nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


15.05.2007  Jan Vannoppen voortaan eco-actief bij Velt

Velt heeft een opmerkelijke vis aan de haak geslagen. Jan Vannoppen stapt na meer dan 20 jaar engagement voor ontwikkelingssamenwerking over naar de ecologische beweging. Toevallig heette de slogan van zijn laatste campagnedossier bij Vredeseilanden ‘Ik ben verkocht’. Maar de landbouwsector is nog niet verlost van zijn kritische kijk op de voedselproductie. Een portret.

45 jaar geleden werd Jan Vannoppen geboren in Winksele, een deelgemeente van Herent. Vader was bouwvakker, maar na zijn werkuren kweekte hij net zoals zovele anderen in de streek het witte goud. “Ik heb mijn jeugd doorgebracht tussen het grondwitloof”, mijmert Vannoppen. “Zo heb ik van dichtbij meegemaakt hoeveel kleine boeren er mettertijd de brui moesten aan geven. Aan het eind van mijn humaniora was de boerderij van mijn ouders hetzelfde lot beschoren”. Het weerhield de jonge knaap er niet van om te gaan studeren aan de Leuvense landbouwfaculteit. Vannoppen stak er een diploma met specialisatie fytotechniek en tropische landbouw op zak. Dat hebben ze in Afrika geweten.

Out of Africa. Samen met zijn kersverse echtgenote ging de pas afgestudeerde Vannoppen aankloppen bij de eerste de beste ngo, en het plan lukte: het jonge koppel werd op missie gestuurd naar Congo. Jan Vannoppen zou er lesgeven aan een landbouwschool, maar daar kwam weinig van in huis. Wel mocht hij zich als een soort teeltvoorlichter bezighouden met de kweek van varkens en tilapia, en met de promotie van rijst. Op die manier beleefde de jonge wereldverbeteraar zijn eerste cultuurshock: “De lokaal gekweekte rijst was van goede kwaliteit, maar er was geen wegeninfrastructuur aanwezig en dus ook geen afzetmarkt. De dichtstbijzijnde grote stad Kananga lag vijfhonderd kilometer verderop. Daar werd alleen goedkope rijst gegeten, ingevoerd uit nota bene Thailand”. Vannoppen raapte zijn moed bij elkaar en op een gammel brommertje reed hij honderd kilometer noordwaarts naar een godvergeten koloniaal onderzoeksstation dat de Belgen er destijds exploiteerden. “Op grote velden werd daar nog altijd uitstekend zaaigoed vermeerderd, maar bij gebrek aan middelen gebruikten de lokale boeren dat alleen maar om zelf op te eten”. Vannoppen laadde een zak zaad op zijn brommer om een emmertje te kunnen uitdelen aan de boeren waarmee hij samenwerkte. Tenminste, dat gebeurde op voorwaarde dat ze na de oogst drie emmers van die rendabele variëteit zouden teruggeven.

Het idealisme dreef de jonge Vannoppen tot het uiterste. In zijn verblijfplaats zonder elektriciteit en stromend water raakte hij tijdens het droogteseizoen ondervoed. “We konden gelukkig ergens petroleum kopen om die te ruilen voor kippen”. Zijn levensstandaard steeg pas aanzienlijk toen hij in 1987 overstapte naar een ontwikkelingsproject van het toenmalige Coopibo in Zimbabwe. In de eerste jaren na de onafhankelijkheid mochten de blanke grootgrondbezitters hun boerderijen nog tien jaar onbezorgd runnen. Vannoppen kreeg de opdracht om de landbouwadviezen van de nationale voorlichtingsdienst toegankelijk te maken voor de zwarte boeren in hun zogezegde thuislanden. “Waar de rode kleigronden overgingen in grijsachtige zandbodems zag je de hutjes en kleine percelen van de zwarten opduiken. Op hun marginale gronden raakten de boeren niet ver met het officiële bemestingsadvies. We leerden hen bijvoorbeeld stalmest gebruiken en pasten erosiebestrijding en agroforestry toe”. Vannoppen werkte er samen met een centrum voor volwassenenvorming dat de ‘pedagogie van de onderdrukte’ van Paulo Freire in de praktijk bracht: het volstaat niet om mensen in nood landbouwadvies te geven, het komt er in de eerste plaats op aan om hen een bewustmakingsproces te laten doormaken, waardoor de onderdrukte opnieuw zelfrespect krijgt en iets kan opbouwen. Zo luidt althans de theorie.

