nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 


25.06.2007  Milieu primeert op klimaat bij proefveldonderzoek

Vakorganisaties en verzekeringsmaatschappijen puzzelen aan weersverzekeringen. Maar is er door de klimaatverandering ook geen nood aan nieuwe gewassen die extreme weerfenomenen makkelijker verteren? In Beitem weigeren Danny Callens en Daniël Wittouck om de alarmklok te luiden, al hebben ze tientallen hectare experimenteerruimte. Waarvoor worden die proefvelden dan wél gebruikt?

In de groentesector staan vooral Nederlandse multinationals aan de wieg van nieuwe rassen. De voorbije jaren zijn nogal wat zaadhuizen verstrengeld geraakt met producenten van bestrijdingsmiddelen. Voorbeelden zijn de veredelaars S&G en Nunhems, die intussen deel uitmaken van respectievelijk Syngenta en Bayer. In ons land zijn er nauwelijks bedrijven van betekenis die in deze business actief zijn. “De productie van het moderne hybridezaad kost enorm veel tijd en geld”, zegt Danny Callens (39), die in Beitem de veertienkoppige onderzoekssectie van de vollegrondsgroenten leidt. Een kleine tien jaar geleden was prei één van de laatste teelten waar de hybride rassen zijn doorgebroken. Sindsdien hebben opbrengstverhogingen de arbeidsintensieve preiteelt een stuk aantrekkelijker gemaakt.

In het West-Vlaamse proefcentrum hebben de onderzoekers zelf nooit aan echte veredeling van groenterassen gedaan, maar de commerciële zaadhuizen staan wel in de rij om hun nieuwste creaties te laten uittesten op de beschikbare proefvelden. “Op die manier komen de zaadproducenten én boeren op een objectieve manier te weten hoe de innovaties scoren in vergelijking met andere rassen die reeds op de markt beschikbaar zijn. Noem ons gerust de Test-Aankoop voor de groentetelers. Op jaarbasis zijn we in totaal met meer dan honderd rassen bezig”. Tegen betaling voeren de onderzoekers ook privé-proeven uit voor de zaadproducenten, maar Callens verzekert ons dat dit luik slechts een fractie van de onderzoeksinspanningen omvat.

Voor het praktijkonderzoek op openluchtgroenten beschikken ze in Beitem zelf over tien hectare proefvelden. Nog eens hetzelfde areaal wordt gehuurd bij telers. “Het onderzoek naar bijvoorbeeld erwten gebeurt uitsluitend bij landbouwers, omdat deze teelt speciale machines vergt”, legt Callens uit. Dat een deel van het onderzoek op die manier onder praktijkomstandigheden gebeurt, is een bijkomend voordeel. Naast het vergelijkend rassenonderzoek wordt ook gezocht naar teelttechnische knelpunten die een dringende oplossing vergen. Dat kan gaan over bemesting, ziektebestrijding, houdbaarheid of zelfs de schade die duiven aanrichten bij koolgewassen. Zopas heeft het West-Vlaamse provinciebestuur nog 23.000 euro geïnvesteerd in alternatieve afschrikmethoden. Enerzijds komen in Hooglede en Pittem depots waar boeren een ‘scarey man’, imitatieroofvogels en geluidssystemen zullen kunnen ontlenen. Verder komt er ook een meldpunt dat de schade op dertig percelen kwantitatief in kaart moet brengen. “Zo zullen landbouwers, jagers en natuurliefhebbers eindelijk over objectief cijfermateriaal beschikken om in gezamenlijk overleg de beste bestrijdingsstrategie uit te werken”, klinkt het.

Bezint eer ge begint. De praktijkonderzoekers werken met meerjarenplannen die in jaarprogramma’s verder verfijnd worden. “Om die uit te dokteren, leggen we in de eerste plaats ons oor te luisteren bij de telers”, zegt Callens. “Met onze voorstellen trekken we vervolgens naar het technisch comité, waarin niet alleen tuinders zetelen, maar ook vertegenwoordigers van de verwerkende industrie, vakorganisaties en veilingen”. Daar wordt beslist in welke mate prioriteit gegeven wordt aan bijvoorbeeld de valse meeldauw bij erwten of de bladziekten bij wortelen. Dergelijk onderzoek is altijd dansen op een slappe koord. “We hebben al wortelrassen gevonden die een goede resistentie vertonen tegen bladzieken, maar die blijken dan weer een pak gevoeliger te zijn voor bodemziekten”. De teelten waar op dit ogenblik de meeste onderzoeksprioriteit aan gegeven wordt, zijn in volgorde van belangrijkheid prei, koolgewassen, selder, erwten, spinazie, wortelen en bonen.

