nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Landbouw onderschat ruimtelijke impact waterbeleid"
15.10.2007  Peter Van Bossuyt - Boerenbond

Hier en daar lees je wel eens iets over natuurcompensaties of overstromingsgebieden. Moeten de boeren zich zorgen maken? “Minstens tien procent van het landbouwareaal zal op middellange termijn op een of andere manier ruimte moeten geven aan onze rivieren. In totaal zijn vele honderden boeren betrokken”, waarschuwt Boerenbond-medewerker Peter Van Bossuyt.

Over welke ruimtelijke waterplannen moeten de landbouwers zich zorgen maken?
Peter Van Bossuyt: Er zitten een hele reeks grootschalige plannen in de pijplijn, waarbij landbouwgrond ingeschakeld wordt om overstromingsgevaar te beperken of om natuurcompensaties mogelijk te maken. Er is bijvoorbeeld de eerste fase van het geactualiseerde Sigmaplan en de Ontwikkelingsschets 2010. Deze fase bevat plannen voor 2.200 hectare natuurprojecten in het estuarium van de Schelde en zijn bijrivieren. Die werken moeten van start gaan vóór 2010. Rond de Nete moeten tegen volgend jaar achthonderd hectare binnen een zoekgebied van in totaal 1.300 hectare gevonden worden. Op dat ogenblik moet de discussie over de uitbreiding van het Zwin al afgerond zijn, goed voor een areaal van 120 of 180 hectare. Om de verbinding tussen de Seine en Schelde op te waarderen, moet rond de Leie vijfhonderd hectare rivierherstel komen. En binnen enkele maanden schenken de havens van Antwerpen en Gent klare wijn over hun strategische toekomstplannen. Nu al is bekend dat rond de Gentse havenzone gezocht wordt naar 220 hectare natuurcompensaties, rond de Antwerpse haven zullen de claims op landbouwgrond nog veel groter zijn. En dan hebben we het nog niet over bijvoorbeeld nieuwe plannen rond de Maasuiterwaarden of de betere verbinding die er moet komen tussen de havens van Zeebrugge en Gent.

En dan zijn er ook nog de fameuze bekken- en deelbekkenbeheersplannen in het kader van het integraal waterbeleid?
Klopt. Over de uiteindelijke uitvoering van de elf bekkenplannen en de 103 deelbekkenplannen die eind dit jaar in voege treden bestaat nog heel wat onduidelijkheid. Maar tijdens het openbaar onderzoek in de eerste helft van dit jaar bleek duidelijk dat ook in deze plannen heel wat landbouwgrond geclaimd wordt. Alleen al in het bekkenplan van de Beneden-Schelde is sprake van maar liefst 11.350 hectare landbouwgrond die in aanmerking kan komen als overstromingsgebied. Daarbij wordt meteen ook gesuggereerd om de bemesting en het pesticidengebruik in deze gebieden maximaal te beperken waardoor intensieve landbouw er de facto onmogelijk wordt. Als je daar ook nog eens de beleidsdiscussies bij rekent die als uitvloeisel van het integraal waterbeheer gevoerd worden over oeverzones en erosiebestrijding, mag je ervan uitgaan dat minimaal tien procent van de landbouwoppervlakte in min of meerdere mate af te rekenen krijgt met waterbeheer in een of meer van zijn aspecten. De landbouwsector beseft nog niet goed hoe groot de impact op middellange termijn zal zijn, maar neem gerust aan dat het waterbeheer heel zwaar zal wegen op de uitwerking van de volgende versie van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen. Water groeit uit tot een niet weg te cijferen kapstok voor de ruimtelijke ordening in ons gewest.

Is het nog mogelijk om door het bos de bomen te zien?
Het is niet eenvoudig. Op een bepaald ogenblik zijn de elf bekkenplannen en negentig deelbekkenplannen tegelijkertijd in openbaar onderzoek gegaan. Je begrijpt dat niemand al die plannen van heel nabij kan opvolgen. Bovendien gaat het voor een stuk om een aaneenschakeling van zeer fragmentarische ingrepen. Dat maakt het extra moeilijk om een globaal overzicht te krijgen en in te schatten in hoeverre de claims op landbouw verantwoord zijn. Belangrijke spelers zijn de havens, Waterwegen en Zeekanaal, de provinciebesturen en de gemeenten. Aangezien het om een jonge beleidsmaterie gaat, moeten regelmatig nieuwe beheers- en projectstructuren op gang getrokken worden. Zo wordt het afwachten welke rol de pas opgerichte waterschappen zullen spelen bij de uitvoering van de deelbekkenplannen. Dat maakt het allemaal extra ingewikkeld.

