nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


30.06.2007  Kippen beleven geen plezier aan welzijnsrichtlijn

Kippenboeren die aan een reeks normen beantwoorden, zullen vanaf 2010 nog 21 braadkippen per vierkante meter mogen huisvesten. "Deze maatregel verhindert enkel excessen aangezien goede boeren deze dichtheid nooit overschrijden”, weet ethicus Dirk Lips, die er in één adem aan toevoegt dat de kippensector dringend zelf meer moet investeren in onderzoek naar diervriendelijke bedrijfsingrepen. Hoezo?

“Meer dierenwelzijn is een uistekend recept tegen vogelgriepangst”. Deze oneliner orakelde eurocommissaris voor Gezondheid Kyprianou tijdens het voorjaar van 2006, in een ultieme poging om het Commissievoorstel voor meer dierenwelzijn in de braadkippensector over de streep te trekken. De timing was nogal ongelukkig. Zijn leuze verdronk in de besognes van de Europese landbouwministers om hun pluimveehouders te vergoeden voor de ingestorte marktprijzen als gevolg van de consumentenvrees voor het bijna overal in Europa rondwarende H5N1-virus. In het najaar was de vogelgriep eindelijk ingedijkt, maar niettemin haalde ook een Fins compromisvoorstel bakzeil, tot grote tevredenheid van de pluimveehouders.

Pas in mei van dit jaar legden de ministers hun ei: binnen drie jaar geldt een maximale bezetting van 39 kilogram per vierkante meter. Bedrijven kunnen de bezettingsgraad evenwel met drie kilogram opdrijven mits ze aan een aantal voorwaarden voldoen. Eén ervan is dat de mortaliteit gedurende zeven rondes onder de drie procent moet blijven. Bovendien mogen de controlediensten tijdens de laatste twee jaar geen tekortkomingen op het vlak van dierenwelzijn hebben vastgesteld. “De remedie van het minste kwaad”, liet kabinetsraadgever Sophie Dewispelaere zich ontvallen, daarmee verwijzend naar de eerdere voorstellen die een stuk scherper geformuleerd waren. Het ABS vreest niettemin dat de nieuwe normen voor de meeste Vlaamse kippenboeren zullen uitdraaien op een inkomensverlies van 25 tot 30 procent. GAIA spreekt dan weer van “uitgeholde voorwaarden”. Om de ware toedracht te achterhalen, belden we met dierenwelzijnexpert Dirk Lips aan bij pluimveehouder Eric Van Meervenne (48), die ook voorzitter is van de vakgroep pluimvee van Boerenbond.

Kippenfeeling. De kippenboer doorkruiste een kwarteeuw geleden het hele land op zoek naar een valabel leghennenbedrijf, waardoor hij in de voetsporen kon treden van zijn boerende ouders. Hij trok van Deerlijk naar Kasterlee, tot in Itegem. Uiteindelijk stuitte Van Meervenne in het Vlaams-Brabantse Peizegem op negen stallen voor in totaal 130.000 braadkippen. “Het was destijds een regelrecht probleembedrijf. De meesten dachten dat ik met de overname mijn doodvonnis tekende, maar na een moeilijk opstartjaar was de scheve situatie snel rechtgetrokken”, vertelt de veehouder. Het duurde slechts enkele jaren vooraleer de boer een kilometer verderop nog eens drie stallen met een totale capaciteit van 75.000 dieren inplantte. Samen met zijn echtgenote bekommert hij zich vandaag nog altijd over het wel en wee van meer dan 200.000 vleeskuikens. Naar Belgische normen gaat het om een groot bedrijf, met een omzet van ongeveer 1,3 miljoen euro. Twee derde van de kippen kweekt Van Meervenne onder contract, de rest slijt hij op de vrije markt. “Een kwestie van risicospreiding”.

Over de conjunctuur hadden de braadkippenhouders het voorbije jaar niet te klagen: door de vogelgrieppaniek werden in 2006 minder moederdieren opgezet, waardoor het mondiale aanbod van broedeieren en kuikens serieus gedaald is. De goede marktprijzen helpen Van Meervenne om de moeilijke periodes uit het verleden te vergeten. “Tijdens de dioxinecrisis werd ons bedrijf geblokkeerd, waardoor we heel wat kippen moesten vernietigen. Niet zozeer financieel, maar vooral emotioneel was dat een zware klap: ook wij lijden wanneer onze kippen afzien. Als ondernemer leer je omgaan met financiële tegenslagen, maar een bedrijfsruiming is iets anders”. Over welke eigenschappen moet een goede kippenboer beschikken? “Twee totaal verschillende aspecten zijn van belang: enerzijds moet je een goede bedrijfsmanager en onderhandelaar zijn, daarnaast moet je als boer de dieren perfect aanvoelen. Dat is geen wiskunde, maar iets wat je gewoon in de vingers moet hebben. Gemiddeld breng ik nog altijd de helft van mijn arbeidsuren door in de stal”. Wekelijks krijgen de boer en boerin ook nog eens assistentie van de bedrijfsdierenarts. Met zoveel kapitaal in de stallen mag je niets aan het toeval overlaten.

