"Leefbaarheid Vlaamse landbouw op aanvaardbaar niveau"
Hoewel het een zeer moeilijk te definiëren begrip is, lijkt de leefbaarheid van de Vlaamse landbouw op een aanvaardbaar niveau te liggen als dit vergeleken wordt met de andere lidstaten in Europa. Dat zei Dirk Bergen van de Afdeling Monitoring en Studie van de Vlaamse landbouwadministratie tijdens een studiedag van de Universiteit Gent over de prijs- en inkomensvorming in de land- en tuinbouw.
Volgens Bergen is leefbaarheid een diffuus, multidimensioneel begrip dat vaak subjectief is. “Hoewel leefbaarheid een economische, sociale en een ruimtelijke pijler bevat, lijkt de nadruk toch te liggen op het economische. Uit onze analyse blijkt dat die economische leefbaarheid zeer sterk gekoppeld is aan inkomen, zowel op het vlak van een mogelijke minimumdrempel als op het vlak van een gewenst niveau”. Vandaar dat zijn onderzoek zich heeft toegespitst op de economische leefbaarheid van de landbouw.
Bij heel wat landbouwbedrijven is er een verschil tussen het landbouwinkomen en het gezinsinkomen. Uit een studie van het Landbouwkrediet blijkt dat ongeveer 1 op 3 landbouwgezinnen een inkomen van buiten de sector nodig heeft om rond te komen.
“We zien ook dat een inkomen in de landbouw vaak weinig stabiel is. De sector is ook heel heterogeen wat betreft inkomensvorming, er is ook heel wat verschil in inkomen tussen de verschillende subsectoren en ook op bedrijfsniveau zien we veel variatie”, zegt Bergen. Om de leefbaarheid van de land- en tuinbouw te bepalen, is het daarom belangrijk dat er bij de berekening van het inkomen rekening wordt gehouden met de instabiliteit ervan.
Bergen ging ook het landbouwarbeidsinkomen vergelijken met het gemiddelde inkomen van alle loontrekkenden in Vlaanderen (Gewestelijk Vergelijkbaar Inkomen). Daaruit blijkt dat tot 1979 het inkomen in de landbouwsector gelijke tred houdt met dat van loontrekkenden. Maar daarna gaat het landbouwinkomen bijna constant een stukje lager liggen dan dat vergelijkbaar inkomen. Vanaf 1990 neemt de kloof alleen maar toe ten nadele van de landbouw.
“We zijn ook gaan vergelijken hoe zowel bij overheid als bij de private sector omgegaan wordt met het begrip leefbaarheid”, legt Bergen uit. Hieruit blijkt dat leefbaarheid zeer veel gezichten heeft. “Vastleggen wat een redelijk inkomen moet zijn voor een landbouwbedrijf en bepalen hoe stabiel dat inkomen in de tijd moet zijn, is een kwestie van keuzes maken. Eenmaal de norm is bepaald, kan de leefbaarheid aan de hand van bedrijfsgegevens worden getoetst”.
Wel stelt hij vast dat in de landbouw leefbaarheid een moeilijker te hanteren begrip is omdat landbouwbedrijven nauwelijks een boekhouding hebben. “Het is dus vaak niet exact berekenbaar, maar wel benaderbaar. Ik stel ook voor dat er geen foto, maar een film wordt genomen van de resultaten. Ideaal zou zijn dat er niet alleen met voldoende financiële informatie wordt gewerkt, maar ook met technische bedrijfsinformatie”.
Dirk Bergen is van oordeel dat door de afbouw van marktondersteuning de leefbaarheid van de landbouw meer dan ooit afhankelijk is van een goede marktwerking. “Voor nieuwkomers in de sector wordt de volgorde van pieken en dalen in het inkomen zeer belangrijk. De ervaring leert ons dat die pieken en dalen erg kunnen verschillen tussen de subsectoren”. Specifiek voor de landbouw stelde Bergen vast dat het inkomen kan dalen en de bedrijven toch overleven. Meer nog, veel landbouwers boeren verder zonder zichzelf een inkomen aan te rekenen.
De Vlaamse landbouwadministratie is ook de leefbaarheid van de Vlaamse landbouw gaan toetsen met andere Europese landen. Dit gebeurde aan de hand van bedrijfseconomische indicatoren zoals productiviteit, netto toegevoegde waarde per bedrijf, solvabiliteit, liquiditeit en rendement op activa. “Daaruit bleek dat de Vlaamse en Belgische landbouw op de meeste indicatoren toch hoog scoorde. We kennen dus een performante landbouw- en tuinbouw in vergelijking met de andere EU-lidstaten. Daardoor kunnen we concluderen dat de leefbaarheid zeker aanvaardbaar is tegenover de andere lidstaten”.
Bergen nuanceerde die hoge performantie wel enigszins. “Op de indicatoren liquiditeit en solvabiliteit scoren we slechter dan het gemiddelde, maar misschien is dat juist goed. Misschien is een koppositie voor die indicatoren niet echt na te streven omdat ze wijzen op een landbouw die investeert en innoveert”. Toch waarschuwde hij dat de leefbaarheid een permanente zorg moet zijn.
Meer informatie: 'Leefbaarheid in de landbouw. Een werkbaar begrip?'
bron eigen verslaggeving
03/02/2010
gerelateerde nieuwsberichten
- 17/01/2012 Crisis trof boeren in Vlaanderen harder dan in Wallonië
- 12/01/2012 "Vlaanderen moet gaan voor decentrale energieproductie"
- 11/01/2012 Europees landbouwinkomen verschuift van west naar oost
- 20/12/2011 Inkomen Belgische land- en tuinbouw sterkste daler EU
- 03/11/2011 Is extreem weer goed voor portemonnee akkerbouwer?
- 07/10/2011 Vlaams land- en tuinbouwinkomen daalt met 50% in 2011
- 22/09/2011 OESO wil inkomenssteun landbouwers verder zien dalen
- 08/08/2011 In zes van de 27 lidstaten daalde het landbouwinkomen
- 30/06/2011 Vanthemsche weerlegt clichés over landbouw
- 20/05/2011 Minuscule marge Nederlandse boeren alarmeert Rabobank

T +32 (0)2 552 81 91 F +32 (0)2 552 81 93