Dicht bij huis. In 1993 keerde de familie Vannoppen terug naar België. Later zou het onteigeningsbeleid van de Zimbabwaanse dictator Robert Mugabe mede als gevolg van de stugge houding van de blanke boeren langzaam escaleren. Op dat ogenblik trok Jan Vannoppen naar Vlaamse landbouwscholen om er zijn Afrikaanse ervaringen op het vlak van socio-cultureel ontwikkelingswerk toe te passen. “Coopibo nam de beslissing om niet alleen ver van huis aan duurzame landbouw te werken. En dus ben ik onder meer naar Tongeren, Merelbeke en Anderlecht getrokken om er met leerlingen van het middelbaar landbouwonderwijs praatsessies te houden over hun latere beroepscarrière. Het was schrijnend om vast te stellen hoe zwaar de uitzichtloosheid op hen woog. Ze associeerden de boerenstiel met hard werken voor een mager loon, vreesden geen partner te vinden en zaten met het slechte imago van de landbouw in hun maag”.

In die periode was Vannoppen er al van overtuigd dat diversificatie en multifunctionaliteit voor veel landbouwbedrijven een extra inkomen kunnen opleveren. Eind jaren negentig voerde hij in samenwerking met de universiteiten van Gent en Aarlen een onderzoek uit naar lokale voedselnetwerken in ons land. Vannoppen: “Uitgangspunt was de verwonderding dat dertig jaar landbouwbeleid in de Europese Unie toch niet geleid had tot eenheidsworst. Naast de klassieke afzetkanalen voor bulkproducten slaagden boerenmarkten, lokale vleesfilières en coöperatieve kaasmakerijen er nog altijd in om te overleven. De studie mondde uit in een doctoraat over de motivatie van consumenten om voeding aan te kopen in plaatselijke netwerken die toegevoegde waarde beloven. Blijkt dat de onzekerheid een belangrijke factor is: hoe groter het wantrouwen, hoe dichter bij huis de consument zijn heil zoekt. Als bedrijfsreclame of zelfs een label niet langer geloofwaardig zijn, zoeken mensen hun toevlucht tot lokale voedselcircuits, desnoods kopen ze dan rechtstreeks bij de boer”.

Kussen voor boeren. Met de resultaten van zijn doctoraatsstudie in de hand was Vannoppen maar al te blij dat hij in 1996 samen met een aantal partners aan de wieg had gestaan van de Voedselteams, een project waarbij boeren de bestellingen van consumenten leveren in een centraal depot. Meer dan tien jaar na de opstart zijn over het hele land 87 Voedselteams actief, maar Vannoppen zit met een dubbel gevoel: “De Voedselteams zijn teveel een experiment gebleven dat moeite heeft met de opstap naar een grootschaligere aanpak. Het intermediaire afhaalpunt zorgt voor een pak administratie en geeft wel eens aanleiding tot logistieke misverstanden. Supermarkten vermijden dat door de online bestellingen bij de individuele klant thuis te leveren. Maar hoe kunnen Voedselteams ooit zo’n systeem laten renderen? Uiteindelijk is het nog altijd de bedoeling dat de deelnemende boeren een eerlijk inkomen overhouden en dus niet al te veel kosten maken”.