Geen 2pk. Toch loopt het volgens GAIA fameus mis in de Vlaamse braadkippenstallen. Veel dieren zouden lijden aan buikzucht, kunnen zich slechts moeizaam bewegen en zakken door de poten. Eén derde van de kuikens heeft chronische pijnen aan poten en gewrichten. Oorzaak zijn de extreem snelgroeiende rassen die gebruikt worden: de ‘turbokuikens’ moeten immers in zes weken tijd hun slachtgewicht bereiken. Bovendien wordt het strooisel gedurende die zes weken niet ververst. Dat leidt tot hoge concentraties ammoniak, wat ernstige brandwonden aan de poten en borst kan veroorzaken. Bovendien laten kippenboeren de verlichting vaak 23 uur per etmaal branden om de kuikens nog meer te laten eten. Van Meervenne fronst de wenkbrauwen wanneer hij de klachten van GAIA aanhoort: “Mijn kippen hebben helemaal geen last van buikzucht of brandwonden. Dat lichtschema van 23 uur was in het verleden een courante praktijk, maar wordt door steeds meer veehouders verlaten. En dan zijn er nog een aantal aanklachten die te maken hebben met de genetica van de dieren. Daarover valt te discussiëren, maar de mondiale kippenselectie is vandaag het monopolie geworden van een handvol multinationals die hun strategie helaas niet afstemmen op de Europese normen en waarden. Wanneer we kuikens in de vorm van een Ferrari binnenkrijgen, kunnen we er geen 2pk’tje meer van maken”.

Van Meervenne kan zich best vinden in de Europese beslissing om de bezetting te plafonneren op 42 kilogram. Op voorwaarde dat de uitvoeringsbesluiten straks realistische voorwaarden bevatten om aan dat plafond te mogen produceren. “Neem bijvoorbeeld de norm over de mortaliteitscijfers. Gemiddeld scoor ik ongeveer drie procent. Om dat cijfer te doen dalen, ben ik sterk afhankelijk van de kwaliteitsaanpak van de broeierij die de kuikens aanlevert. Het gros van de uitval situeert zich immers in de eerste levensweek van de dieren, en dus niet wanneer de kippen slachtrijp zijn”. De pluimveehouder beweert dat hij net zoals het merendeel van zijn collega’s pas een financiële kater zou moeten verwerken indien de lat ooit op 39 kilogram gelegd wordt. Dirk Lips knikt instemmend: “Wie vandaag aan een bezetting van 45 kilogram produceert, overschrijdt het economisch optimum: wanneer kippen nauwelijks nog de voedersystemen kunnen bereiken, groeien ze niet efficiënt meer. Indien dergelijke bedrijven in de toekomst niet meer kunnen bijbenen, zal dat aan andere factoren te wijten zijn dan aan de nieuwe Europese welzijnsnormen”.

Wat wil de kip? Op de vraag welke factoren voor hem van belang zijn voor het dierenwelzijn van zijn braadkippen, antwoordt Van Meervenne dat kippenboeren hun dieren in de eerste plaats gezond willen zien opgroeien. “Het dierenwelzijn in onze stallen heeft zeker niet alleen te maken met de bezettingsgraad. Een kip heeft niets aan wat extra ruimte indien bijvoorbeeld geen klimaatregeling en onvoldoende strooisel voorhanden zijn”. Met die stelling is ethicus Dirk Lips het eens: “De Europese richtlijn focust op bezetting omdat ze werd ingefluisterd door dierenartsen. Als we écht iets willen doen voor het welzijn van de kippen, komt het er op aan om op basis van wetenschappelijk onderzoek het ethogram van vleeskuikens intensiever te ontrafelen. Op die manier leren we de soorteigen behoefte veel beter kennen en komen er wellicht ook diervriendelijke bedrijfsingrepen aan de oppervlakte die de productiekost niet of nauwelijks opdrijven. De kippensector heeft er alle belang bij om dat onderzoek zelf pro-actief aan te sturen, want anders blijft de discussie over het kippenwelzijn zich ook de komende jaren eenzijdig toespitsen op het aantal dieren per vierkante meter. Een dergelijk debat is ontoereikend voor het dierenwelzijn én zal bovendien in het vel van onze kippenboeren snijden”. Of hij zelf alternatieve maatregelen in gedachten heeft? Lips aarzelt even: “De mogelijkheden zijn allicht niet onuitputbaar. Maar bijvoorbeeld met vangmachines in plaats van vangploegen kunnen we een stap in de goede richting zetten”.

“Voorlopig is de inzet van vangploegen nog iets goedkoper dan de aankoop van een machine, maar die omschakeling komt er zeker”, reageert Van Meervenne. Zelf ethologisch kippenonderzoek in handen nemen, lijkt hem echter niet vanzelfsprekend. “In Geel beschikt de sector wel over een proefbedrijf, maar voor dergelijk arbeidsintensief onderzoek is er niet genoeg geld beschikbaar. Zoiets moet minimaal in samenwerking gebeuren met onze Nederlandse collega’s, en liefst zelfs op Europees niveau. Zeker als het gaat over onderzoek naar de genetica. Vergeet niet dat Vlaanderen slechts een duizendtal braadkippenhouders telt, die bovendien niet allemaal voltijds actief zijn. Onze draagkracht is dus beperkt”. Aan het eind van het gesprek geeft Van Meervenne toe dat het niet alleen een financiële kwestie is. “Je weet op voorhand nooit wat de resultaten zullen zijn van onderzoek dat meer dierenwelzijn beoogt. Misschien financieren we dan wel onze eigen ondergang en verkrijgt GAIA wat het finaal beoogt: een wereld zonder braadkippen”. Als het over dierenwelzijn gaat, zit het ondernemersbloed in de kippensector nog altijd gevangen in het spanningsveld met de dierenwelzijnsorganisaties. Waar de pluimveehouders wél rekening mee moeten houden, is dat de consument (lees: de distributiesector) ten langen leste het laatste woord heeft.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via