Of het kan gebeuren dat een proef grandioos de mist ingaat? “Dat valt nooit uit te sluiten. Bij ziekteproeven zitten we uiteraard met de handen in het haar wanneer de ziekte in kwestie niet optreedt op het proefperceel”. Een vijftal keer per jaar worden voor de groentetelers proefveldbezoeken georganiseerd. De opkomst varieert doorgaans van tien tot zeventig geïnteresseerden. Daarnaast versturen de onderzoekers ook nog een nieuwsbrief waarop de telers zich gratis kunnen abonneren. Of de doelgroep op het eigen bedrijf effectief ook lessen trekt uit de onderzoeksresultaten? Callens: “De schaalvergroting in de sector van de industriegroenten zet zich sterk door. Het voordeel is dat de jonge generatie telers beter geschoold is, anderzijds blijft door de toenemende specialisatie steeds minder tijd over om bijvoorbeeld met gele plakvallen de aanwezigheid van de wortelvlieg nauwkeurig op te volgen op alle percelen. Maar in een sector met lage winstmarges kunnen preitelers het zich natuurlijk moeilijk veroorloven om per hectare een opbrengstderving van vijf ton te lijden aan een prijs van bijvoorbeeld een halve euro per kilogram”.

Consument is koning. De klimaatverandering is vooralsnog niet de belangrijkste kopzorg van de onderzoeker. “We proberen bijvoorbeeld de overlevingskansen van nuttige insecten te stimuleren tijdens zachte winters. Maar we moeten ook realistisch zijn: het fenomeen voltrekt zich niet van de ene dag op de andere. De sector en de zaadhuizen hebben dus tijd om zich aan te passen, wat dus stapvoets wel zal gebeuren”. Dat moet letterlijk opgevat worden: de ontwikkeling van een nieuw groenteras neemt al snel acht jaar in beslag. Een veel krachtigere motor achter de teelttechnische veranderingsprocessen in de groenteteelt zijn de consumenteneisen. De druk om minder milieubelastende productiemiddelen in te zetten, neemt voortdurend toe. Voor kleine teelten zijn daardoor steeds minder erkende pesticiden voorhanden. “We nemen op dat terrein een stuk van het onderzoek over van de fytoproducenten”. En dan is er ook nog het nijpend probleem van de nitraatresidu’s. Om een beter inzicht te verwerven in oordeelkundige bemestingstechnieken worden dit jaar in de provincies Antwerpen, Oost- en West-Vlaanderen in totaal vijftien percelen intensief opgevolgd, waarbij het resultaat van verschillende bemestingspraktijken vergeleken wordt.

“Het toegenomen milieubewustzijn is ook bij het praktijkonderzoek voor granen dé trendbreuk in vergelijking met pakweg tien jaar geleden”, zegt Daniël Wittouck (48). “We houden ons vandaag onder meer bezig met innovatieve teelttechnieken. Zo is dit jaar een proef van start gegaan naar driftbeperkende maatregelen bij het gebruik van pesticiden, vooral belangrijk voor percelen die grenzen aan waterlopen. Daarbij wordt de interactie tussen parameters zoals rijsnelheid, doptype en watervolume uitgetest. Het is belangrijk dat de tarweboeren hierover gesensibiliseerd worden voordat de overheid zich genoodzaakt voelt om nog meer bestrijdingsmiddelen uit de markt te nemen”.

