nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Leen Schrevens (Groene Kring) & Lambert Schoenmaekers (Natuurpunt)
07.02.2011  Natuurbescherming als kans of bedreiging voor de boer?

Eind vorig jaar nodigde Groene Kring minister-president Kris Peeters uit om in Limburg te komen luisteren naar de bezorgdheden van jonge landbouwers. “Wij vertelden hem dat ruimte in Vlaanderen schaars is en jonge boeren in Limburg bovendien geconfronteerd worden met een trage herbevestiging van het agrarisch gebied en de nadrukkelijke aanwezigheid van natuurbeschermingszones”, zegt voorzitter Leen Schrevens. Dat natuur het schijnbaar moest ontgelden als zondebok, viel niet in goede aarde bij Natuurpunt. Daarom lanceert bestuurslid Lambert Schoenmaekers een oproep naar de landbouwsector om mee zorg te dragen voor landschap en natuur. “Alleen wanneer landbouwers massaal meestappen in dat verhaal, mogen zij zich ‘landschapsbouwers’ noemen want vandaag zijn beheerovereenkomsten veeleer een druppel op een hete plaat”, zegt Schoenmaekers. VILT sprak met hen over ruimtelijke afbakening en natuurbescherming en vernam dat de landbouwer een ‘plattelandsondernemer’ kan worden.

“In het debat over de schaarse open ruimte in Vlaanderen en de druk op het landbouwareaal moet natuur het al te vaak ontgelden als grote zondebok”, uit Lambert Schoenmaekers de frustratie van Natuurpunt. “Laat ons duidelijk zijn, natuur is helemaal niet die grote bedreiging voor landbouw.” In het Witboek Landbouwonderzoek is immers te lezen dat van de 166.000 hectare landbouwgrond die tussen 1985 en 2005 verdween, 154.000 hectare ingepalmd werd door bebouwing. Ook de ‘verpaarding’ van het buitengebied beschouwt hij als een belangrijke druk op het landbouwareaal aangezien de K.U. Leuven in 2009 vaststelde dat circa 69.300 hectare in België - waarvan de ruime meerderheid in Vlaanderen - gebruikt wordt als paardenweide. Circa 60.000 hectare in Vlaanderen wordt bewerkt door zogenaamde ‘pensioenboeren’, wat bijgetreden wordt door Leen Schrevens.

Zij ontkent echter stellig dat natuur de grote zondebok wordt genoemd in landbouwmiddens. “Er zijn verschillende ruimtegebruikers, maar specifiek voor het noorden van Limburg ziet Groene Kring de druk op landbouwgrond toenemen en dit voornamelijk door natuur”, zegt Schrevens. Zij maakte deze bezorgdheid over aan Kris Peeters omdat jonge boeren bij de start van hun carrière nood hebben aan zekerheden voor de verdere uitbouw van hun bedrijf. “In andere regio’s en provincies zal niet natuur, maar kunnen bijvoorbeeld bebouwing en industrie de grote ‘tegenhanger’ zijn van de exploitatie van landbouwgronden”, verduidelijkt Schrevens.

Volgens Schrevens kan men echter niet om de vaststelling heen dat de vaart waarmee agrarisch gebied wordt herbevestigd, enorm verschilt van regio tot regio. “Dan is het toch logisch dat boeren in het noorden van Limburg - waar veel speciale natuurbeschermingsgebieden liggen - zich afvragen waarom amper 40 procent van het agrarisch gebied herbevestigd is, terwijl dit in de Leiestreek al 80 procent bedraagt”, meent Schrevens. “De herbevestiging van het agrarisch gebied is vooral een politiek manoeuvre dat boeren niet meer rechtszekerheid geeft omtrent de bestemming van hun gronden”, repliceert Schoenmaekers. “In dat opzicht is het jammer dat landbouworganisaties als Groene Kring zoveel belang hechten aan die herbevestiging.”

