nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 


02.01.2009  Na 2013 | Geschiedenis

De wortels van het huidige Europese landbouwbeleid liggen in de jaren 1940. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel de gewone voedingsmarkt stil en controleerde de Duitse bezetter de landbouwsector. De meeste mensen hadden maar net genoeg te eten. Velen leden zelfs honger. Wanneer in 1945 de oorlog eindigde, groeide het besef dat een terugkeer naar de vooroorlogse landbouw niet de juiste keuze was.

De geboorte van een Europees landbouwbeleid
De Europese markten werden in de onmiddellijke naoorlogse periode geleidelijk aan geïntegreerd, een internationalisering die ook voor de landbouwsector verstrekkende gevolgen inhield. België, Nederland en Luxemburg realiseerden al een douane-unie in 1944 (Benelux). De Luxemburgse en Belgische landbouwers vreesden evenwel de concurrentie van de goedkopere Nederlandse zuivel- en tuinbouwproducten. Ze dwongen daarom de invoering van minimumprijzen af. Aanvankelijk was de Belgische landbouwsector niet gewonnen voor de idee van een Europese geïntegreerde landbouwmarkt, zeker niet alvorens een uniforme economische politiek was uitgestippeld. Landbouwersverenigingen zoals Boerenbond wilden de controle over de sector niet zomaar afstaan aan supranationale instellingen en verdragen. De nationale landbouw moest indien nodig kunnen blijven rekenen op bescherming van de eigen overheid.

verdrag van Rome.jpgDe Belgische boeren schaarden zich echter na verloop van tijd alsnog achter de Europese gedachte. Ze hoopten via een gemeenschappelijke Europese markt vlotter buitenlandse consumenten te kunnen bereiken. De fors groeiende productie had daar immers meer dan ooit nood aan. De Europese Economische Gemeenschap, gesticht met het Verdrag van Rome, ging van start op 1 januari 1958. De eerste lidstaten waren België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Duitsland en Italië. Het Europese landbouwbeleid werd uitgetekend in datzelfde jaar op de Conferentie van Stresa. Minimumprijzen en het opdrijven van de productiviteit (via veredeling, specialisatie en mechanisering) stonden centraal, net als het beschermen van het gezinsbedrijf.

Aansluitend op de Stresa-conferentie formuleerde de Europese Commissie meer definitieve voorstellen over de inrichting van een Gemeenschappelijk Landbouwbeleid. De grondslagen hiervan waren vierledig: een degelijk landbouwinkomen, een productiviteitstoename, stabilisatie van de markten en tenslotte een optimale voedselvoorziening. In de loop van de jaren 1960 trad de gemeenschappelijke marktordening of het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid per productgroep in werking. Al spoedig zou blijken dat bovenstaande principes niet volledig met elkaar te verzoenen waren.

Boterbergen.jpgOm het landbouwersinkomen op peil te houden, werd voor een aantal producten met een interventieprijs gewerkt. Wanneer een landbouwer zijn producten niet kwijt kon op de markt (in binnen- of buitenland), dan kocht Europa de productie op en werd die ergens opgeslagen. Het was de bedoeling om die levensmiddelen alsnog te verkopen wanneer de vraag was gestegen of wanneer de prijs was toegenomen. De in- en uitvoer werden eveneens strak geregeld. De invoer naar de lidstaten van de Europese Gemeenschap werd middels importheffingen aan banden gelegd om de Europese landbouwer te beschermen. Omgekeerd genoten de Europese landbouwondernemingen van exportsubsidies of -restituties voor een aantal producten, wanneer bijvoorbeeld de prijs op de wereldmarkt lager was dan de Europese prijs. Ook dat betekende een inkomensgarantie voor de boer. Al mag niet worden vergeten dat belangrijke sectoren zoals de groente- en fruitteelt, de varkens- en pluimveeindustrie niet konden rekenen op deze extra financiële steun. Alle exporterende boeren haalden wel profijt uit het opheffen van de belemmeringen en grenzen tussen de lidstaten. Het beschermende klimaat en vooral de interventiepolitiek maakten dat de landbouwsector volop koos voor het opvoeren van de productie. Het resultaat is gekend. Reeds op het einde van de jaren 1960 was de overproductie duidelijk en kreeg men af te rekenen met boterbergen, melkplassen en wijnmeren.

De Europese Commissie diende op 10 december 1968 bij de Europese Raad het Programma Landbouw 1980 in. Het werd later beter bekend (en in vele ogen zelfs berucht) als het Plan Mansholt, genoemd naar de toenmalige Commissaris voor Landbouw Sicco Mansholt. De voormalige Nederlandse landbouwminister wenste de structuur van de Europese landbouwbedrijven drastisch te hervormen om paal en perk te stellen aan de toenemende productieoverschotten. De productie steeg immers sneller dan de interne vraag en ook de afzetmogelijkheden op de wereldmarkt waren beperkt. Hierdoor bleef de inkomensontwikkeling van landbouwers achter op die van werknemers in andere sectoren. Volgens het plan Mansholt waren de landbouwondernemingen te klein, hanteerden de boeren een te intensieve productiewijze en volgden ze de marktontwikkelingen niet op de voet. Of met andere woorden: het normale markt- en prijsmechanisme werkte niet. Het Plan Mansholt bevatte zes doelstellingen. Het wenste de uitgaven te beperken in het kader van een stabilisatie van de markten. Grotere, economisch rendabele landbouwbedrijven waren nodig. Een efficiënt markt- en prijsbeleid moest de productie in overeenstemming brengen met de behoeften. Men wilde de landbouwsector ook inkrimpen door het onttrekken van vijf miljoen hectare cultuurareaal en het laten afvloeien of heroriënteren van circa vijf miljoen landbouwers richting industrie en dienstensector of pensioen. Tenslotte hoopte Mansholt dat, via een betere promotie en marketing van landbouwproducten en levensmiddelen, de overproductie een halt kon worden toegeroepen.

