nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Vermesting blijft biodiversiteit parten spelen"
25.01.2010  Maarten Hens - INBO

De Verenigde Naties hebben 2010 uitgeroepen tot het Internationaal Jaar van de Biodiversiteit. Interpreteer het gerust als een alarmkreet, want op onze planeet verdwijnen plant- en diersoorten in sneltreinvaart. De landbouw speelt in dit dossier een prominente rol, ook in het verstedelijkte Vlaanderen. Onderzoeksgroepleider Maarten Hens van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) maakt een stand van zaken op.

2010 is een erg belangrijk jaar voor de biodiversiteit?
Maarten Hens: Dit jaar wordt de balans opgemaakt van een aantal engagementen die in het recente verleden zijn aangegaan. In 2001 beslisten de Europese ministers van Leefmilieu in Göteborg om het verlies aan biodiversiteit te stoppen tegen 2010. Dat initiatief inspireerde de internationale gemeenschap, want een jaar later werd afgesproken om tegen dit jaar de wereldwijde teloorgang van plant- en diersoorten ‘significant’ te verminderen, een mijlpaal die bekendstaat onder de noemer ‘Countdown 2010’. Voor de Verenigde Naties vormden deze engagementen de rechtstreekse aanleiding om 2010 te proclameren tot het Internationale Jaar van de Biodiversiteit.

Worden in het kader van dat initiatief activiteiten georganiseerd die de moeite waard zijn?
Er bestaat in ons land geen centrale stuurgroep die de acties coördineert. Verschillende organisaties zoals bijvoorbeeld het Agentschap voor Natuur- en Bos, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en Natuurpunt zetten in verspreide slagorde een hele reeks activiteiten op poten voor diverse doelgroepen. Zelf zullen wij met het INBO verscheidene publicaties uitbrengen. Het is ook de bedoeling dat biodiversiteit één van de prioriteiten wordt van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie. In september zal de Vlaamse overheid dat voornemen gestalte geven met een conferentie over biodiversiteit. Op mondiaal vlak zijn veel ogen gericht op de grote biodiversiteitsconferentie in Nagoya. In die Japanse stad zal men in oktober evalueren in welke mate het gelukt is om de wereldwijde inkrimping van de biodiversiteit af te remmen, en daar zal men ook trachten om nieuwe mondiale biodiversiteitsdoelen voorop te stellen.

Daar zal de internationale gemeenschap enkel kunnen vaststellen dat de vooropgestelde doelstellingen niet gerealiseerd werden. Er zijn signalen dat de erosie van de wilde fauna en flora zich onverminderd doorzet, en dit zowel binnen als buiten natuurreservaten.
Laten we het positief bekijken: internationale akkoorden rond biodiversiteit zorgen ervoor dat steeds meer regeringen zich engageren en zich op één lijn scharen rond dit thema. Dat is een minimumvoorwaarde om tot structurele oplossingen te komen.

Heeft u een idee hoe het op dit ogenblik precies gesteld is met de biodiversiteit op onze planeet?
Dat is een moeilijke vraag omdat biodiversiteit geen eendimensionaal begrip is. Internationaal werkt men met een set van een twintigtal indicatoren om de toestand van de biodiversiteit op te volgen. De meeste van die indicatoren staan op negatief. Eén van de meest tot de verbeelding sprekende indicatoren is uiteraard de evolutie van het aantal soorten planten en dieren die in een bepaalde streek aanwezig zijn. Op een geologische tijdschaal is de biodiversiteit door soortvorming en specialisatie toegenomen, ook al zijn er in het verleden al een vijftal biodiversiteitscrisissen geweest, onder meer toen de dinosaurussen uitstierven. Anderzijds becijferden onderzoekers dat het tempo waarmee soorten vandaag de dag uitsterven tot meer dan duizend keer hoger is dan ooit het geval is geweest.