Schoenmaekers verwijst naar de algemene consensus (inclusief landbouworganisaties) die in 1997 tot stand kwam om 56.000 hectare die geel ingekleurd was op de gewestplannen van agrarisch gebied te herbestemmen naar natuur, bos, industrie en recreatie. “Op dat ogenblik was er 806.000 hectare als agrarisch gebied ingekleurd, wat niet wil zeggen dat die volledige oppervlakte door landbouw in gebruik was.” In Vlaanderen is 620.000 hectare in gebruik door professionele land- en tuinbouwers, leert ons een lezing van het Landbouwrapport 2010. “Het afbakeningsproces stokte omdat men niet of nauwelijks aan de boeren heeft verteld dat de afspraak was om die 56.000 hectare geel bestemd gebied los te laten”, zegt Schoenmaekers. Die consensus werd vertaald in de bindende bepalingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, maar de politiek draaide de boodschap om en beloofde 750.000 hectare agrarisch gebied te herbevestigen. Dat laatste is volgens Schoenmaekers een regeringsbeslissing die lang niet de rechtszekerheid biedt van het juridisch beter verankerde gewestplan.

“Vanuit Groene Kring wordt er dan ook voortdurend op gehamerd dat herbevestigd agrarisch gebied rechtszekerheid moet bieden aan landbouwers”, zegt Schrevens. Momenteel verloopt de afbakening van landbouw- en natuurgebied binnen het zogeheten Agnas-coördinatieplatform, waar zowel Groene Kring als Natuurpunt hun volle medewerking aan verlenen. Schrevens ervaart het als positief dat alle actoren in een vroege fase van het afbakeningsproces betrokken zijn en dat vroegtijdig en op uniforme wijze de impact op landbouw wordt onderzocht.

Van de zijde van Natuurpunt wenst men dat de afbakening sneller verloopt. “Aan het huidige tempo zijn we nog meer dan 15 jaar bezig. Dat zorgt voor aanhoudende onrust op het platteland. Zodra met de landbouwsector op perceelsniveau moet worden gepraat, rijdt het afbakeningsproces vast in het moeras”, stelt Schoenmaekers vast. Daarom vraagt hij van de landbouworganisaties de nodige stappen om de afgesproken oppervlakte los te laten zodat er ruimte is om blauw-groene RUP’s (ruimtelijk uitvoeringsplannen, nvdr.) in het leven te roepen. “Door werk te maken van waterberging in beek- en riviervalleien boek je driemaal winst: je hebt minder kans op overstromingen, je realiseert bijkomende natuur en de landbouw stoot gronden af die zo nat zijn dat de bewerking ervan meestal een hoge inzet van middelen (zoals drainage) vergt. Kortom, ze hebben door hun natuurlijke handicap een lager rendement”, meent Schoenmaekers.

Schrevens wijst op de verschillen die bestaan tussen valleigebieden aangezien heel wat laaggelegen percelen zich juist uitermate lenen tot landbouw en vaak van historisch belang zijn voor de landbouw. “De overstromingskaarten erbij halen, kan daar duidelijkheid in scheppen”, repliceert Schoenmaekers. “Maar indien alles op perceelsniveau moet worden aangeduid, dan verlamt dat de afbakening en blijven dure en mooie plannen voor overstromingsgebieden in de kast liggen. Het ontwikkelingsplan voor de Demer is daarvan een pijnlijk voorbeeld”, meent hij. We moeten natte moerassen en droge voeten hebben en niet omgekeerd”, zegt Schoenmaekers met een boutade. “Dat kan niet als het beleid in eerste instantie de boer en pas dan het algemeen belang dient. Immobilisme in het buitengebiedbeleid is daarvan een gevolg”, beweert het bestuurslid van Natuurpunt. Concreet gaat het voor de natuurorganisatie dan om het gebrek aan bijkomende bosgebieden, de trage afbakening van de bijkomende natuur, het aanduiden van overstromingsgebieden en de afkalving van ons landschappelijk erfgoed.