Minder pesticiden alstublieft. Er zijn heel wat instellingen in Vlaanderen die zich bezighouden met praktijkonderzoek bij tarwe, maar het proefcentrum in Beitem is de voortrekker en coördinator. De proefvelden liggen verspreid bij een dozijn boeren, waar telkens meerdere proeven aangelegd worden die per deelnemende landbouwer nooit meer dan twee hectare inpalmen. Net zoals bij openluchtgroenten is ook bij tarwe het vergelijkend rassenonderzoek een speerpunt in de proefveldwerking. Met op kop Clovis Matton, Aveve en Jorion zijn in ons land nog meerdere bedrijven actief die zich bezighouden met veredeling. “We zien wel dat het aantal tarwerassen zeer snel toeneemt. In onze proeven duiken dan ook steeds meer buitenlandse zaden op. Daarnaast zien we ook dat de levenscyclus van de rassen steeds korter wordt. In onze proeven is dat drie tot vier jaar, en dus zal dat bij de boer niet veel langer zijn”, zegt Wittouck, die er in één adem aan toevoegt dat voor specifieke teeltomstandigheden specifieke oude rassen wel degelijk kunnen standhouden.

Voor veel landbouwbedrijven blijft tarwe een belangrijke hoeksteen van de bedrijfsvoering. In tegenstelling tot bijvoorbeeld koolzaad is tarwe een goed gekende teelt, die met een beetje geluk een opbrengst van een kleine acht ton per hectare oplevert. “Die quasi zekerheid heeft ervoor gezorgd dat het tarweareaal de voorbije jaren steeds rond de 200.000 hectare is blijven schommelen in ons land, ook al waren de prijzen op een bepaald ogenblik abominabel”. De dalende prijstrend van de voorbije jaren heeft het praktijkonderzoek overigens niet onberoerd gelaten. De speurtocht naar ziekteresistente rassen stond hoog op de agenda. Want hoe ziektegevoeliger, hoe meer geld een boer moet uitgeven aan bestrijdingsmiddelen. Bijvoorbeeld de fusariumschimmel is een kwaaie klant. In Beitem worden teeltmodellen geëvalueerd die schimmelvorming voorkomen. Voor een reeks ziekten en plagen is het hele jaar door ook een waarschuwingssysteem operationeel.

Energietarwe op komst? De onderzoekers raden tarweboeren overigens aan om aan risicospreiding te doen door elk jaar meerdere rassen in te zaaien. Drie of zelfs meer, indien het areaal voldoende groot is. “Geen enkel ras is immers perfect”, zegt Wittouck. “Specifieke weersomstandigheden leggen altijd negatieve raseigenschappen bloot. Dit voorjaar hebben de tarwegewassen buitengewoon veel last van gele en bruine roest. Maar doorgaans is het ene ras al beter bestand tegen een bepaalde omgevingsfactor dan het andere”. Het rassenonderzoek zorgt ervoor dat de potentiële opbrengst van de tarweteelt jaarlijks met ongeveer anderhalve procent toeneemt. “Puur te danken aan raskenmerken, en dus zonder rekening te houden met betere meststoffen of pesticiden”, benadrukt Wittouck. Naar eigen zeggen zijn de boeren dan ook nog altijd erg geïnteresseerd in de proefveldbezoeken. Anderzijds geeft hij toe dat in sommige regio’s de graanhandelaars een sterke stempel drukken op de voorlichting. “Dat maakt het moeilijker om die boeren te bereiken, al merken we dat sommigen ons nog opbellen voor een ‘second opinion’ nadat ze advies gekregen hebben van een handelaar”.

Vast staat dat boeren opnieuw enthousiast zijn om tarwe in te zaaien sinds de prijzen door de droogte in Australië en de opmars van de biobrandstoffen gestegen zijn. Zowel bij BioWanze als bij Bio Alco Fuel zou twee derde van de grondstoffen uit granen bestaan. De fabrieken staat er nog niet, maar de bedrijven sluiten al wel contracten met gespecialiseerde akkerbouwers die van Europa energiegewassen mogen telen op hun obligate braakgronden. Of er onderzoek verricht wordt naar specifieke energietarwe? “Diverse bedrijven zijn bezig met de veredeling, maar die rassen zijn nog niet beschikbaar op de markt”. En wat met de klimaatverandering? “De bladluizen hebben de zachte winter makkelijk kunnen overleven. Nooit eerder zijn ze zo vroeg in het voorjaar in dergelijke hoeveelheden opgedoken. De groei van de tarwe raakte geblokkeerd door de extreem lange droogte in april. Toen er uiteindelijk toch regen uit de lucht viel, viel een abnormaal groeipatroon te bespeuren. Het wijzigende klimaat is alleszins een fenomeen dat verder moet opgevolgd worden”.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via