De rode lijst van de International Union for Conservation of Nature (IUCN) is weinig bemoedigend?
Bij de laatste update eind vorig jaar werden 47.677 plant- en diersoorten onderzocht, waarvan er 17.291 bedreigd zijn. Zeventig procent van de 12.151 onderzochte plantensoorten dreigt te verdwijnen. De meest bedreigde groep van dieren zijn amfibieën: 1.895 van de 6.285 onderzochte amfibiesoorten moeten zich momenteel zorgen maken over hun overlevingskansen. Van 39 amfibiesoorten kan men inmiddels geen enkel spoor meer terugvinden in het wild. De evolutie van deze cijfers schetst een somber beeld: telkens wanneer een nieuwe rode lijst verschijnt, is het aandeel van bedreigde soorten beduidend toegenomen. Vlaanderen ontsnapt helaas niet aan die wereldwijde trend. Ook bij ons is ongeveer een derde van de plant- en diersoorten in zijn voortbestaan bedreigd.

In welke mate moet de mens zich daar eigenlijk zorgen om maken?
De biodiversiteit is de motor van onze ecosystemen, en overal ter wereld zijn de welvaart en het welzijn van samenlevingen onlosmakelijk verbonden met het goed functioneren van die ecosystemen. Denk maar aan voedselvoorziening en landbouwproductie. Als een bepaalde soort in verdrukking komt, leidt dat tot kettingreacties bij andere soorten. Die spiraal heeft vroeg of laat een impact op de ecosysteemdiensten die de biodiversiteit ons aanbiedt, zoals de levering van natuurlijke producten zoals voedsel, hout en medicijnen. Habitats en soorten zijn ook belangrijke regulatoren van het fysisch milieu. Zo bieden natuurlijke leefgebieden een groter bergingsvermogen voor water en koolstof dan bijvoorbeeld landbouwgebieden. Verder is de biodiversiteit een rijke bron voor kunst, cultuur en wetenschap. En hoe groter de verscheidenheid aan levensvormen, hoe groter de kans dat ecosystemen zich kunnen aanpassen aan een wijzigende omgeving, hetgeen niet onbelangrijk is in deze tijden van klimaatverandering.

De jongste tijd groeit het inzicht in de economische waarde van allerhande vormen van natuurlijke dienstverlening?
Dat klopt. Een actueel voorbeeld is de bestuiving van gewassen door bijvoorbeeld bijen. In sommige streken zijn de populaties bijen en natuurlijke bestuivers ontoereikend om alle teelten die afhankelijk zijn van bestuiving te bevruchten. Positiever is het voorbeeld van de succesvolle streekkazen uit de Franse Alpen. Die producten zijn onlosmakelijk verbonden met de kruidenrijkdom op de typische alpenweiden. Een grote soortendiversiteit zorgt ook voor een genetisch reservoir waar onderzoekers dankbaar gebruik van kunnen maken om landbouwtechnieken te optimaliseren. Als we er bijvoorbeeld in slagen om de genetische aanpassingen van wilde planten die groeien op fosforarme bodems te transfereren naar commerciële gewassen zoals soja, rijst of tarwe, dan kan dat bijvoorbeeld in de tropen voor een belangrijke toename zorgen van de voedselproductie. De biodiversiteit biedt ons technische mogelijkheden waar we ons vandaag nog niet helemaal bewust van zijn.

Hoe beoordeelt u de prestaties van Vlaanderen op het vlak van biodiversiteit?
Een vergelijking met de buurlanden leert dat we bij de zwakkere leerlingen van de klas zijn. Als je bijvoorbeeld kijkt naar de Europese indicator voor landbouwgebieden met hoge natuurwaarden, dan staan we helemaal afgezonderd op de laatste plaats. De rapportering van de EU-lidstaten over de toestand van hun Europees beschermde habitats en soorten heeft een jaar geleden bevestigd dat we ons in de staart van het Europese peloton bevinden. Natuurlijk moeten we er rekening mee houden dat we in één van de meest verstedelijkte en dichtstbevolkte regio’s ter wereld wonen. Maar ook als je Vlaanderen naast economische topregio’s plaatst, komen we er op het vlak van bijvoorbeeld de oppervlakte bos- en natuurgebied redelijk bekaaid vanaf. Vlaanderen kan dus zeker nog vooruitgang boeken. In theorie beschikken we zelfs over veel troeven om het voortouw te nemen inzake het herstel ven biodiversiteit.

