nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Afbakening verwevingsgebied is theoretisch debat"
30.03.2007  Kris Peeters - minister van Leefmilieu

De voorbije weken kriebelde het danig bij Natuurpunt, en dat was niet alleen het gevolg van de ontluikende lente. De kritische uitlatingen over het natuurbeleid leverden een pak gratis publiciteit op voor de studiedag die de overheid onlangs organiseerde over de relatie tussen landbouw en natuur. We vroegen aan minister van Leefmilieu Kris Peeters of hij de aanval vanuit groene hoek ook op die manier interpreteerde.

Dat het meer dan twintig jaar geleden is dat het natuurbeleid nog zo in het defensief gedrukt werd, is niet fijn om horen voor een minister die vooral op zijn ACW-vleugel heel wat natuurminnende kiezers telt. Wat is er aan de hand met het natuurbeleid?
Kris Peeters: Bah, de kritiek is er blijkbaar gekomen door niet helemaal uitgeklaarde meningsverschillen over het concept van de studiedag die de Vlaamse overheid organiseerde. Daar werden nog een aantal ongelukkige misverstanden aan toegevoegd in de aanloop naar dat evenement. Die cocktail heeft bij Natuurpunt aanleiding gegeven tot onrust. Inhoudelijk werd die vooral gevoed werd door de trage vooruitgang van de ruimtelijke processen. Voor het overige werd ook de vrees geuit dat het klassieke model van natuurbehoud, waarbij vooral gewerkt wordt met de uitbreiding van natuurreservaten, vandaag in vraag gesteld wordt. Die perceptie is echter onterecht. Jaarlijks worden nog steeds belangrijke hoeveelheden gronden gekocht om te bebossen of reservaten te creëren. Daarnaast worden er ook nog altijd reservaten aan een substantieel tempo erkend. Met die nuance dat we elk dossier grondig tegen het licht houden en ervoor zorgen dat de principes van het regeerakkoord gerespecteerd blijven: er moeten al zeer goede redenen zijn om gronden met een landbouwbestemming aan te kopen of te erkennen als natuurreservaat.

Volgens Natuurpunt gaat het Vlaamse beleid er meer en meer vanuit dat jagers, landeigenaars en landbouwers de beheerders van de toekomst zijn in natuurgebieden. Een terechte vrees?
Ik wil onderstrepen dat ik ten volle de rol van natuurverenigingen erken. Maar natuurbeleid moet gebeuren mét, en niet tegen de eigenaars en gebruikers. Op dit ogenblik zijn in Vlaanderen ongeveer 160.000 hectare ingekleurd als speciale beschermingszone, in uitvoering van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Slechts een derde daarvan is natuurreservaat. Dan is het toch meteen duidelijk dat de resterende 120.000 hectare nooit uitsluitend het gepaste, natuurgerichte beheer kunnen krijgen door aankoop en omvorming tot reservaat. Het is dus belangrijk om naast de natuurverenigingen ook landbouwers, landeigenaars, jagers, vissers en andere recreanten aan te moedigen om in deze gebieden actief te blijven, en dat op een duurzame manier. Beheersjacht tegen overpopulatie van een bepaalde diersoort is daar een voorbeeld van. Waarom zouden we privé-belangen in het buitengebied niet aanwenden om mee het algemeen belang te dienen? Kortom, het komt er op aan om alle krachten te bundelen. Net zoals in het verleden zal ik me trouwens blijven inspannen om natuurverenigingen en landbouworganisaties met elkaar te laten samenwerken. Ook in heel delicate dossiers zoals dat van De Liereman en het Blankaartgebied. De enige oplossing is empathie aan beide zijden.

Dat klinkt allemaal heel katholiek.
Ik ben dan ook katholiek (lacht). Maar als je in een van de vele netelige dossiers moet gaan spreken voor een zaal vol landbouwers en natuurbeschermers – wat ik in de praktijk overigens al enkele keren gedaan heb –, dan is het toch niet evident om die wederzijds empathie tot stand te brengen. Daarvoor is op het terrein koelbloedigheid, doorzettingsvermogen en hard werk vereist. We proberen er voortdurend voor te zorgen dat belangenorganisaties hun oude stellingen niet opnieuw gaan innemen. De manier waarop ik het voorzitterschap van de MinaRaad nu laat roteren, illustreert overigens mijn visie: alle partners in het natuurbeleid hebben een gelijkwaardige verantwoordelijkheid, en kunnen die ook opnemen.

Het Boerenbondcongres heeft zijn voorkeur uitgesproken voor een maximale scheiding tussen landbouw en natuur. Dat klinkt weinig coöperatief.
Je kan een principe stellen, maar er zijn ook de feiten. Ik stel vast dat er steeds meer concrete dossiers zijn waarin landbouw en natuur veroordeeld zijn om samen te werken.