Niet in alle blauw of blauwgroen ingekleurde gebieden moeten de landbouwers ophoepelen?
Gelukkig maar, ik denk bijvoorbeeld aan gebieden die slechts één keer om de vijf jaar of zelfs één keer per jaar onder water zullen lopen om het overstromingsgevaar te helpen indijken. De kans is groot dat het geteelde gewas in dergelijke zones gras is. In zo’n situatie kan een veehouder perfect blauwe diensten leveren aan de maatschappij, waarbij we ervoor pleiten om niet per schadedossier maar wel met een forfaitaire jaarlijkse beheersvergoedingen te werken. Voorwaarde is natuurlijk wel dat de zuiverheid van het rivierwater niet achteruitgaat en dat er mogelijkheden blijven bestaan om te bemesten en bestrijdingsmiddelen te gebruiken. In dossiers zoals de ontpoldering van het Zwin en de Prosperpolder is er natuurlijk wel sprake van landbouwgrond die onherroepelijk verloren gaat. Tussen die twee extremen is er een tussencategorie van gebieden waar landbouwers met forse beperkingen zullen opgezadeld worden. In gebieden die als weidevogelgebied ingekleurd worden, kan je nog extensief boeren. Iets helemaal anders is botanisch beheer op zompige gronden. Daar kan een landbouwer zich enkel toe engageren als het om marginale surplusgronden gaat, maar je kan er onmogelijk een bedrijf op enten.

Beheersovereenkomsten kunnen soelaas bieden?
Biologische boeren krijgen omschakelingssteun die hen toelaat om op een fundamenteel andere wijze te boeren. Indien de maatschappij wil dat landbouwers in de toekomst een omvangrijk en steeds groeiend watergebied gaan onderhouden, dan moeten ook zij hun bedrijfsstructuur aanpassen en dus hebben zij evengoed recht op een vergoeding. Vandaag werken landbouwers in natuurgebieden op basis van jaarlijkse overeenkomsten en zonder vergoeding. Wij pleiten ervoor dat de overheid met het oog op de nieuwe groene diensten beheersovereenkomsten opmaakt voor een langere termijn dan de huidige vijf jaar. Met een realistische vergoeding, die toeneemt naargelang de beheersmaatregelen in de loop der jaren strenger worden. Zelf willen we een steentje bijdragen tot het welslagen van de natuurprojecten door de uitbouw van zogenaamde agro-beheersgroepen, waardoor het uiteindelijke beheer van de watergebieden zo efficiënt mogelijk kan gebeuren.

Voor overheidsdiensten en havenbesturen blijft de landbouwgrond een heel aanlokkelijk restgebied. Of is er de jongste jaren een mentaliteitswijziging opgetreden?
Bij sommigen wel. De idee dat landbouwgrond kan ingepalmd worden zonder er veel woorden aan vuil te maken, is bijvoorbeeld bij het Antwerpse havenbestuur verdwenen. Er is ook bereidheid om over de keuze en inrichting van gebieden te praten, waarbij rekening gehouden wordt met parameters die voor de agrarische sector van belang zijn. Hopelijk zal die aanpak ook gevolgd worden bij de opmaak van de bekkenplannen. Niet dat dit alles goedmaakt: aan het eind van ieder dossier blijft de landbouwsector achter met het gevoel dat weer eens een aantal goed gestructureerde bedrijven in de problemen komen.

Om het leed te verzachten, heeft de landbouwadministratie samen met de VLM en de landbouworganisaties een flankerend landbouwbeleid uitgedokterd?
Momenteel is het wettelijke toepassingsgebied van dit flankerend beleid beperkt tot het Sigmaplan, maar de regering wil het beleidsinstrument straks ook aanwenden bij havenprojecten. In de eerste plaats is het via een gevoeligheidsanalyse op perceelsniveau de bedoeling om waterprojecten in te plannen in gebieden die het minste impact hebben op de plaatselijke landbouw. Eenmaal dat gebeurd is, probeert het flankerend landbouwbeleid getroffen boeren zo goed mogelijk te vergoeden op basis van een landbouweffectenrapport. Dat wordt opgesteld op het niveau van de individuele bedrijven. Vooral de gevoeligheidsanalyse wordt vandaag al toegepast in diverse projecten, maar alleen voor het Sigmaplan is er ook een rechtstreeks budget voor vergoedingen aan verbonden. Daar moet verandering in komen want ook bedrijven die bij andere waterprojecten betrokken zijn, leveren verplichte diensten aan de maatschappij.

Bij de opmaak van de gevoeligheidsanalyses zijn de landbouwers niet betrokken?
Dat deel van het werk neemt de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) voor zijn rekening, en ik moet zeggen dat dit op een heel deskundige manier aangepakt wordt. Perceelsmatig wordt de objectieve waarde van de grond in kaart gebracht op basis van parameters zoals bodemkwaliteit, juridische status, afstand tot de bedrijfszetel, enzovoort. Vroeger kwamen onze gesprekspartners uit de natuursector steevast aandraven met hun biologische waarderingskaart en had de landbouwsector geen repliek in huis. Dat is nu veranderd dankzij de gevoeligheidsanalyses, die bovendien ook door onze gesprekspartners naar waarde geschat worden. Ze kunnen ook helpen om gedupeerde landbouwers uit te leggen waarom uitgerekend hun percelen een nieuwe bestemming krijgen.