Plan Mansholt.jpgNiet verwonderlijk lokte het Plan Mansholt heel wat verzet uit bij de kleinere boeren en bij de landbouwersverenigingen. Ze vreesden voor hun toekomst en stelden dat ze onmogelijk verder konden investeren en mechaniseren wanneer de landbouwprijzen bleven dalen. De landbouwers verzamelden met ongeveer 100.000 in Brussel op 23 maart 1971 voor één van de woeligste betogingen in de Belgische naoorlogse geschiedenis. Ondanks alle protest maakte Europa werk van de hervormingen. Het Plan Mansholt kon echter evenmin een einde maken aan de gigantische productieoverschotten, onder meer omdat het landbouwareaal nauwelijks werd afgebouwd. De boterbergen en melkplassen groeiden zelfs nog verder aan. De impact van de almaar toenemende landbouwproductie op het Europese budget was enorm. Vanaf de late jaren 1970 gingen steeds meer stemmen op om het Europese landbouwbeleid te hertekenen. Inkomensbewaking en -garantie voor landbouwers konden nog, maar ze mochten niet langer leiden tot onaanvaardbare economische en financiële verspilling.

Een nieuwe richting uit
Een fundamentele hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid kwam er tenslotte in 1984. De kwaliteitseisen werden verscherpt en de interventie werd beperkt, via de zogenaamde garantiedrempels die sinds 1977 waren ingesteld. Daarnaast schakelde Europa over naar een meer restrictief prijsbeleid: de prijsstijgingen moesten binnen de perken blijven. Productiequota en -drempels werden geïntroduceerd om vraag en aanbod opnieuw in overeenstemming te brengen. De zuivelsector kreeg melkquota en de graanproductie trachtte men onder controle te houden via een medeverantwoordelijkheidsheffing. Wanneer landbouwers te veel produceerden moesten ze een boete, een superheffing betalen. De verantwoordelijkheid voor de overproductie kwam zo bij de individuele boer te liggen. Een zekere soepelheid, met zelfs tijdelijke inkomenssteun, moest de inspanningen van de landbouwers haalbaar maken. De zuivelsector kreeg als eerste te maken met de hervormingsmaatregelen, enkele jaren later volgde de rundvleessector. Het resultaat was evenwel niet zoals gewenst en verhoopt. De productie vertoonde in sommige landen weliswaar een dalende tendens, maar de overschotten waren nog niet weggewerkt.

Melkkaart.jpgEen verdere bijsturing van het beleid kon, onder meer omwille van een hoge buitenlandse druk, niet uitblijven. De Ierse landbouwcommissaris Ray MacSharry duwde in 1992 een verdere hervorming van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid door. Invoerheffingen en minimumprijzen werden verlaagd. Directe inkomenssteun voor de boer en steun voor een meer extensieve en milieuvriendelijke landbouw waren de nieuwe instrumenten. Met Agenda 2000 werd deze aanpak verder gestimuleerd en ontpopte plattelandsontwikkeling zich ook echt tot de tweede pijler van het Europese landbouwbeleid, met meer inspraak van de regio’s.

De Mid Term Review of MTR legde halverwege de periode 2000-2006 weer andere accenten. Beleid en regelgeving focusten op voedselkwaliteit en -veiligheid, dierenwelzijn, landschaps- en natuurwaarden. Boeren kregen voortaan een “bedrijfstoeslag”, één steunbedrag los van het productieniveau, maar gekoppeld aan voorwaarden op het vlak van natuur, milieu, dierenwelzijn en voedselveiligheid.

Vandaag gaat ongeveer 40 procent van het Europese budget naar landbouw. Ter vergelijking: begin jaren 1980 is dat nog 75 procent. In 2013 is dat nog een kwart volgens de verwachtingen. Dit lijkt veel, maar het landbouwbeleid wordt bijna volledig door Europa betaald. Meer zelfs, diezelfde landbouwuitgaven vertegenwoordigen in de totale overheidsuitgaven van alle lidstaten samen ongeveer één procent. De gemeenschappelijke landbouwpolitiek, uiteraard versterkt door andere ontwikkelingen, zorgde er wel voor dat de West-Europese consument sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog geen voedselschaarste meer kent en dat voedsel bovenal goedkoop, kwaliteitsvol en veilig is. Vandaag bedragen de uitgaven voor levensmiddelen minder dan 15% van de totale gezinsuitgaven. Een halve eeuw geleden was dat nog zeker 40%.

Een uitgebreide en rijkelijk geïllustreerde geschiedenis van het Europese landbouwbeleid is te vinden op www.hetvirtueleland.be.

Bron: CAG

Beeld: CAG

Volg VILT ook via