nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Energieboer heeft rechtszeker kader nodig"
04.03.2007  Marc Moons - Innovastiesteunpunt

Dagelijks krijgt de energiecel van het Innovatiesteunpunt 10 à 15 vragen van boeren en tuinders die met concrete plannen rondlopen om op hun bedrijf energie te besparen of zelf te produceren. We voelden coördinator Marc Moons aan de tand over onder meer energiescans, WKK-vennootschappen en de recuperatie van restwarmte uit de industrie.

Energiebesparing is momenteel op veel glastuinbouwbedrijven een bittere noodzaak?
Marc Moons: De jongste twee jaar is de energiekost bijna verdubbeld. Hoewel de prijzen de jongste maanden weer wat gezakt zijn, gaat het nog altijd om een meerprijs van 60 procent in vergelijking met begin 2005. Gelukkig zijn de tomatenprijzen sindsdien redelijk meegevallen. En natuurlijk zien ook de buitenlandse concurrenten hun energiekost stijgen. Men verkijkt zich wel eens op de productieomstandigheden in het zonnige zuiden van Europa. Bij prijsstijgingen krijgt de winterproductie in een land als Spanje steevast de eerste klappen. Daar verbruiken de telers in hun serres meer dan een liter olie per kilogram tomaten, terwijl onze tomatenkwekers het met minder dan een liter doen. Dat heeft te maken met ons gematigd klimaat. In de zomer wordt het bij ons ook nooit té warm om te produceren.

Wat kan de energiecel van het Innovatiesteunpunt doen om de chronische energiecrisis te verzachten?
Onze taakomschrijving is eigenlijk vrij divers. Als het gaat over de modaliteiten voor aardgasaansluitingen spelen we een syndicale rol. Verder speuren we op de markt naar uiteenlopende technologieën die energiebesparingen kunnen opleveren voor boeren en tuinders. Tegelijkertijd trachten we hen met voordrachten te sensibiliseren rond het energievraagstuk, en tot slot hebben we ook een netwerkfunctie. Wij zorgen er bijvoorbeeld voor dat hogescholen en proefcentra niet langer naast elkaar werken. Vraag ons niet naar de kleinste details van iedere commerciële toepassing, maar als generalisten zijn we wel in staat om door te verwijzen naar de juiste experts. De formule slaat aan, want het aantal land- en tuinbouwers dat bij ons aanklopt, gaat in stijgende lijn. Op de eerste grote infobeurs die we in 2004 organiseerden, kwamen 350 betalende bezoekers opdagen. Een jaar geleden kregen we 550 mensen over de vloer. Dat vooral glastuinders geïnteresseerd zijn, is voor de hand liggend: die deeltak is goed voor ongeveer zeventig procent van het agrarische energieverbruik. Op serrebedrijven is de energiefactuur gemiddeld goed voor veertig procent van de totale productiekost, voor de teelt van bijvoorbeeld rozen is dat nog aanzienlijk meer. Maar ook akkerbouwers en veehouders ontdekken steeds nadrukkelijker het energievraagstuk.

Jullie krijgen straks van minister Peeters een tweede energieconsulent om op land- en tuinbouwbedrijven energiescans uit te voeren?
Dat klopt. De eerste energieconsulent is in april vorig jaar gestart, met een sterke focus op de glastuinbouw. Bedoeling is om op jaarbasis honderd scans uit te voeren, en straks kan die capaciteit dus verdubbeld worden. Uit onze opgedane ervaring blijkt dat de energiekost op de wat kleinere bedrijven nog met 5 à 10 procent kan gereduceerd worden, en dit zonder dure ingrepen. Soms moet gewoon een stukje leiding beter geïsoleerd worden of volstaat het om een frequentiegestuurde pomp te plaatsen. Over energieschermen bestaan nog steeds vooroordelen die geen steek houden. Deze techniek is zeer goed ingeburgerd in tomatenbedrijven uit de Noorderkempen. Naarmate je richting kust opschuift, zie je steeds minder schermen. En naast de infrastructuur speelt natuurlijk ook het management een belangrijke rol. Zo kunnen tuinders hun klimaatcomputer permanent afstemmen op het buitenklimaat van de komende dagen. In vaktermen heet dit temperatuursintegratie, iets wat bijvoorbeeld in de sierteeltsector nog in zijn kinderschoenen staat. Voor grote bedrijven die bereid zijn om te investeren, kan de energiebesparing oplopen tot 30 procent en meer.

