nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

“De beheerovereenkomsten zijn hun kinderschoenen ontgroeid”
28.03.2010  Paul Van der Sluys en Jan Mosselmans – VLM

De beheerovereenkomst ‘soortenbescherming’ leverde afgelopen winter mediagenieke plaatjes op van akkervogels die in barre tijden gretig voedsel en nestdekking vonden. Op percelen waar landbouwers graan lieten staan, wemelde het van de geelgorzen, veldleeuweriken en grauwe gorzen. Afgaand op het succes van deze jongste telg lijkt het met de beheerovereenkomsten alvast de goede kant uit te gaan. Vraag is of ze verder reiken dan een sympathieke opsmuk van de landbouw. Wij trokken naar de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) en polsten bij Paul Van der Sluys, afdelingshoofd Platteland, en woordvoerder Jan Mosselmans naar de effecten op het terrein. We kregen er de recentste statistieken in absolute primeur bovenop.

Welke beheerovereenkomsten biedt VLM de boeren aan en wat is de concrete winst te velde?
De Vlaamse Landmaatschappij sluit beheerovereenkomsten met landbouwers voor een looptijd van vijf jaar. Ze worden steeds op landbouwgronden gesloten en beogen een verbetering van de kwaliteit van het milieu, de natuur of het landschap. Wie bijvoorbeeld een beheerovereenkomst ‘perceelsranden’ aangaat, legt een bufferstrook langs een kwetsbaar element. Dat kunnen bossen, waterlopen, houtkanten, heggen, hagen, waardevolle graslanden of holle wegen zijn. Zo kunnen planten zich ontwikkelen en dieren beschutting vinden. De beheerovereenkomst ‘soortenbescherming’ verhoogt het voedselaanbod en voorziet dekking voor bedreigde soorten zoals weidevogels, akkervogels en hamsters. De visuele kwaliteit en de belevingswaarde van het landschap verbetert door boeren die een beheerovereenkomst ‘kleine landschapselementen’ sluiten. Hagen en heggen ogen trouwens niet alleen mooi, ze hebben vaak ook een cultuurhistorische waarde als veekering, schaduwrijke plaats voor het vee, als trekroute of ter bestrijding van wind- en bodemerosie. Een landbouwer kan ook een specifieke beheerovereenkomst ‘erosiebestrijding’ ondertekenen om opbrengstverliezen te beperken en te investeren in de vruchtbaarheid van de bodem. Maar het reikt verder. Erosie leidt immers tot modderoverlast op wegen en in woonwijken, waterlopen slibben dicht, riolen verstoppen en het oppervlaktewater vervuilt. Door de bodemstructuur te verbeteren, is de grond beter bestand tegen regen en afstromend water, wat dus niet alleen de boer ten goede komt. Wie zich engageert om minder te bemesten en zo meewerkt aan een betere waterkwaliteit, kan een afzonderlijke beheerovereenkomst ‘water’ aangaan. De beheerovereenkomst ‘botanisch beheer’ tenslotte wil de soortenrijkdom op percelen een kans geven. Dat gebeurt door minder of niet te bemesten, door minder of geen bestrijdingsmiddelen te gebruiken en door de maai- en beweidingsdatum uit te stellen.

Bekijk ook de grafieken!

De evolutie van de diverse beheerovereenkomsten op basis van overzichtelijke grafieken vindt u in de rubriek 'beschikbare downloads' rechts van uw scherm.

In vergelijking met de meeste EU-lidstaten investeert Vlaanderen een pak minder in agromilieumaatregelen. Hoe belangrijk zijn de beheerovereenkomsten als beleidsinstrument?
Binnen de Europese context verwijst men al snel naar Engeland waar 80 procent van het budget naar agrarisch natuurbeheer gaat, maar de situatie verschilt heel erg van land tot land. Sowieso moet minstens een kwart van het budget naar de zogenaamde as 2 van agromilieumaatregelen gaan. Vlaanderen leidt inderdaad de meeste middelen af naar as 1, die vooral oog heeft voor de verbetering van het concurrentievermogen van de landbouwsector. Het grootste aandeel gaat naar het VLIF, dat 60 tot 65 procent van het landbouwbudget toegewezen krijgt. De sterkte van ons beleid zit vooral in het stimulerende karakter ervan. Wij kozen voor een vrijwillige aanpak, in samenspraak met de betrokkenen. Landbouwers die als grootste gebruikers van open ruimte vrijwillig ecologische thema’s verankeren in hun bedrijfsvoering, bestendigen op termijn hun onmiskenbare rol als duurzame leveranciers van groene en blauwe diensten. Met beheerovereenkomsten werken we niet alleen aan thema’s zoals biodiversiteit, bodembeheer, waterkwaliteit, klimaat en energie, maar ook aan de competitiviteit van de bedrijven door hen hiervoor correct te vergoeden.  Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor het welslagen op lange termijn.