Schrevens herinnert eraan dat een boer ook een burger is die bescherming van zijn eigendom verdient. “Landbouwers realiseren hun inkomen door middel van hun grond zodat een individuele landbouwer steeds vergoed moet worden als hij moet wijken voor natuur”, benadrukt Schrevens. Schoenmaekers verwijst naar Nederland waar de overheid doortastend optreedt door te betalen voor particulier natuurbeheer en waar zij kiest voor volledige bedrijfsverplaatsingen. Hij meent dat de gepaste instrumenten (kapitaal- en gebruikersschade) in Vlaanderen ook aanwezig zijn. “De overheid moet een flankerend beleid voeren en knopen durven doorhakken om te vermijden dat we verzanden in immobilisme.” Schoenmaekers verduidelijkt dat de natuurbeweging twee blijvende verwachtingen heeft ten aanzien vande landbouwsector: “Enerzijds vragen we doortastende samenwerking om - zoals afgesproken - die 48.000 hectare agrarisch gebied te herbestemmen zodat daar ooit 38.000 ha natuur en 10.000 ha bos kan worden gerealiseerd. Anderzijds vragen we een minimum aan ecologische infrastructuur (kleine natuurelementen) in het landbouwgebied.”

Wanneer we polsen naar de rol van landbouwers als ‘landschapsbouwers’, blijkt Schoenmaekers daar meteen een groot voorstander van. “Reeds in januari 2003 heb ik de term landschapsbouwer gelanceerd tijdens een dialoogdag Agrarisch Natuurbeheer”, zegt Schoenmaekers. “Als landbouwers natuur- en landschapszorg opnemen in hun bedrijfsvoering, dan ben ik hun grootste supporter. Een boer mag best een wezenlijk deel van zijn inkomen realiseren met de zorg voor landschapselementen, op voorwaarde dat het goed gebeurt”, zegt Schoenmaekers. “Zoals een landbouwer perfect weet hoe hij zijn tarwe, bieten of maïs moet verzorgen, zo zou hij met liefde en kennis van zaken aan het landschap kunnen werken. Daar is nog een weg te gaan want de meerderheid van de boeren heeft nog weinig notie van de basisbeginselen van ecologische samenhang.” Ook bij Groene Kring valt het idee van de landbouwer die aan landschapszorg doet in goede aarde. “Het moet weliswaar een vrijwillige keuze zijn in hoofde van de landbouwer en hij moet billijk vergoed worden voor de maatschappelijke diensten die hij verleent”, aldus Leen Schrevens.

De landbouworganisaties hebben het vermogen om boeren te begeleiden in het maken van die keuze, meent Schoenmaekers. “Vroeger was natuur het toevallige nevenproduct van landbouw, maar door de ontwikkelingen van de laatste 50 jaar is dat verloren gegaan. Decennialang heeft men boeren geleerd om op elke vierkante meter maximale productie na te streven zodat de jongste generaties landbouwers veel biodiversiteit verbruiken. De druk vanuit de milieu- en natuurbeweging en de samenleving in het algemeen neemt toe om het anders te doen. Maar als mensen zien dat boeren het openbaar domein, zeg maar de berm langs hun perceel mee omploegen en inzaaien of kapot spuiten, dan kan je niet verwachten dat het geloof in de landbouwer als landschapsbouwer meteen erg groot is”, maakt Schoenmaekers enkele bedenkingen. “Ik vraag niet om terug te keren naar de landbouw uit vervlogen tijden, maar hoop wel dat met de steun van de landbouworganisaties een mentaliteitswijziging mogelijk is in de moderne landbouw. De mentaliteit van de ‘heer en meester van het platteland’ kan maar beter verlaten worden, wil de landbouwer de plattelandsondernemer worden die in het Landbouwrapport (LARA) van 2008 zo mooi beschreven staat.”