Gelden die cijfers ook voor akkerbouwers en veehouders?
Daar ben ik van overtuigd. Onze tweede energieconsulent zal zich trouwens meer op de landbouw concentreren. Bijvoorbeeld melkveehouders kunnen een flinke besparing realiseren door het drinkwater van hun dieren op te warmen met de voorkoeling van de melk. Op champignonbedrijven zien we nog wel eens dat tuinders de ene cel aan het koelen zijn terwijl de andere opgewarmd wordt, en dit met twee aparte machines in plaats van een warmtepomp te gebruiken. Wie professioneel met zijn vak bezig is, laat geen kans onbenut om zijn productiekost te doen dalen. Zelfs al gaat het maar om een aantal procentpunten.

Het merendeel van de glastuinders gebruikt nog altijd extra zware stookolie. De omschakeling naar het milieuvriendelijkere aardgas zit in het moeras?
Sinds de liberalisering van de energiemarkt heeft gasinvoerder Distrigas nooit een steviger monopolie gehad. Daar zou dringend iets moeten aan gedaan worden. De jongste jaren zijn alleen nog tuinders met een nieuw WKK-project omgeschakeld naar aardgas.

De jongste tijd hoor je veel praten over partnerships en vennootschappen rond toepassingen voor warmtekrachtkoppeling. Kan je uitleggen waar het precies over gaat?
Vroeger werden WKK-installaties geplaatst door Electrabel en de distributienetbeheerders. Omdat ze twijfelden over de rendabiliteit werden die projecten vanaf het jaar 2000 stopgezet. De introductie van WKK-certificaten veranderde daar niks aan, tot tomatenkweker Geert De Breuck in 2005 een samenwerkingsverband opstartte met een Amerikaanse installateur van WKK-installaties. Zoals we zelf ook al becijferd hadden, bleek het project rendabel te zijn waardoor andere tuinders dit voorbeeld volgden. Tegen eind dit jaar zal in Vlaanderen op basis van deze formule een productiecapaciteit van 60 megawatt in de tuinbouwsector operationeel zijn, wat bijna voor een verdubbeling zorgt van de totale capaciteit die twee jaar geleden beschikbaar was. Een gemiddelde installatie bezit een capaciteit van ongeveer 1,2 megawatt, goed voor een prijskaartje van ruim een miljoen euro. Dat schrikt sommige tuinders echter niet af om een installatie volledig in eigen beheer te plaatsen. Drijfveer is de VLIF-steun van 40 procent, terwijl het beheer van een WKK-installatie toch nog altijd veel technische deskundigheid vergt. Bovendien bestaat de energiemarkt vooral uit grote spelers die hun slaap niet laten voor de belangen van een individuele teler. Tuinders moeten met die factoren rekening houden.

Anderzijds vindt de WKK-technologie geen rendabelere toepassingen dan in de tuinbouwsector?
Dat is juist. De warmte wordt volledig benut, met inbegrip van de rookgassen die CO2 opleveren voor de plantengroei. Hiervoor krijgen glastuinders sinds vorig jaar trouwens extra certificaten.

Een ander modeverschijnsel zijn houtverbrandingsinstallaties. Wat kost zo’n ding?
Reken maar op een gemiddelde prijs van 300.000 à 400.000 euro. Net zoals het geval is voor WKK-installaties bedraagt de terugverdientijd minder dan vijf jaar. Die korte termijn is belangrijk omdat de evolutie van de houtmarkt over een langere periode onzeker is, al ben ik zelf wel optimistisch. De enige bedreiging zijn momenteel de energiecentrales die voor elektriciteitsproductie worden geplaatst. Die verbruiken makkelijk 200.000 ton hout per jaar, een volume dat volstaat voor de verwarming van 200 hectare serres. Om met een laag energetisch rendement van 25 à 30 procent te kunnen overleven op de energiemarkt, krijgen ze groenestroomcertificaten toegestopt. De houtverbrandingsinstallaties van glastuinders leveren een rendement op van 85 procent, maar krijgen daarvoor geen warmtecertificaten. Op die manier dreigen de subsidies voor energiecentrales steeds meer grondstoffen weg te zuigen voor de tuinbouw.

Intussen neemt het aantal houtverbrandingsinstallaties vrij snel toe?
Twee jaar geleden was er slechts één tuinder die zijn serre met hout verwarmde, eind dit jaar zullen het er dertig zijn. Tegenover de hoge investeringskost staat de betrekkelijk lage prijs voor opgeschoond afvalhout. Wie kiest voor verbranding heeft het voordeel dat hij zich enkel moet bekommeren om de aankoop van brandhout. Bij WKK-installaties komt toch wat meer om de hoek kijken, zoals de aankoop van gas, de complexiteit van de infrastructuur en de verkoop van zowel elektriciteit als certificaten.

