nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


15.03.2007  Nieuw kleedje van Mestbank méér dan schapenvacht?

De Mestbank moet straks niet alleen de rol van mestpolitie maar ook die van boervriendelijke adviseur vertolken. Iedere provinciale afdeling bouwt daarom een dienst uit die een knipperlichtfunctie moet vertolken voor landbouwers met onevenwichtige mestbalans. Om te kijken hoe een Mestbank-controle nu eigenlijk in de praktijk verloopt, kropen we in de jeep bij twee Limburgse inspecteurs.

De Mestbank zit vol met kommaneukers die geen jota kennen van landbouw. Vrij vertaald is dat de mening van nogal wat boeren en hun syndicale vertegenwoordigers. In de Limburgse buitendienst van de Mestbank kunnen ze erover meespreken. In 1995 versperde een horde boeren de toegang tot de kantoren met een karrenvracht mest. De gemoederen zijn al lang weer geluwd, maar het imago van de mestcontroleurs blijft zorgwekkend. Worden de inspecteurs van het Voedselagentschap minder op de korrel genomen omdat zij een gedragscode en geüniformeerde checklists gebruiken? “Wij hebben ook een lijst met ethische principes voor onze controleurs, maar lopen er niet mee te koop”, schudt Decrop het hoofd. “Het verschil is dat de Mestbank ontstaan is uit een milieuprobleem dat de boer alleen maar lasten en geen lusten oplevert. Veilig voedsel brengt de boer meer op dan proper water”.

De Mestbank heeft 180 personeelsleden in dienst. Het takenpakket is verscheiden: het in kaart brengen van de mestsituatie in Vlaanderen, adviesverlening inzake vergunningen, de opvolging van productiebeperkingen door de nutriëntenhalte, het databeheer van mestproductie- en transport, de ondersteuning van wetenschappelijk onderzoek en steun aan mogelijkheden voor mestverwerking. Opmerkelijk is dat slechts 33 medewerkers de controletaak over het hele Vlaamse grondgebied moeten waarmaken. Op basis van alle geïnventariseerde gegevens stelt de Mestbank wel jaarlijks een mestbalans op per bedrijf. Op basis van die informatie wordt een prioritaire controlelijst opgemaakt. Vorig jaar werden ongeveer tweeduizend inspecties uitgevoerd die uitmondden in een 500-tal processen-verbaal. “In een kwart van de gevallen is sanctionering inderdaad noodzakelijk”, zegt Johan Decrop. “Vergeet echter niet dat we op basis van ons gegevensbeheer gerichte controles uitvoeren bij risicobedrijven. In de andere gevallen wordt geen inbreuk vastgesteld of wordt sensibiliserend opgetreden”.

Daarnaast hanteert de Mestbank bij de uittekening van zijn inspecties ook een jaarkalender. In het voorjaar hebben de controleurs extra aandacht voor bemesting en mestbalansen, in de zomermaanden staan de beheerovereenkomsten op het menu en in het najaar gebeuren de staalnamen om reststikstof in de bodem te meten. Vanaf april worden het hele jaar door veevoederstalen genomen om te checken of de mengvoederproducenten zich houden aan de afspraken over fosfor- en eiwitarme voeders. Johan Decrop: “Bijkomend organiseren we ieder jaar ook nog één of twee thema-acties. Zo hebben we begin dit jaar onze aandacht gefocust op mestopslag en dierbezetting. Globaal verdelen we deze acties over zowel de mestproductie, het vervoer als het uitrijden van de mest”. In het lijstje van de vastgestelde overtredingen staan overbemesting (30 pct) en foutieve aangiften (27 pct) afgescheiden bovenaan, op afstand gevolgd door inbreuken in verband met niet-bewezen mestafzet (16 pct), de vervoersreglementering (14 pct), lozingspraktijken (6 pct), de emissiearme aanwending van mest (5 pct), het dierregister (1 pct) en de uitrijregeling (1 pct).