Eenmaal de gebiedsafbakening klaar is, krijgen de getroffen landbouwers wel nog een stem bij de opmaak van het landbouweffectenrapport?
Inderdaad. Alleen al in het dossier van de Kalkense Meersen werden 113 boeren individueel bevraagd. Op die manier zijn we te weten gekomen dat er zich 23 bedrijven bevinden die met meer dan veertig procent van hun areaal in het afgebakende gebied zijn terechtgekomen. In het rapport staat ook vermeld hoe de boeren in kwestie hun toekomstige bedrijfsuitbating zien. De verzamelde informatie kan leiden tot een verfijning van de oorspronkelijke plannen en dient vooral om een maatregelenpakket op maat samen te stellen.

Daarbij wordt de grondenbank naar voor geschoven als een belangrijke verkeersregelaar?
In theorie klinkt het mooi om onteigende gronden te compenseren door ze in te ruilen met percelen buiten het afgebakende gebied. In de praktijk stellen we helaas vast dat grondenbanken heel moeilijk functioneren. Neem nu de Kalkense Meersen, een regio waar nogal wat boomkwekers actief zijn. Van zodra er een perceel vrijkomt, kunnen zij een pak meer geld bieden voor die landbouwgrond. Uit het landbouweffectenrapport blijkt dat het maximale aanbod van de lokale grondenbank 56 hectare zou kunnen bedragen, terwijl er vraag is naar 377 hectare. En aan welke boer moet je dan percelen toekennen en aan welke niet? Dat zijn heel moeilijke dossiers, want de emotionele betrokkenheid van de gedupeerde boeren is enorm groot.

Welke belangrijke maatregelen maken nog deel uit van het flankerend landbouwbeleid?
Eigenaars die gronden verkopen, kregen vroeger enkel bij onteigening een wederbeleggingsvergoeding uitbetaald. Nu kan dit ook zonder onteigeningsprocedure. Pachters binnen het gebied krijgen niet alleen een stopzettingsvergoeding maar ook een wijkerspremie van 2.000 euro per hectare, ook voor de gronden die ze buiten het gebied laten liggen. En wie beslist om elders een bedrijf over te nemen, krijgt voortaan hulp bij zijn zoektocht. Heel belangrijk is dat bij de overname van een gelijkwaardig bedrijf het prijsverschil tussen de uitbetaalde waarde voor het verlaten en het nieuw overgenomen bedrijf voor het grootste deel wordt bijgepast. Dat systeem bestaat al langer in Nederland, maar bij ons is het totaal nieuw.

Met inbegrip van de compensatiepremie kan een onteigening voor sommige boeren op die manier zelfs interessant worden?
Dat is misschien het geval voor oudere boeren zonder opvolger, maar actieve boeren zijn altijd de verliezende partij omdat de bedrijfsstructuur sowieso zwaar wordt aangetast. Vergeet ook niet dat het helemaal niet zo makkelijk is om een gelijkwaardig bedrijf op de kop te tikken. De mooie hoeves worden in Vlaanderen voor gekke bedragen opgekocht door niet-agrariërs. Een ander obstakel zijn de nieuwe plannen die er voortdurend bijkomen. De idee om in Prosperpolder Zuid gronden op te kopen voor de grondenbank wordt doorkruist door de verdere havenuitbreiding. Gelukkig maken de havens nu werk van strategische plannen. Zo komen de landbouwers in de streek ook te weten waar ze de komende decennia aan toe zijn. In het verleden werd hen langs alle kanten de keel dichtgeknepen: nu eens voor havenexpansie, dan weer voor natuurcompensaties.

Biedt het waterbeleid op een of andere manier ook kansen voor landbouwers?
Het flankerend beleid voorziet de mogelijkheid om in de agrarische randgebieden van grote waterprojecten ruilverkavelingen door te voeren. Daar zijn ook de nodige budgetten voor vrijgemaakt. Het waterdossier kan ook de ruimtelijke afbakening van VEN-gebieden vooruithelpen In het kader van de Ontwikkelingsschets van de Schelde werd overeengekomen dat gebieden die in dit kader voor natuur worden ingericht, meteen ook worden ingeschreven in de tweede fase van de VEN-afbakening, zodat elders niet nog eens extra natuur moet worden ingericht. Een andere opportuniteit is de aanleg van spaarbekkens in het kader van het bekkenbeheer. Dergelijke bekkens kunnen een belangrijke rol spelen in de bevloeiing van de omliggende akkers.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via