In plaats van hout zouden tuinders in de toekomst nog andere biomassa kunnen gebruiken om serres te verwarmen?
Er dienen zich inderdaad veel mogelijkheden aan. De komende jaren zullen we immers nog meer biomassa importeren uit andere continenten, bijvoorbeeld voor de productie van plantenolie. De verwerking van koolzaad uit Canada of palmpitten uit Maleisië zorgt voor nevenstromen die kunnen gevaloriseerd worden als veevoedergrondstof, maar ook als energiebron in houtverbrandingsinstallaties.

In Nederland is men wild enthousiast over de ‘Gesloten Kas’ en de ‘Energieproducerende Kas’. Staan onze noorderburen een stapje verder?
Dat is een goeie vraag. In Vlaanderen hebben we op dit ogenblik één semi-gesloten kas, namelijk die van aardbeiteler Guy Herrijgers in Hoogstraten. Daar blijven de ramen van de serre niet het hele jaar gesloten, maar wordt het buitenklimaat functioneel ingeschakeld voor de verwarming en afkoeling van de serre. Dat systeem lijkt op dit ogenblik effectiever te zijn, al is nog verder onderzoek nodig. Allicht zullen de Nederlanders ons de komende jaren waardevolle technologische kascomponenten aanreiken, maar we mogen ons zeker niet blindstaren op het verhaal van de Gesloten Kas. Tegen eind dit jaar zal dit procédé toegepast worden op een areaal van nauwelijks tien hectare. Misschien is het interessanter om te kijken naar hetgeen in Nederland aan de basis gebeurt. Daar worden veel glastuinbouwgebieden aangesloten op de industrie om ongebruikte restwarmte te recupereren. We zien te weinig de essentie van hetgeen in Nederland op grote schaal aan de gang is.

Staan we op dat vlak in Vlaanderen nog nergens?
In opdracht van de Vlaamse regering gaat onze energiecel een project uitvoeren met het oog op de clustering van glastuinbouwbedrijven die de restwarmte van bedrijvenzones gaan hergebruiken. De industrie heeft heel hoge temperaturen nodig voor de productie van stoom, terwijl voor tuinders een temperatuur van zestig graden erg waardevol is voor de verwarming van serres.

Jullie geven ook advies aan landbouwers die zelf energie willen produceren met windmolens, zonnepanelen en biogasinstallaties. Hoe zie je deze technieken evolueren?
Ik begrijp dat een wildgroei van windmolens in agrarisch gebied niet aangewezen is, maar het vergunningsprocédé voor kleinere turbines kan zeker versoepeld worden. De interesse bij boeren is in elk geval zeer groot. Hetzelfde geldt voor zonnepanelen. Daarbij leg je bij wijze van spreken je kapitaal op het dak, in de hoop dat het op een wat langere termijn een redelijk rendement oplevert. We promoten zonne-energie, maar wel met de kanttekening dat de investering niet min is en dat de terugverdientijd toch behoorlijk lang is. Voor biogasinstallaties zou de wetgever dan weer meer rechtszekerheid moeten inbouwen. Dan heb ik het niet alleen over de inplanting van installaties, maar vooral over de rendabiliteit. In Duitsland krijgen de producenten 20 eurocent per kilowatt geproduceerde stroom uit een vergistingsinstallatie. In Vlaanderen halen we diezelfde prijs dankzij de verkoop van elektriciteit en groenestroom- en warmtecertificaten. Maar daar is wel een leveringsplicht met bijhorende boeteclausule aan verbonden. In overeenkomsten met elektriciteitsproducenten wordt overigens maar een vaste prijs gedurende twee à drie jaar gegarandeerd. In Duitsland ligt de prijs vast voor 20 jaar. Dat is een belangrijke boodschap voor de overheid: de Vlaamse energieboer heeft nood aan een rechtszeker en stabiel kader.

Zie je energiegewassen de komende jaren definitief doorbreken in Vlaanderen?
De Vlaamse landbouw bevindt zich vlakbij een chemienijverheid van wereldformaat. Straks zal die biomassa gebruiken voor de vervaardiging van plastics en andere materialen. Dat is een evolutie die we in de gaten moeten houden. Bedrijven zoals Bayer en Shell investeren volop in onderzoek. Misschien moet de landbouwsector ook wat investeren in studiewerk om te kijken welke toekomstkansen onze biomassa in relatie met de chemische sector biedt.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via