Schrevens geeft aan dat Groene Kring achter het idee van de ‘plattelandsondernemer’ staat zoals beschreven in het LARA, maar dat de voornaamste taak van een landbouwer voedselproductie moet blijven. “Een ondernemer speelt in op wat de samenleving verlangt en de zorg voor het landschap en de natuur is vandaag één van die maatschappelijke vragen”, pareert Schoenmaekers. “De landbouwsector anticipeert te weinig op maatschappelijke noden, wat jammer is. In dat opzicht zou wat het Innovatiesteunpunt doet, mainstream moeten worden in de land- en tuinbouw.” Net zoals sommige bedrijven kiezen voor intensivering en schaalvergroting, kiezen andere volgens de voorzitter van Groene Kring voor verbreding. In dat opzicht meent zij dat elke landbouwer het recht moet hebben om een vrijwillige keuze te maken die aansluit bij zijn of haar bedrijf en omgeving.

Natuurpunt streeft naar een landschap met inhoud en dat kan volgens de organisatie hand in hand gaan met een rendabele landbouwexploitatie. “Een groene weide voldoet evenwel niet aan die definitie als het gaat om een monocultuur van raaigrassen waar flora en dus ook fauna verloren gaat”, lost Schoenmaekers een schot voor de boeg. Hij dringt erop aan dat landbouwers veel meer gebruik zouden maken van beheerovereenkomsten om vergoed te worden voor blauwe en groene diensten. “Misschien moet je inderdaad intensief aan landbouw doen, maar kies dan bijvoorbeeld voluit voor natuur op de perceelsranden. Als je maar vijf procent van de landbouwgrond zou gebruiken om met natuur te dooraderen, zou je wonderen doen op het vlak van biodiversiteit”, is Schoenmaekers stellig overtuigd.

“Vandaag gebeurt dat nog veel te weinig”, meent hij, “want men is te lief voor de sector wanneer men de beheerovereenkomsten een succes noemt.” Hij geeft het voorbeeld van 237 kilometer hagen waarvoor landbouwers in zes jaar tijd een beheerovereenkomst afsloten, wat neerkomt op “niet eens één kilometer per Vlaamse gemeente”. “Ook het aantal houtkanten is met amper 30 are per gemeente ver beneden de mogelijkheden die er zijn en veel te weinig om op landschapsniveau betekenisvol te zijn. Hier liggen nog zoveel kansen. Dergelijke resultaten kun je moeilijk een succes noemen”, stelt Schoenmaekers. Hij suggereert dat elke gemeente een landschapsplan zou moeten hebben en daarbij ondersteuning moet krijgen van een bedrijfsplanner van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM). “Met zulke omkadering kun je boeren helpen en het papierwerk voor hun organiseren. Zo krijg je ontzettend veel gedaan, ook van individuele landbouwers”, aldus Schoenmaekers.

Schrevens gaat wat op de rem staan en vraagt landbouwers langzaam te laten groeien in hun rol als plattelandsondernemer. “Minister van Leefmilieu Joke Schauvliege is tevreden dat beheerovereenkomsten opgepikt worden door landbouwers, maar samen met haar gaan ook wij ervan uit dat de grens niet bereikt is”, verklaart Schrevens. Haar gesprekspartner lanceert de originele oproep om landschapsonderhoud te promoten als een hoeveproduct. “De samenleving is vandaag immers bereid om te betalen voor natuurbeheer door landbouwers, zoveel blijkt wel uit de billijke vergoedingen voor beheerovereenkomsten”, stelt Schoenmaekers. “Boeren moeten dus massaal meegenomen worden in dat verhaal zodat in landbouwmiddens natuur niet langer als een bedreiging wordt opzij geschoven.”

