerde meercellig organisme ter wereld. In de hele wereld lopen er misschien duizend mensen rond die van dit minuscule wormpje hun specialisatie maakten, maar Bogaert was de enige die er ooit aan dacht om de commerciële brug te slaan tussen deze worm en bepaalde ziekteprocessen. Interessant is dat de mens op genetisch vlak bijna een kopie is van de worm. Het genoom van het diertje is bovendien bijna volledig ontrafeld en de worm is transparant, waardoor alle aspecten van de biologie en de ontwikkeling na mutatie in vivo kunnen bekeken worden. Het gaat dus om het gedroomde proefdier.

Op een dag trok Bogaert met zijn ontdekkingen naar Janssen Pharmaceutica. Met dit farmabedrijf startte hij een zoektocht naar bruikbare componenten voor geneesmiddelen, waarbij het bewuste wormpje ingezet werd. De onderzoeker slaagde erin om vanuit de ontdekking van een biochemisch pad in het dier een volledig nieuwe therapeutische molecule te ontwikkelen. Sleutel tot het succes van dit onderzoek was de zogeheten RNAi-technologie waarmee bepaalde genen in een organisme kunnen stilgelegd worden door de juiste stukjes genetische informatie in cellen binnen te smokkelen. Daardoor kan het RNA bepaalde eiwitten niet langer tot expressie brengen. Dat is handig om bepaalde ziekten af te remmen, of om schadelijke insecten te bestrijden. In 1997 achtte Bogaert in elk geval de tijd rijp om met 7,5 miljoen euro risicokapitaal Devgen op te richten.

Vandaag telt Devgen in zijn vestigingen in Zwijnaarde en Signapore ruim honderd medewerkers die in 2006 samen voor een omzet van 9,3 miljoen euro zorgden, een daling van vijftien procent in vergelijking met een jaar eerder. Dat was evenwel geen verrassing, want in 2005 werd de omzet met 2,5 miljoen euro uitzonderlijk beïnvloed door de vervroegde beëindiging van een contract met chemiereus FMC. Het nettoverlies bedroeg vorig jaar 9,5 miljoen euro, terwijl dat in 2005 nog maar 3,5 miljoen euro was. Een gevolg van de kosten voor onderzoek en ontwikkeling die met dertig procent stegen tot 14,8 miljoen euro. Naar eigen zeggen zit Devgen perfect op koers. Terwijl de historische aandeelhouders – met name het Angelsaksische Abingworth Biosciences, GIMV, KBC Private Equity, Biotech Fonds Vlaanderen, Mercator Verzekeringen, Rendex en LSP uit Amsterdam – onlangs ruim de helft van hun belang verkochten om de volatiliteit van de aandelen te verhogen, stonden nieuwe kapitaalverschaffers in een lange rij aan te schuiven. “Door de grote interesse kon Devgen zelf kiezen voor kwaliteitsvolle investeerders”, liet Bogaert zich ontvallen. “We hebben in het verleden dan ook al onze beloften waargemaakt en in alle niches vooruitgang geboekt”.

Gat in de markt. In de beginjaren profileerde het biotechbedrijf zich als dienstverlener voor bedrijven zoals FMC die op zoek waren naar nieuwe chemische componenten voor hun bestrijdingsmiddelen. Devgen had de technologie gepatenteerd om via de C. elegans dergelijke bestanddelen op een zeer snelle en efficiënte manier te testen op hun effectiviteit. Maar na enige tijd groeide de ambitie om zelf nematiciden te ontwikkelen. Dat zijn chemische producten die de strijd aanbinden tegen nematoden, aaltjes die wereldwijd de wortels van een groot aantal gewassen beschadigen en dus verantwoordelijk zijn voor een fameus verlies aan kwaliteit en opbrengst. Dat geldt voor teelten zoals suikerbieten en aardappelen, maar evengoed voor groenten. Buiten Europa mikt Devgen met zijn nematiciden vooral op de bananenteelt.