Zowel de landbouw- als natuursector voelen zich ongemakkelijk bij de afbakening van de ruimtelijke structuur. Levert collega Van Mechelen geen goed werk?
Er lopen op dit moment allerlei planologische processen om de meest voor hand liggende agrarische gebieden snel te herbevestigen. Voor de andere zones worden planprogramma’s opgesteld met het oog op een afbakening via ruimtelijke uitvoeringsplannen. Die processen zijn vanzelfsprekend vatbaar voor verbetering, en daar wordt ook continu aan geschaafd om telkens tot een billijk eindresultaat te komen. Ik begrijp ook wel dat sommige organisaties het hele proces sneller hadden willen zien verlopen.

De vorige regering heeft enkel werk gemaakt van het Vlaams Ecologisch Netwerk. Vandaag hebben natuurbeschermers het gevoel dat de slinger naar de andere kant is doorgeslagen.
Als minister van Leefmilieu ben ik erg gevoelig voor de bijkomende afbakening van natuur- en bosgebieden. Maar de voorbije jaren kregen boeren het gevoel dat ze voortdurend moesten wijken. De ene keer voor de uitbreiding van de haven, dan weer voor natuurcompensaties, voor overstromingsgebieden, voor de verdieping van de Schelde. Dat is niet evident voor een sector die voor zijn broodwinning afhankelijk is van grond.

Een belangrijk discussiepunt is de afbakening van 150.000 hectare verwevingsgebied. Wat is de stand van zaken?
De afspraak in het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen luidt dat meer dan de helft van dat areaal moet terechtkomen in bos-, recreatie- en andere groengebieden. Binnen de agrarische structuur van 750.000 hectare moet in principe 70.000 hectare natuurverweving komen. Maar tot hiertoe blijft deze afbakening beperkt tot twee ruimtelijke uitvoeringsplannen, eentje van 75 hectare in Lovendegem en een andere van 693 hectare in Kruibeke. Beide zijn goedgekeurd in 2004. Vorig jaar is de oppervlakte verwevingsgebied lichtjes toegenomen tot in totaal 935 hectare. Naarmate er nu meer ruimtelijke uitvoeringsplannen voor het buitengebied opgestart worden, zal dit aantal waarschijnlijk uitbreiden.

Natuurverwevingsgebied is volgens Natuurpunt hoognodig om de versnipperde natuurgebiedjes in Vlaanderen met elkaar te verbinden?
Het klopt dat de samenhang tussen natuurgebieden noodzakelijk is om geïsoleerde populaties van bepaalde soorten met elkaar in contact te laten komen. Op die manier kan de genetische diversiteit en weerbaarheid van deze soorten versterkt worden. Vanuit agrarische hoek heb ik dan weer begrepen dat landbouwers bang zijn dat vroeg of laat groene claims gelegd worden op realisaties in goed werkende verwevingsgebieden. Misschien is die vrees wat overtrokken omdat de natuursector niet alléén concrete invulling zal kunnen geven aan de 125.000 hectare natuurlijke structuur en 10.000 hectare bos. Vermits de ruimtelijke afbakening van verwevingsgebieden niet opschiet, is het belangrijk om te zoeken naar andere beleidsinstrumenten. Beleid rond historisch permanente graslanden en inzake beheersovereenkomsten biedt een uitweg.

Het aantal beheersovereenkomsten zit in de lift?
Meest geliefd zijn de beheersovereenkomsten water en perceelsrandenbeheer. Ook erosiebestrijding is in bepaalde delen van Vlaanderen een belangrijke maatregel met veel groeimogelijkheden door de inzet van bedrijfsplanners, gemeenten en provincies. De jongste vijf jaar is het aantal nieuwe beheersovereenkomsten botanisch beheer en natuur eveneens voortdurend toegenomen. De pakketten voor kleine landschapselementen en weidevogelbeheer kennen dan weer een grilliger verloop: het ene jaar worden meer overeenkomsten gesloten dan het andere. Maar het totale areaal met beheersovereenkomsten gaat dus nog steeds in stijgende lijn. Hoewel de Europese budgetten in het nieuwe programma voor plattelandsontwikkeling wat gekrompen en anders gestructureerd zijn, twijfelt niemand aan het belang van die beheersovereenkomsten.

Natuurpunt vindt dat ze in sommige gebieden te vrijblijvend zijn. Na vijf jaar hangen de overlevingskansen van opgebouwde natuurwaarden af van de bereidheid van de landbouwer in kwestie om het project verder te zetten.
Overeenkomsten zijn per definitie niet vrijblijvend. Maar het klopt dat aan natuurzijde soms hogere verwachtingen gesteld worden in het agrarisch natuurbeheer dan wat de huidige beheersovereenkomsten kunnen bieden. Een overeenkomst voor botanisch beheer duurt nu slechts vijf jaar, wat allicht een te korte periode is om echt resultaten te zien. Het beleidsinstrument is dus voor verbetering vatbaar. Er kan gezocht worden naar bepaalde formules van agrarisch natuurbeheer in gebieden met hoge potenties die beter aansluiten bij de verwachtingen die er leven. Anderzijds moet het voor een landbouwer altijd heel duidelijk zijn waartoe hij zich verbindt.