Alleen in de bestaande natuurgebieden hou je volgens Schoenmaekers de ‘oorspronkelijke’ soortenrijkdom van Vlaanderen niet overeind. “Uit de Natuurindicator 2008 blijkt dat amper 40.000 hectare effectief als natuur wordt beheerd in Vlaanderen, al is er op de plannen wel een grotere oppervlakte als natuur bestemd”, zegt Schoenmaekers. “Wil natuur niet geïsoleerd raken op enkele ‘zakdoeken’, hebben we nood aan een nationaal en internationaal concept van verweving en verbinding.” Natuurverbindingsgebieden zijn volgens het bestuurslid van Natuurpunt slechts een gentlemen’s agreement, waar de hoofdfunctie - bijvoorbeeld landbouw - blijft primeren en op vrijwillige basis aan natuurbescherming gedaan wordt. “Als landbouworganisaties natuurverbindingsgebieden een bedreiging noemen, dan zeg je in feite dat landbouw en natuur niet samengaan”, aldus Schoenmaekers. Dat is volgens Schrevens niet wat de landbouworganisaties vertolken, maar een individuele landbouwer kan het volgens haar wel zo aanvoelen omdat weinig mensen de precieze gevolgen van de aanduiding als natuurverbindingsgebied kennen. Als organisaties vertolken Boerenbond en Groene Kring volgens haar het standpunt “landbouw en natuur scheiden waar kan en verweven waar moet”.

Die vrees onder de boeren toont volgens Schoenmaekers aan dat landbouwers niet correct zijn geïnformeerd over het statuut van natuurverbindingsgebieden zoals die in het Natuurdecreet en de ruimtelijke structuurplanning zijn aangegeven. “De indianenverhalen moeten de wereld uit”, luidt zijn advies. “Ik tracht zelf het goede voorbeeld te geven door duidelijk te zeggen dat het nieuwe groen dat boeren aanleggen in het kader van beheerovereenkomsten ’vrij groen’ zou moeten zijn. “Past een nieuwe heg of houtkant niet meer in de bedrijfsvoering, geef dan de mogelijkheid om dit element te verwijderen, of als het kan te verplaatsen naar een ander perceel. Dat is zonde van het jonge landschapselement dat verloren gaat, maar het maakt meteen komaf met de fabel dat natuurorganisaties op de loer liggen om landbouwpercelen met nieuwe natuurwaarden in te lijven”, zegt Schoenmaekers. Bovendien ervaren boeren deze aanpak als vorm van rechtszekerheid “Door dat vertrouwen te geven, hoop ik meer landbouwers over de streep te trekken om beheerovereenkomsten en agromilieumaatregelen op grotere schaal af te sluiten.” Schrevens beaamt dat er bij landbouwers nog wantrouwen leeft en benadrukt dat ook tussen landbouw- en natuurorganisaties het vertrouwen moet groeien om overleg op alle niveaus mogelijk te maken.

“Individuele boeren doen soms prachtige zaken op het vlak van landschapszorg. Laat ons de mythes dus niet in stand houden en zeg niet bij voorbaat dat boeren niet klaar zijn voor een rol als landschapsbouwer”, zegt Schoenmaekers met overtuiging. Hij acht het dan wel noodzakelijk dat landbouworganisaties hun leden-landbouwers veel meer dan nu overtuigen van de kansen die beheerovereenkomsten bieden. Als voorbeeld van communicatie die het traditionele denken doorbreekt, noemt hij het project ‘Gluren bij de buren’ dat in 2005 werd opgestart en verscheidene vervolgacties kreeg. In regio Limburg gingen boeren en natuurbeschermers op elkaars terreinen een kijkje nemen en beluisterden ze elkaars zorgen. “We moeten inderdaad zoeken naar wat ons bindt, namelijk het behoud van de open ruimte, en de kansen die daar voor landbouw én natuur liggen”, klinkt het eensgezind. “Er zijn immers maar twee partijen die strijden voor de open ruimte zodat samenwerken nodig is”, voegt Schrevens toe. Zij geeft aan dat beide partijen moeten werken aan correcte en volledige communicatie en vraagt dat natuurorganisaties extra inspanningen zouden leveren om hun achterban te informeren over het volledige plaatje. “De natuurbeweging mag niet vergeten dat landbouw voedselproductie tot doel heeft en een economische activiteit is waaruit een leefbaar inkomen moet voortvloeien”, verklaart Schrevens. “Als landbouwers het behalen van landschaps- en natuurdoelen kunnen integreren in die economische activiteit, gaan we er geraken”, besluit Schoenmaekers.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via