Een hele reeks nieuwe componenten werd uitgetest op de C. elegans, waarna de meest belovende substanties verder onderzocht werden in potplanten. Op basis van die resultaten werden in 2005 de eerste testen op proefvelden uitgevoerd. De resultaten vielen zo goed mee dat er intussen ook proeven plaatsvonden in onder meer Nederland, Groot-Britannië, Spanje, Italië, Japan, de VS en de Filippijnen. Ruim 120 testen zijn momenteel achter de rug. Het is de bedoeling dat volgend jaar een aantal erkenningdossiers worden ingediend bij Europa. Bij Devgen hoopt men dat in 2010 het licht eindelijk op groen staat om de eerste producten te commercialiseren. Omdat het niet rendabel is om voor een zeer beperkt gamma bestrijdingsmiddelen een distributienetwerk uit te bouwen, is het bedrijf voor de verkoop van zijn nematiciden nog op zoek naar een geschikte partner.

Staan de land- en tuinbouwers te springen om dergelijke producten te gebruiken? “De markt van de nematiciden is de voorbije jaren gekrompen doordat diverse middelen op de zwarte lijst van Europa zijn beland. Het meest bekende voorbeeld is dat van methylbromide, een populaire grondontsmetter in de tuinbouw die door zijn schadelijke gevolgen voor de ozonlaag sinds vorig jaar niet meer mag gebruikt worden. Een alternatieve techniek voor glastuinders is bodemverhitting, maar dat is een erg dure aangelegenheid”, zegt communicatieverantwoordelijke Monika Van Den Haute. Het geloof in de eigen producten is alleszins groot. Ze zouden even efficiënt zijn als de middelen die momenteel beschikbaar zijn op de markt, terwijl ze een veel milieuvriendelijker profiel hebben. De residuanalyses liggen in de lijn der verwachtingen, zo stelde Devgen onlangs in een persbericht. Meer commentaar wil het bedrijf voorlopig niet kwijt. “Eenmaal de dossiers ingediend zijn, heeft Europa het laatste woord. We hebben er wel alle vertrouwen in”, luidt het.

Big Brother. Niet alleen investeerders kloppen bij Devgen aan de deur, ook de meest gerenommeerde bedrijven in het wereldje van de groene biotechnologie kennen de weg naar het Technologiepark in Zwijnaarde. Een overeenkomst met Pioneer werd vorig jaar verlengd. Belangrijker is een nieuw vijfjarig samenwerkingsakkoord met Monsanto. Afgesproken werd dat het Amerikaanse chemieconcern de genregulatie van Devgen mag gebruiken voor onderzoek naar ggo-toepassingen voor klassieke teelten zoals maïs, sojabonen en katoen. In ruil gaat Monsanto vijf jaar lang onderzoeksprogramma’s van Devgen sponsoren en daarnaast mag de Gentse firma de knowhow van Monsanto aanwenden bij de ontwikkeling van genetisch gewijzigde rijst. “Specifiek voor de Indische markt willen we graag leverancier worden van zaad en biotechkenmerken van rijst. De opbrengst van de gebruikte rijstvariëteiten in dat land zijn momenteel nog ondermaats, waardoor een nog grote productieverhoging mogelijk is”, aldus Van Den Haute.

Om de geschikte hybride te ontwikkelen, heeft Devgen vorig jaar een veredelingsprogramma opgestart in Kenia. De resultaten heten “veelbelovend” te zijn. Met klassieke selectiemethodes wordt naar de juiste variëteit gezocht. Eenmaal die voorhanden is, zullen insectenresistente biotechcomponenten in de nieuwe rijstvariëteit ingebouwd worden. Bij dat hele proces kan het bedrijf rekenen op de diensten van de Indiër Gurdev Khush, die eerder aan het hoofd stond van het fameuze Rice Research Institute in de Filippijnen. Om de rijst vervolgens met succes te introduceren op de Indische markt bestudeert Devgen ter plaatse kansen op een joint-venture of bedrijfsovername. “Door de samenwerking met Monsanto kan dit project in een stroomversnelling raken”, klinkt het optimistisch.

Voor de eerste commerciële inkomsten wordt niettemin uitgekeken naar het project met de nematiciden. Wordt 2010 het sleuteljaar voor Devgen? “Zo scherp mag je het niet stellen. Daarvoor heeft Devgen een veel te brede basis”, zegt Van Den Haute. “Vergeet niet dat we ook werken aan toepassingen in de humane geneeskunde. Daar hebben we tot hiertoe relatief weinig over gecommuniceerd. Bij de screening hebben we interessante kandidaat-geneesmiddelen gedetecteerd, maar we moeten nog het stadium van de preklinische proeven afwerken. Pas daarna kunnen we die kennis verhuren aan de farmaceutische industrie”. Voor Devgen komt het grote examen in elk geval steeds dichterbij…

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via