Welke pakketten kennen het meeste succes bij de boeren?
De beheerovereenkomsten, gericht op het milieu zoals ‘water’, ‘perceelsranden’, ‘erosie’ en ‘kleine landschapselementen’, kennen veel bijval. Niet onlogisch, want dergelijke overeenkomsten zijn makkelijker inpasbaar in de bedrijfsvoering dan de meer natuurgerichte beheerovereenkomsten als ‘botanisch beheer’ en ‘weidevogelbeheer’. Uitzondering hierop is onze jongste telg ‘akkervogelbeheer’, dat afgelopen winter een enorm succes kende. Uiteraard speelt ook de vergoeding een rol. Pakketten met een aantrekkelijke vergoeding zoals ‘perceelsranden’ en ‘erosie’ liggen beter in de markt dan andere. Ook het type bedrijf en de omgeving zijn doorslaggevend. Bedrijven die nabij holle wegen liggen, met erosiegevoelige gronden of in kwetsbaar watergebied lenen zich meer tot het sluiten van beheerovereenkomsten.

Is de vergoeding voor de landbouwers de voorbije jaren gestegen? Hoe wordt die door de boeren zelf gepercipieerd?
In die tien jaar koos Vlaanderen voor maximale continuïteit. De gunstige vergoeding voor ‘perceelsranden’ en ‘natuur’ werd behouden, net zoals die voor ‘erosiebestrijding’. De beheerovereenkomsten ‘water’, ‘kleine landschapselementen’ en ‘botanisch beheer’ zijn de afgelopen jaren gestegen. Zo kan een landbouwer die een beheerovereenkomst ‘water’ aangaat, rekenen op een vergoeding van 400 tot 600 euro per hectare. Voor sommige landbouwers die in kwetsbaar gebied opereren, kan dit oplopen tot 10.000 of zelfs 30.000 euro per jaar. Dat is geen overbodige luxe. Een billijke vergoeding is cruciaal en moet niet alleen de extra kosten dekken maar ook het verlies van inkomsten. Je kan er trouwens niet om heen dat die vergoedingen voor de meest competitieve sectoren, zoals intensieve veehouderij of tuinbouw, niet marktconform zijn. Sinds 2007 mogen er geen extra’s meer betaald worden door de Vlaamse of een lagere overheid. Dat is een gemiste kans omdat je op die manier lokaal wel richting marktconforme vergoedingen had kunnen gaan.

Zijn beheerovereenkomsten geen dure formule om basismilieukwaliteit na te streven?
Landbouwers moeten al aan strenge milieunormen voldoen. Wie een stapje verder gaat, moet kunnen rekenen op een correcte vergoeding. Beheerovereenkomsten leveren een duidelijke bijdrage in landbouw- en verwevingsgebieden. Het effect op het niveau van het landschap is frappant. Veel is te danken aan onze 19 bedrijfsplanners. Zij gaan letterlijk de boer op om hen gratis te adviseren op het terrein en nemen de volledige administratie op zich. Op basis van objectieve regels evalueren ze of beheerovereenkomsten voor perceelsranden, kleine landschapselementen, soortenbescherming en erosie zinvol zijn. Dat doen ze in nauw overleg met de regionale landschappen. Op die manier kunnen we niet alleen een klantgerichte maar ook gebiedsgerichte aanpak garanderen. Maar het effect reikt verder dan puur landschappelijk. Het verschil inzake erosie en waterkwaliteit is groot. We hebben bijvoorbeeld cijfers die vanaf 2004 de evolutie van het nitraatresidu weergeven. Het nitraatresidu op percelen met een beheerovereenkomst ‘water’ ligt gemiddeld 38,3 procent lager. In 2009 was dat zelfs 47,8 procent. Het gemiddeld was toen 90 kilo nitraatstikstof per hectare, terwijl dat op percelen met een beheerovereenkomst op 47 kilo per hectare lag. Dit succes is niet zo verwonderlijk gezien ‘water’ een van de oudste beheerovereenkomsten is. Momenteel hebben 1.690 landbouwers een beheerovereenkomst ‘water’ afgesloten, goed voor een oppervlakte van 28.000 hectare.