Blij ondanks boete. De Mestbank is al vijftien jaar actief bezig op het terrein. In welke mate hebben de landbouwers daardoor hun mestmanagement bijgestuurd? “Vijf jaar geleden was de emissiearme aanwending van mest nog een immens probleem”, vertelt Carine Verheyen, die de controledienst in Limburg leidt. “In die periode kon je loonwerkers meteen onderscheiden van de boeren. Nu hebben ook de landbouwers zich het nodige materiaal aangeschaft om hun mest meteen onder te werken. Eén van de gevolgen is dat er in onze provinciale afdeling nauwelijks nog klachten binnenlopen van niet-landbouwers wegens geurhinder. Als er nog klachten binnenkomen, gaat het meestal om landbouwers die ontoelaatbare praktijken van collega’s aanklagen. Veel boeren zijn bekommerd om het imago van hun sector”. Johan Decrop beaamt: “Tot drie jaar geleden verzamelden we gegevens om vervolgens alleen maar de grootste risicogevallen te onderzoeken en indien nodig serieus te verbaliseren. We pikten er bij wijze van spreken de honderd boeren met de slechtste mestbalans uit. Daar gingen we dan controleren. Op zich was dat voor die categorie bedrijven inderdaad een puur repressieve aanpak, maar vergeet niet dat het hier om duidelijke risicobedrijven ging. De ervaring heeft ons echter geleerd dat heus niet alle landbouwers bewust in de fout gaan en dat breed sensibiliseren noodzakelijk is. We moeten op dat vlak onze inspanningen opvoeren”.

Sinds vorig jaar heeft de Mestbank onder impuls van minister van Leefmilieu Kris Peeters haar aanpak effectief bijgestuurd. Een veel bredere groep landbouwers met scheefgetrokken mestbalans wordt voortaan van nabij opgevolgd. “Boeren die duidelijk veel te veel mest aanbrachten op eigen grond of de afzet ervan niet konden bewijzen, kregen consequent een boete opgelegd, maar werden tegelijkertijd uitgenodigd voor een evaluatiegesprek. Vorig jaar lag de grens op veertig procent te veel mest. Landbouwers met minder ernstige bemestingsproblemen kregen hun mestbalans met begeleidende waarschuwingsbrief in de bus", aldus Decrop. Uit de gesprekken met de forse overbemesters leerden de medewerkers van de Mestbank dat voornamelijk onwetendheid over de bemestingsnormen de oorzaak van heel wat ellende is. Zo bleken veel landbouwers enkel rekening te houden met de ontvangen hoeveelheden dierlijke mest zonder zich verder vragen te stellen bij het gebruik van chemische meststoffen. “Ondanks de boete werden de gesprekken als positief ervaren door de landbouwers”, beweert Decrop.

Nieuw is dat elke provinciale afdeling van de Mestbank momenteel bezig is met de oprichting van een dienst BAS – begeleiding, advisering, sensibilisering. Er komen extra mensen in dienst die mestproblemen proactief en met de nodige nazorg gaan aanpakken. “We zijn het hele plaatje nog aan het invullen, maar in Limburg hopen we toch dat we die nieuwe cel met vier of vijf medewerkers kunnen bemannen”, zegt provinciaal diensthoofd Kristof Merckx. Het takenpakket van de BAS’ers oogt vrij divers: van voorlichting rond de mestwetgeving en sensibilisering rond het gebruik van meststoffen en nitraatresidu’s tot de verzending van bedrijfsbalansen naar álle landbouwers en de ondersteuning van groepen landbouwers die in hun stroomgebied de waterkwaliteit bewaken door zelf nitraatmetingen uit te voeren. “De begeleiding die vroeger ad hoc gebeurde, krijgt nu een structureel karakter”, vat Merckx samen. De allereerste begeleidingsopdracht is wel een hele moeilijke: het nieuwe mestdecreet uitleggen aan landbouwers. Het provinciaal Mestbankdiensthoofd heeft dit jaar al twaalf voorlichtingsvergaderingen met telkens een vijftigtal aanwezige landbouwers afgehaspeld. “En vergeet niet dat landbouwers ook altijd aan onze loketten terecht kunnen met vragen over de nieuwe mestwetgeving”.

Fluwelen handschoenen zijn echter niet geschikt om de mestoverschotten op te ruimen van de harde kern stielbedervers die nog steeds actief is. Mestlozingen kunnen het gevolg zijn van sappen uit stalmest die in een riool druppelen, maar in bepaalde regio’s blijken er nog veehouders te bestaan die ingenieuze buisconstructies in elkaar knutselen om mest rechtstreeks in een nabijgelegen waterloop te pompen. “Jaarlijks hebben we enkele van dergelijke dossiers”, vertelt Johan Decrop. “Binnenkort starten we testen met radars die ondergrondse buizen kunnen opsporen. Op die manier zullen we ook dit achterpoortje weer kunnen sluiten”.