De recente bekommernis van de derdewereldbeweging voor het inkomen van de Vlaamse boer is opmerkelijk. Nauwelijks enkele weken geleden organiseerden Oxfam-Wereldwinkels, Vredeseilanden en Max Havelaar in enkele grote steden een kus-actie. Die moest bij de supermarktketens de liefde aanwakkeren voor eerlijke handel en Vlaamse producten. Enkele jaren geleden hakten de ngo’s nog onophoudelijk in op het Europese landbouwbeleid. “De ommekeer is een goeie zaak. Hopelijk krijgt de huidige dialoog een duurzaam karakter. Maar anderzijds moeten mijn ex-collega’s niet overdreven naïef zijn: een landbouworganisatie blijft een vakbond die ledenbelangen verdedigt. Soms kan je lang onderhandelen zonder resultaat te bereiken”. Vannoppen herinnert zich debatten van tien jaar geleden over de afschaffing van de exportsubsidies. “Dat ze in 2013 eindelijk verdwijnen? We zullen zien”. Nog veel meer ontstemd is hij over de stugge houding van Baudouin Velge, spreekbuis van de distributiesector. Die heeft de idee om alle supermarktketen hetzelfde fairtradelabel te laten gebruiken van tafel geveegd. “Fedis reduceert fair trade tot een mechanisme om slecht gestructureerde boerderijtjes te laten overleven”.

Groene vingers en lekker eten. Toch heeft de directeur van Velt naar eigen zeggen met een goed gevoel afscheid genomen van de derdewereldbeweging. Dankzij de ‘Ik ben verkocht’-campagne zijn 125 gemeenten aan de slag gegaan met het fairtrade-concept. “Het is mooi geweest”. Bij Velt mag Vannoppen zijn managerscapaciteiten etaleren aan het hoofd van een vzw die met twintig medewerkers een jaarbudget van 1,2 miljoen euro spendeert om het ecologisch tuinieren en eten te promoten. Voor zijn inkomsten boort de organisatie vier bronnen aan: de verkoop van eigen boeken, Vlaamse subsidies, projectfinanciering en dan zijn er ook nog de ledenbijdragen. Momenteel telt Velt een 88 lokale afdelingen waarin bijna 12.000 leden actief zijn, waaronder een duizendtal Nederlanders. Dat zijn een pak mensen, maar toch was het ledenaantal enkele jaren geleden hoger. Is de huis-, tuin- en keukenecologie op de terugweg?

“We stellen vast dat ons ledenbestand vergrijst”, antwoordt Vannoppen. Velt is één van de vele organisaties die de milieubeweging bij zijn geboorte in de jaren zeventig gebaard heeft. Het is een geesteskind van een aantal particulieren die 35 jaar geleden het gebruik van bestrijdingsmiddelen zoals DDT begonnen te wantrouwen en samen op zoek gingen naar methoden om in de eigen moestuin zonder chemische middelen en met het juiste bodemevenwicht groenten te telen. De oplossingen werden gebundeld in lijvige handboeken, die tot vandaag vlot van de hand gaan. Eerst kwam de ecologische moestuin aan bod, daarna de ecologische siertuin. “En sinds 2000 heeft Vlaanderen ook aandacht voor het ecologisch beheer van het openbaar groen”, zegt Vannoppen. “Daarbij is Velt een vooraanstaande partner. We hebben onder meer meegewerkt aan het pesticidenreductieplan van de Vlaamse overheid en een praktijkhandboek geschreven voor de gemeenten”.

Ook de ecologische voeding is uitgegroeid tot een belangrijk werkthema. Daarbij ligt de klemtoon op seizoensgebonden consumptie, streekproducten en een gematigd vleesverbruik, ten voordele van groenten. Velt promoot resoluut biologische producten, en die heten absoluut niet verenigbaar te zijn met genetisch gemodificeerde organismen. “Tegelijkertijd merken we bij Velt dat biologische voeding geen antwoord biedt op álle milieuproblemen, bijvoorbeeld verre voedseltransporten of de teelt in gestookte serres. Terwijl deze aspecten wel mee oorzaak zijn van de opwarming van de aarde. Dat krijgt de komende jaren zeker meer aandacht in onze werking”, zegt Vannoppen.