Waaraan zijn die slechte cijfers te wijten?
Net zoals elders in de wereld heeft de daling van de biodiversiteit bij ons te maken met een samenspel van factoren, waarvan internationaal habitatverlies, milieuverontreiniging, bevolkingstoename en exploitatie door visserij, bos- en landbouw de belangrijkste zijn. De Natuurrapporten van het INBO hebben aangetoond dat in Vlaanderen vooral de ruimtelijke versnippering en vermesting nefast zijn. Vanuit deze twee drijvende krachten kan de huidige toestand van onze natuur redelijk goed verklaard worden. Maar de komende jaren gaan we ook in toename rekening moeten houden met de impact van de klimaatverandering en de opmars van invasieve soorten. Die komen als gevolg van de toenemende mobiliteit van mensen en goederen steeds makkelijker ons land binnen, maar worden daarbij niet vergezeld van hun natuurlijke vijanden. Daardoor belanden ze in een scenario van ongeremde groei, zoals het geval is met bijvoorbeeld de Canadese gans, de stierkikker en de reuzenberenklauw. Eigenlijk weten we niet goed hoe we dat fenomeen moeten aanpakken. Maar vast staat dat op die manier de homogenisering van de natuur versnelt, waarbij een aantal nieuwe soorten een dominante rol opeisen.

Hoe brengt het INBO de biodiversiteit eigenlijk in kaart?
Voor een aantal soortengroepen coördineren we zelf de monitoring. In de praktijk betekent dit dat we in de tijd steeds opnieuw gaan kijken hoe het met een bepaalde soort of habitat gesteld is. We doen dat bijvoorbeeld voor broed- en watervogels. Een andere optie is dat we de biodiversiteit in een bepaald gebied zo volledig mogelijk inventariseren en monitoren. Dat gebeurt bijvoorbeeld voor de kustgebieden en de Zeeschelde. Ieder monitoringproject dat we uitvoeren heeft zijn eigen finaliteit, en meestal is die gekoppeld aan een beleidsdoelstelling. Maar deze activiteiten leveren natuurlijk geen volledig beeld op van de biodiversiteit in Vlaanderen. Om in het Natuurrapport een zo omvattend en waarheidsgetrouw beeld te kunnen ophangen, geven we al jaren aan dat er nood is aan meer gegevens. We kunnen gelukkig beroep doen op data van bijvoorbeeld Natuurpunt, de Vlaamse Landmaatschappij en talrijke wetenschappelijke studies van universiteiten en experts, maar dat volstaat niet om een fijnmazige mozaïek samen te stellen. We proberen daar stap voor stap aan te werken.

In welke mate is de landbouw verantwoordelijk voor het verlies aan biodiversiteit in Vlaanderen?
Buiten landbouwgebieden zorgt de agrarische sector vooral voor milieudruk door vermesting, die het gevolg is van verliezen van stikstof en fosfor door afspoeling naar het oppervlaktewater, uitspoeling naar het grondwater en vervluchtiging. Daarnaast mag ook de impact van verdroging en verontreiniging met bestrijdingsmiddelen niet onderschat worden. Het verhaal binnen de landbouwgebieden is complexer. In historisch perspectief heeft het in cultuur nemen van gronden geleid tot een verhoging van de biodiversiteit in Europa. Heel wat soorten vonden in onze streken een habitat door de aaneenschakeling van extensieve gebruikte akkers en graslanden. Maar na de Tweede Wereldoorlog hebben de intensivering en de schaalvergroting van de landbouwproductie in heel West-Europa voor een ommekeer gezorgd. Daardoor zijn de landschappelijke diversiteit en soortenrijkdom in agrarische gebieden sterk achteruitgegaan.