Een andere kritiek vanuit natuurhoek is dat beheersovereenkomsten te weinig op hun effectiviteit getoetst worden.
Dat gaat veranderen. In het kader van het nieuwe plattelandsprogramma is Vlaanderen verplicht een aantal indicatoren op te volgen en te rapporteren aan Europa. Bij een aantal beheersovereenkomsten werd trouwens nu al een resultaatsverbintenis ingebouwd. Dat geldt bijvoorbeeld voor de beheersovereenkomst water, waarbij de vergoeding afhangt van het nitraatresidu dat jaarlijks gemeten wordt. Bij de beheerspakketten voor hamsters en weidevogels vormen de gevonden burchten en nesten de basis voor uitbetaling. Vergeet ook niet dat sinds 2004 bedrijfsplanners van de Regionale Landschappen ingeschakeld worden. Door hun intermediaire bemiddeling krijgen beheersovereenkomsten een gebiedsgerichte vertaling. Dit jaar starten nog een aantal nieuwe bedrijfsplanners, waardoor ze straks over heel Vlaanderen actief zijn. Het is de bedoeling dat deze mensen specifieke projecten rond beheersovereenkomsten gaan uitwerken in geselecteerde aandachtszones, waarbij de natuur- en milieudoelstellingen centraal staan. Vanaf volgend jaar zullen de bedrijfsplanners naast de bestaande pakketten trouwens ook beheersovereenkomsten op maat kunnen aanbieden aan landbouwers.

Boeren hebben schrik dat nieuw groen achteraf groen moet blijven. Is dat een valabel argument om niet aan agrarisch natuurbeheer te doen?
Het is zo dat landbouwers die zich in VEN-gebied bevinden, te maken hebben met een zone waar het in principe de bedoeling dat aanwezige natuurwaarden beschermd worden. Ten gronde hangt natuurlijk veel af van het soort natuur waarvoor dat VEN-gebied afgebakend werd, en van de mogelijkheid om die doelstelling samen te laten sporen met landbouwontwikkeling. Bij de implementatie van het nieuwe programma voor plattelandsontwikkeling zal hiervoor een oplossing gezocht worden.

In vergelijking met Nederland blijkt de Vlaamse boer weinig te verdienen aan agrarisch natuurbeheer. Moeten de vergoedingen omhoog?
De landbouwers moeten weten wat ze willen. In de mate dat de vergoedingen stijgen, worden logischerwijs ook de eisen strenger. En op een bepaald ogenblik zal de belastingbetaler zich dan de vraag stellen of het niet beter is dat de overheid meer gronden opkoopt in plaats van jaarlijks forse bedragen uit te betalen om natuurwaarden te realiseren. In Nederland is de situatie helemaal anders. Daar werd de ecologische hoofdstructuur twintig jaar geleden afgebakend. Niet zozeer als een ruimtelijk concept met geboden en verboden, maar wel als een soort investeringsprogramma voor grootschalige aankopen of beheersprogramma’s. Ik wil er verder op wijzen dat in Vlaanderen relatief hoge vergoedingen voorzien zijn voor relatief verregaande prestaties in het kader van de beheersovereenkomst botanisch beheer. Blijkt dat landbouwers hier op dit moment nog onvoldoende op wensen in te tekenen.

Nederland staat wel model als het gaat om de oprichting van agrarische natuurverenigingen, waarbij groepen landbouwers de handen in elkaar slaan om met de actieve steun van burgers en lokale verenigingen natuurdoelstellingen te realiseren. Hoever staat het met de plannen?
Dat lijkt een valabel concept omdat bepaalde prestaties inzake natuurbeheer in grote mate aan samenwerkingsverbanden van landbouwers overgelaten worden. We overwegen dan ook ernstig om dit mee op te nemen in de uitvoering van het plattelandsprogramma. Het kan leiden tot meerwaarde op diverse vlakken: minder administratie, een breder draagvlak, een flexibeler beheer en betere resultaten. Voor het eind van dit jaar moeten we weten wat we er concreet mee gaan doen. Door cultuurverschillen tussen Vlaanderen en Nederland zal het bij ons misschien iets meer tijd vergen om ook derden bij het agrarisch natuurbeheer te betrekken, maar ik sluit dit niet uit.

Hoe ziet u de relatie tussen landbouw en natuur op langere termijn evolueren?
Ik heb genoteerd dat Boerenbond op zijn congres ook de hand heeft uitgestoken naar organisaties zoals Natuurpunt, en dat er momenteel effectief gesprekken aan de gang zijn. Indien beide organisaties en hun achterban de strijdbijl kunnen begraven, zetten ze een belangrijke stap vooruit.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via