Hoe brengt de VLM de impact in kaart?
De kwantitatieve metingen hebben we sowieso, maar sinds vorig jaar zijn we ook gestart met kwalitatieve analyses. Een aantal wetenschappelijke instellingen zoals het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek (INBO) en het Agentschap voor Natuur en Bos (ANB) ondersteunen ons hierin. Zo monitoren we voortaan de beheerovereenkomsten ‘perceelsranden’, ‘poelen’ en ‘akkervogels’. Daarnaast zijn ook positieve effecten zichtbaar zonder dat daar groots wetenschappelijk onderzoek aan vooraf ging. Wie deze winter langs percelen kwam waar het graan bleef staan, zag dat het wemelde van akkervogels zoals geelgorzen, grauwe gorzen en leeuweriken. Ook op de grasstroken, die ingezaaid zijn om erosie te bestrijden en waarop geen bestrijdingsmiddelen gebruikt worden, werden heel wat akkervogels en vlinders gespot. 2010 is het jaar van de biodiversiteit en de collega’s van het INBO werken momenteel aan een studie over de bijdrage van beheerovereenkomsten aan de biodiversiteit.

Welke bijsturingen zijn er de jongste jaren gebeurd om de effectiviteit te verhogen?
Vlaanderen opteerde voor het overlegmodel en in die zin is het inzetten van bedrijfsplanners een cruciale factor geweest om het succes op het terrein te realiseren. Ze vormen de onmisbare go between tussen de VLM en de boeren zelf. Maar we trokken ook externe expertise aan. Op suggestie van het INBO en ANB introduceerden we voor akkervogelbeheer zogenaamde kerngebieden, waar de landbouwer individueel opereert en zoekzones, waar de boeren onderling moeten samenwerken. Voor botanisch beheer wordt dan weer het meest geschikte pakket voorgesteld op basis van een inventarisatie van het grasland of de akker. Binnen het biodiversiteitsproject SOLABIO gaan we na hoe we bepaalde pakketten inhoudelijk kunnen bijsturen en experimenteren we ook met nieuwe beheerovereenkomsten. Zo kunnen we de landbouwers straks meer keuze aanbieden en evolueren we naar een menusysteem.

Quid na 2013?
Het systeem van de bedrijfsplanners en hun oog voor gebiedsgerichte agromilieumaatregelen werkt. Maar we moeten ook nagaan in hoeverre er ruimte is voor nieuwe beheerovereenkomsten. Zo willen we de bodemkwaliteit als waardevol goed voor de toekomst bewaren en dat heeft naast een puur landbouwkundig aspect ook een maatschappelijke meerwaarde. Andere invullingen zijn het herstel of onderhoud van cultureel en natuurlijk erfgoed, de visuele kwaliteit van het landschap en recreatie. Ook de waterproblematiek wint aan belang. Naast waterkwaliteit ziet VLM een rol weggelegd voor landbouwers die op slotenniveau water langer in een bepaald gebied kunnen houden. Een andere piste is het (her)inrichten van kleine urbane of peri-urbane gebieden. Je kan gronden groeperen door kavels te ruilen en de biodiversiteit herstellen door collectieve beheerovereenkomsten aan te bieden aan die landbouwers. De huidige financiële instrumenten en aanpak schurken vaak tegen hun limieten aan. Naarmate de belangstelling voor agrarisch natuurbeheer groeit, zijn steeds meer financiële middelen vereist. Buitenlandse ervaringen wijzen uit dat agrarisch natuurbeheer dat vanuit economische principes in samenwerkingsverbanden wordt ingericht, succesvol is. Het project ECO² is zo’n voorbeeld, waarbij agrobeheersgroepen opgericht worden.

Tien jaar geleden stonden land- en tuinbouwers nog erg sceptisch tegenover agrarisch natuurbeheer. Is er sprake van een kentering?
We evolueren stilaan naar een op zes landbouwers, die een beheerovereenkomst gesloten heeft. Die 6.000 à 7.000 boeren zijn niet allemaal idealisten, maar ondernemers die het belang inzien van een duurzame bedrijfsvoering. Dat daar een vergoeding tegenover staat, is niet meer dan logisch, maar heel wat landbouwers zijn vooral fier op wat ze doen. Als we een persconferentie geven over het succes van akkervogelbeheer en die boer vertelt met onverholen trots dat hij de winterstoppels laat staan om vogels aan te trekken, dan weten we dat we als VLM op de goede weg zitten. Dat heel wat boeren tien jaar geleden de kat wantrouwig tot ronduit vijandig uit de boom keken, is geen geheim. Vooral dankzij onze bedrijfsplanners is heel wat ongerustheid weggenomen. Aan de keukentafel een gesprek voeren over erosie, poelen of akkerranden is nu eenmaal makkelijker dan op eigen houtje een brochure doorworstelen. Als we één expertise binnen VLM in huis hebben, is het wel samenwerking. Dat overlegmodel met zowel boeren als relevante stakeholders zoals regionale landschappen en onderzoeksinstellingen werpt zijn vruchten af. Maar er is letterlijk en figuurlijk nog ruimte voor meer beheerovereenkomsten.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via