Hebben jullie daar meer concrete gegevens over?
Twee categorieën van planten hebben de voorbije vijftig jaar zware klappen geïncasseerd. Enerzijds is dat de akkerflora, die weggedrukt werd door de efficiëntieverhoging in de landbouw. Daarnaast zijn ook typische planten voor voedselarme standplaatsen, zowel op land als in het water, weggedeemsterd. Veel van deze soorten waren vroeger wijdverspreid, terwijl ze vandaag de dag door het intensieve gebruik van meststoffen en de vermesting enkel nog relictpopulaties hebben in natuurgebieden.

Ook de akkervogels hadden het de jongste decennia niet onder de markt?
Sinds 1970 is de populatie van de veldleeuwerik met negentig procent achteruitgegaan. Van de grauwe gors werden in de periode tussen 2000 en 2002 nog 850 à 1.000 broedparen aangetroffen in Vlaanderen. In 2008 werd die oefening herhaald en toen bleven we steken op iets meer dan tweehonderd broedparen. Dat betekent een achteruitgang van bijna tachtig procent in amper acht jaar tijd. Net zoals andere akkervogels is de grauwe gors voor zijn overlevingskansen afhankelijk van nestgelegenheid, voedsel in de zomer en voedsel in de winter. Vooral dit laatste blijkt problematisch te zijn voor de grauwe gors, die tijdens de wintermaanden leeft van oogstresten en van zaadjes van onkruiden die her en der staan.

Onze land- en tuinbouw heeft een intensief karakter. Weegt de sector daarom nog zwaarder op de biodiversiteit dan in het buitenland het geval is?
Dat zou je kunnen veronderstellen, maar er zijn geen cijfers om die bewering te staven. Wel weten we dat bijvoorbeeld de fosforconcentraties in de Vlaamse waterlopen de hoogste in heel Europa zijn. In de jaren zeventig droegen de fosfaathoudende wasmiddelen hier sterk toe bij, maar ondertussen zijn die van de markt verdwenen. De huidige concentraties zijn in belangrijke mate gelieerd met de landbouw. De mate waarin fosfaat de biodiversiteit schaadt, is dan weer een ander paar mouwen.

De landbouwers hebben de jongste jaren zware inspanningen geleverd om hun milieudruk te doen dalen. Werpt dat geen vruchten af?
De vooruitgang wordt vandaag afgemeten aan de reststikstof in de bodem en de kwaliteit van het oppervlaktewater. De milieukwaliteitsdoelen die men daarbij vooropstelt, zijn gebaseerd op de Europese Nitraatrichtlijn van 1991. Maar de meer recente Kaderrichtlijn Water vereist dat alle waterlopen een goede ecologische kwaliteit bereiken tegen 2015. Dan spreken we over nitraatgehaltes van 10 à 15 milligram per liter, terwijl het Vlaams beleid momenteel nog gericht is op de norm van 50 milligram. Het nutriëntenmanagement op bedrijfsniveau zal in de toekomst dus nog moeten aangescherpt worden, en daar is ook ruimte voor aangezien het gemiddelde bemestingsniveau nog altijd boven de nutriëntenbehoefte van de gewassen ligt. Hou er tot slot ook rekening mee dat ecologische effecten van vermesting niet samenhangen met de jaarlijkse input, maar wel van de gecumuleerde input.