Op pad met speurneuzen. Intussen is het bemestingsseizoen alweer volop aan de gang. Dus stromen de mestafzetdocumenten van erkende mestvoerders weer toe bij de Mestbank. Carine Verheyen en collega Gino Guffens stappen in hun terreinwagen om te checken of de voor gisteren aangekondigde mestvrachten op een bedrijf in Peer effectief gearriveerd zijn. De boerderij in kwestie is een mestveebedrijfje dat in ‘risicogebied’ ligt door de hoge nitraatconcentraties die de voorbije jaren opgetekend werden in het riviertje de Dommel. In de onmiddellijke nabijheid van de boerderijwoning parkeert Gino de jeep langs de kant van de weg. In de kofferbak checkt hij vervolgens de satellietverbinding terwijl Carine een laptop op haar schoot tovert en in een oogwenk alle omliggende percelen netjes in kaart brengt. Rond de terreinen van het te controleren bedrijf is door het computerprogramma een vette lijn aangebracht. Het gps-systeem gidst ons nu langs de twaalf percelen van de boerderij.

Op de eerste twee percelen staan maïsstoppels, maar van mest is geen enkel spoor te bekennen. Even verderop ligt een perceel met grasland. Een korte wandeling op de weide leert dat ook hier geen bemesting is gebeurd. Na wat draaien en keren op verharde landbouwpaden bereiken we een weide waar meeuwen gretig aan het pikken zijn. “Daar moet het zijn”, zegt Gino. Het blijkt ijdele hoop. We rijden nog langs een veld met maïsstoppels waar na de oogst een groenbemester is ingezaaid. “Dat is uitstekend om in het najaar stikstofuitspoeling te voorkomen”, legt Carine uit. Alleen had er nu ook mest moeten liggen. De enige twee percelen die nog niet bezocht zijn, blijken twee huiskavels te zijn. De mogelijkheid bestaat dat de mest niet uitgereden werd wegens het natte weer. “Maar dan had de loonwerker ons wel moeten verwittigen, en dat is niet gebeurd”, klinkt het.

Aangekomen bij de boerderijwoning, bellen de inspecteurs aan. Blijkt dat de zestig ton varkensmengmest van een nabijgelegen varkensboer gisteren wel degelijk aangekomen en uitgereden is op de twee percelen achter de bedrijfsgebouwen. “Natuurlijk werd de mest niet uitgereden op de andere percelen. Die liggen een stuk lager en daar is het nog veel te drassig”, legt een kranig vrouwtje uit. Carine maakt een vlugge berekening: “De vijf mestvrachten op een totale oppervlakte van zo’n vijf hectare… dat stelt geen probleem”. In een pittig dialect voegt de boerin eraan toe dat ze als gevolg van de gewijzigde uitscheidingscijfers voor mestvee in het nieuwe mestdecreet nog extra mestvrachten had kunnen laten aanvoeren. “Omdat we in ‘den Boer’ merkten dat er nog geen sluitende zekerheid bestaat over de nieuwe bemestingsnormen hebben we gewoon de strengere normen uit het verleden toegepast”, luidt het verrassend accuraat. Vooraleer vriendelijk afscheid te nemen, stelt Carine nog een aantal vragen over het mestafzetdocument.

“Landbouwers moeten dat document bij mestleveringen ondertekenen”, legt ze ons achteraf uit. “We drukken hen steevast op het hart om aan de loonwerker steeds hun exemplaar van het mestafzetdocument te vragen. Malafide mestvoerders durven wel eens een groter mestvolume invullen dan hetgeen werkelijk geleverd is. In dat geval dreigt uiteindelijk de ontvangende landbouwers de dupe te zijn”. Net zoals Carine is de 28-jarige Gino Guffens van boerenafkomst. Na negen jaar landbouwschool kreeg hij de kans om te solliciteren bij de Mestbank. Toen ze hem een controlefunctie aanboden, moest de jongeman wel even slikken. “Uiteindelijk heb ik toegehapt om een steentje te kunnen bijdragen aan één van de meest uitdagende dossiers voor de toekomst van de landbouwsector. Als de conjunctuur wat meezit, is het evenwel niet uitgesloten dat ik de komende jaren het ouderlijk landbouwbedrijf alsnog overneem”. Of hij niet verveeld zit met het negatieve imago van de Mestbank-controleurs? “We doen ons uiterste best om correct en begripvol op te treden. Dat mensen ons veroordelen zonder de juiste context te kennen, stoort mij inderdaad”.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via