Een vaste waarde op de agenda van bestuursvergaderingen bij Velt is de verdeling van biologische zaden. “Aan een voordelige prijs, ook die van zeer oude rassen”. Er worden ook talrijke cursussen georganiseerd, waarvoor de vereniging een beroep kan doen op een netwerk van een 70-tal lesgevers. Leden kunnen verder ook deelnemen aan infoavonden of workshops over ecologisch koken, aangevuld met de nodige kooklessen. De afdelingen organiseren uitstapjes naar tuinen en natuurgebieden, of richten zelf een stand in op de fleurige tuinbeurzen die in Vlaanderen als paddenstoelen uit de grond rijzen. Slaagt Velt er op dergelijke evenementen in om een jonger publiek aan te spreken? Vannoppen: “Je mag niet vergeten dat het veel makkelijker is om bijvoorbeeld Greenpeace te steunen: je betaalt een bijdrage om vervolgens vanuit de luie zetel te kijken hoe actievoerders de milieuproblemen proberen op te lossen. Lid zijn van Velt is daarentegen een doe-activiteit, we willen dat mensen eco-actief worden, dat ze hun attitude én hun gedrag veranderen. We proberen mensen over de drempel te helpen met makkelijk toegankelijke publicaties en niche-activiteiten. En die aanpak loont: het ledenaantal is sinds begin dit jaar weer aan het stijgen”.

Duidelijke keuzes. In de biologische landbouwsector lijkt de negatieve trend ook gekeerd te zijn. Maar de doelstelling om tien procent van het Vlaamse landbouwareaal biologisch in te kleuren, is nog ver weg. “Natuurlijk liggen we daar wakker van. Dat supermarkten liever grote volumes aankopen in het buitenland is wraakroepend. Want de filosofie achter biologische productie impliceert korte transportafstanden tussen producent en consument”. Bij Velt is men niet van plan om een millimeter af te wijken van de biologische principes. En dus stak Velt de biologische koepelorganisatie BioForum onlangs een handje toe bij het opstellen van een persbericht dat de mogelijke insleep van pesticiden en ggo’s in een Europese verordening over de biologische productie aan de kaak stelde. “Van mij moet je geen donkergroen verwijtend vingertje verwachten. Maar alleen door het biologisch segment zuiver te houden, kan het zijn modelfunctie als duurzame productiemethode blijven waarmaken”.

De land- en tuinbouw is de voorbije jaren trouwens al een pak duurzamer geworden. Voor heel wat belangrijke indicatoren is de milieudruk afgenomen. Is ook voor Jan Vannoppen de tussenbalans voor de agrarische sector positief? “Er zijn serieuze inspanningen geleverd. Maar voor bijvoorbeeld vermesting halen we nog altijd de basisnorm niet. Niet te vroeg victorie kraaien dus. En de drang naar schaalvergroting en intensivering blijft”. Samen met de filmdistributeur heeft Velt in februari een aantal avant-premières georganiseerd van de bioscoopdocumentaire ‘Our Daily Bread’. “Als je die beelden bekijkt, lijkt de voedingssector steeds meer op een industriële autoassemblage waarbij componenten en eindproducten over de hele wereld versleept worden. De West-Afrikaanse kustwateren worden leeggevist om onze katten te voederen, de soja komt in de maag van onze varkens en dat vlees wordt wijd en zijd geëxporteerd. Een wereldwijde agro-industrie brengt veel problemen met zich mee, biedt te weinig mensen een leefbaar bestaan en overbelast onze leefomgeving. De landbouw- en voedingssector heeft nood aan een andere weg. Stukken van die weg bestaan al, maar moeten verder ontwikkeld worden. Daar werkt Velt aan mee”, doceert Vannoppen. De nieuwe directeur voelt zich duidelijk als een vis in het water…

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via