Wat betekent dat in mensentaal?
Op het vlak van stikstofdepositie zitten we op onze Vlaamse heides al meer dan twintig jaar boven de kritische last. Dat is de maximale hoeveelheid stikstof die een ecosysteem jaarlijks kan incasseren zonder dat er veranderingen optreden in de soortensamenstelling. Indien de landbouw er morgen zou in slagen om haar ammoniakuitstoot te reduceren tot nul, dan is dat een mooie prestatie. Maar daarmee is de historische erfenis nog niet verdwenen, want jarenlang heeft de stikstof zich gecumuleerd op onze heides. Samengevat: de inspanningen die de landbouw levert zijn nodig, maar ze zijn geen voldoende voorwaarde om de effecten van vermesting op de biodiversiteit weg te nemen.

Zijn jullie tevreden met de resultaten die de beheerovereenkomsten tussen de overheid en de landbouwers opleveren?
We beschikken over onvoldoende gegevens om het ecologisch effect van de beheerovereenkomsten op een onderbouwde manier te kunnen inschatten. Enkele jaren geleden werd een studie uitgevoerd om de ecologische doeltreffendheid na te gaan van de beheerovereenkomsten rond weidevogels. Toen is men tot de conclusie gekomen dat er nog te weinig boeren meededen om tot een eensluidend antwoord te komen. Maar we geven niet op: dit jaar zal het INBO in opdracht van het Departement Landbouw en Visserij akkervogels monitoren om het effect van het plattelandsbeleid op de biodiversiteit na te gaan.

Welk gevoel heeft u persoonlijk bij het concept van de beheerovereenkomsten?
Je moet een opsplitsing maken tussen de diverse types. De beheerovereenkomsten die mikken op een verbetering van de milieukwaliteit zitten goed in elkaar, maar hun dekkingsgraad is te laag om een effect te ressorteren. Zo wordt vandaag minder dan één procent van de oevers van ons waterlopennetwerk afgedekt met een beheerovereenkomst. Op perceelsniveau zullen er uiteraard effecten optreden, maar de optelsom ervan draagt nauwelijks bij tot de milieudoelstellingen op Vlaams niveau. Eigenlijk geldt dat ook een beetje voor de beheerovereenkomsten die de biodiversiteit willen stimuleren. Boeren beschermen weidevogels op een areaal van ongeveer 700 hectare, maar dit areaal is versnipperd en in veel gevallen zijn de beheerpercelen niet optimaal gelegen. Daardoor blijft het netto-effect van die maatregel zeer klein. Het komt er op aan om de bescherming van weidevogels in functie van het beschikbare budget te concentreren in de meest kansrijke gebieden. Vervolgens kunnen de bedrijfsplanners van de Vlaamse Landmaatschappij ertoe bijdragen dat de juiste percelen ingezet worden.

Mogen we concluderen dat de beheerovereenkomsten u niet echt kunnen bekoren?
Toch niet. Beheerovereenkomsten zijn een geschikt instrument om te werken aan de bescherming van soorten die voor hun voortbestaan afhangen zijn aan het landbouwkundig gebruik van gronden. Dan moet je als overheid met maatregelen voor de pinnen komen die toepasbaar zijn binnen de hedendaagse bedrijfsvoering, en daar is de formule van beheerovereenkomsten geknipt voor. Maar wie met datzelfde instrument de waterkwaliteit wil verbeteren door alle oeverzones te bufferen, creëert een onbetaalbare factuur. Voor het realiseren van een basismilieukwaliteit en een basisnatuurkwaliteit zal de overheid beroep moeten doen op andere mechanismen. Dat is allicht iets voor het Europees landbouwbeleid na 2013.

Pleit u voor een uitbreiding van de randvoorwaarden?
Als wetenschapper pleit ik niet voor dit of dat systeem. Ik stel alleen vast dat het realiseren van milieukwaliteitsnormen via beheerovereenkomsten bijzonder veel overheidsmiddelen vergt. Ik ken geen industriële activiteiten die in dergelijke mate gesubsidieerd werden om milieudoelstellingen te realiseren. Erosiebestrijding is momenteel al gedeeltelijk vervat in de randvoorwaarden. Het lijkt me niet onlogisch om het realiseren van milieukwaliteitsdoelen via de randwoorwaarden uit te breiden.

Zullen de instandhoudingsdoelstellingen pijn doen aan de Vlaamse boeren en tuinders?
De Vlaamse overheid heeft ervoor geopteerd om de bescherming van soorten en habitats te concentreren in de speciale beschermingszones, met name de habitat- en vogelrichtlijngebieden. Die overlappen gedeeltelijk met landbouwgronden. In de habitatrichtlijngebieden gaat het echter om minder dan 20.000 hectare. Bovendien moet je weten dat elk habitatrichtlijngebied een zeer heterogeen karakter heeft. Er kunnen bijvoorbeeld weiden in liggen die helemaal niet relevant zijn voor de natuurdoelstellingen die men in die zone wil realiseren. In een dergelijk geval moeten die weiden uiteraard niet onderworpen worden aan gebruiksbeperkingen.

Dus zullen slechts een beperkt aantal landbouwers echt te maken krijgen met de instandhoudingsdoelstellingen?
Uit berekeningen blijkt dat in Vlaanderen slechts zo’n 1.350 hectare Vlaamse landbouwgrond daadwerkelijk één van de Europees beschermde habitats huisvest. Van dat areaal bestaat 1.100 hectare uit soortenrijke graslanden. Op een deel ervan is vandaag reeds de nulbemesting van toepassing, waardoor hooguit enkele honderden hectare voor het eerst te maken zullen krijgen met natuurbehoud. In functie van het natuurtype dat in een goede staat van instandhouding moet gebracht worden, kan ik me voorstellen dat landbouwers in speciale beschermingszones blootgesteld kunnen worden aan drie types maatregelen: een gebiedsgerichte aanscherping van emissies en nutriëntengebruik, maatregelen tegen verdroging en voorschriften op het vlak van landgebruik. De kat zal pas op de koord komen van zodra voor deze gebieden natuurrichtplannen opgemaakt worden, maar dit is dus zeker geen dossier waar de landbouwsector schrik moet van hebben. De ligging in of nabij habitatrichtlijngebied biedt een bedrijf ook troeven om zijn bedrijfsvoering te verbreden.

De landbouw wordt opgezadeld met steeds meer maatschappelijke verzuchtingen, maar als je de inkomensvorming van de jongste twee jaar analyseert…
Dat beseffen we bij het INBO heel goed, maar we proberen het bredere plaatje te bekijken. Ons industrieel weefsel incasseert eveneens zware klappen, maar toch hoor je in die sector en bij de overheid steeds meer pleidooien voor de omschakeling naar een groene economie. De landbouw kan die uitdaging ook niet uit de weg gaan, al heb ik er begrip voor dat het proces in de primaire sector wat trager gaat als gevolg van het complexe productieweefsel met duizenden individuele ondernemers. Ik ben ervan overtuigd dat de beste landbouwbedrijven in de toekomst diegene zullen zijn met het grootste aanpassingsvermogen om in te spelen op nieuwe markt- en milieuomstandigheden. En ik zie ook veel kansen en win-winsituaties, zoals de opslag van koolstof, een facet dat aan belang zal winnen in het klimaatdebat.

Hoe ziet u de biodiversiteit in Vlaanderen en elders in de wereld evolueren?
(denkt na) Dat is koffiedik kijken. De planeet staat voor een aantal grote uitdagingen zoals de voedselvoorziening, de groeiende wereldbevolking, de klimaatverandering, de krimpende biodiversiteit. We moeten beseffen dat we onze welvaart in de eerste plaats halen uit ons natuurlijk kapitaal. Het komt er dus op aan om manieren te vinden om onze welvaart en ons welzijn te financieren vanuit de dividenden van onze planeet, niet vanuit het kapitaal zelf.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via