nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Intensieve veehouderij is geen ziekmakende business"
28.06.2010  Piet Vanthemsche - voorzitter Boerenbond

Op geregelde tijdstippen dringen prestigieuze TV-producties over de bio-industrie de huiskamer binnen. Het zijn vaak Angelsaksische programma’s die de grootschalige landbouw onder de loep nemen en de negatieve gevolgen ervan voor milieu, natuur, gezondheid van mens én dier aan de kaak stellen. De laatste jaren heeft de discussie een nieuwe insteek gekregen met de klimaatimpact van het vleesverbruik. Ook een aantal auteurs laat zich niet onbetuigd om de "gruwel van de bio-industrie", zoals ze de intensieve veehouderij omschrijven, te analyseren. We lazen het boek 'Dieren Eten' van de Amerikaan J. S. Foer en trokken er mee naar Boerenbondvoorzitter Piet Vanthemsche.

De jonge, internationale bestsellerauteur Jonathan Safran Foer gooide zich na enkele succesromans op de bio-industrie en het vegetarisme. Meer dan 5.000 exemplaren van ‘Dieren Eten’ gingen bij ons al over de toonbank. Op enkele maanden tijd wordt de vijfde druk voorbereid. boek dieren eten.jpg

Drie jaar lang deed Foer onderzoek in de Amerikaanse veehouderij en ging hij enkele keren undercover. Het resultaat werd een sterk gedocumenteerde aanklacht tegen de Amerikaanse vleesproductie. Kleine kanttekening: Foer gaat uit van mastodontbedrijven waar het familiaal karakter ver zoek is en waarvan de oppervlakte en het aantal dieren een veelvoud uitmaken van de bedrijven die wij in onze contreien kennen.

Volgens de auteur heeft schaalvergroting een kloof doen ontstaan tussen boer en dier. Dieren zijn een "product geworden zoals hout". De bedrijfsleider kent zijn dieren niet meer. Er is geen enkele band meer en dus evenmin respect. Meer nog, de bio-industrie - en 99 procent van alle vlees in de VS komt volgens Foer van de bio-industrie - is een marteling voor de dieren.

"Dieren worden door de bio-industrie genetisch gemanipuleerd en krijgen er onnatuurlijk voeder". Kippen hebben een levensruimte van "iets meer dan een A4’tje". "Veeboeren rekenen uit hoe dicht op het randje van de dood ze dieren kunnen houden zonder dat ze ook echt dood gaan… Hoeveel of hoe weinig kun je ze te eten geven, hoe ziek kunnen ze worden zonder te sterven?". De dierenmishandeling in industriële varkensfokkerijen neemt in het boek sadistische vormen aan. "Er is te zien hoe medewerkers de varkens dagelijks slaan en drachtige zeugen aftuigen met een moersleutel". Op een bedrijf van 10.000 varkens werden de dieren volgens Foer "systematisch geslagen met harken en schoffels". "Ze werden gewurgd en in beerputten gegooid waar ze verdronken. Medewerkers dienden varkens ook elektrische schokken toe…".

En na een leven van ellende en lijden, wacht het dier een wrede dood in een onmenselijk slachthuis. Met een verbijsterend ontleedmes roept de auteur beelden op van het slachten van runderen die Hitchcock zouden doen verbleken.

De vleesproductie en -consumptie tast bovendien de volksgezondheid aan, aldus Foer. Hij citeert de 'boerenerftheorie' van Robert Webster die ervan uitgaat dat "virussen bij menselijke pandemieën een deel van hun genen overnemen van griepvirussen bij pluimvee". Veel aandoeningen vinden hun oorsprong in de bio-industrie die onder meer "bijdraagt aan de toename van het aantal antimicrobiële pathogenen (ziekteverwekkers, nvdr)". Aan de Amerikaanse burgers "wordt jaarlijks 1,4 miljoen kilo antibiotica voorgeschreven, maar onze levende have krijgt via het voeder maar liefst acht miljoen kilo antibiotica binnen". Mag het nog verbazen dat vleesetende mensen volgens het boek minder gezond zijn dan vegetariërs?

Foer haalt er de VN bij om te herhalen dat "de veeteelt een van de belangrijkste aandachtspunten zou moeten zijn als het gaat om problemen zoals verschraling, klimaatsverandering, luchtvervuiling, watertekorten, watervervuiling en afnemende biodiversiteit". Dat brengt de lezer bij de bijdrage van de veeteelt aan het broeikaseffect die "de hoofdoorzaak is van de klimaatsverandering en 40 procent groter is dan die van de hele transportsector". Trouwens, "de gemiddelde afstand die ons vlees aflegt bedraagt maar liefst 2.500 kilometer".

Logisch dat de auteur vegetarisme voorstelt als oplossing. De Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar literatuur J.M. Coetzee mag daar nog een zetje toe geven door het boek aan te prijzen met de woorden: "Wie na het lezen van ‘Dieren Eten’ nog vlees consumeert, is óf harteloos óf ongevoelig voor rede, óf allebei".

Met deze niet mis te verstane aanklacht tegen de bio-industrie onder de arm trekken we richting Leuven, benieuwd naar de repliek van Boerenbondvoorzitter Piet Vanthemsche.

In de analyse van J.S. Foer blijft niet veel over van een gezonde, milieu- en diervriendelijke veehouderij in de Verenigde Staten. Wat denkt u van het boek?
Piet Vanthemsche: Ook al ben ik het totaal oneens met de inhoud van het boek, toch verdient de auteur een pluim voor zijn schrijfstijl. Het is een bijzonder boeiend boek dat vlot leest. Op een zeer handige manier bouwt Foer zijn pleidooi op tegen een intensieve veehouderij. Vooreerst projecteert hij de menselijke beleving op dieren. Antropomorfisme heet dat. Vervolgens definieert hij de vijand. "De oorlog is nieuw en heeft een naam, de bio-industrie", sleept de auteur iedereen handig mee in zijn beleving. Foer blijkt in het boek niet vies van het omdraaien van een redenering. De bio-industrie krijgt overal de schuld van. Om die stelling kracht bij te zetten, vermijdt hij bijvoorbeeld wel te zeggen dat het griepvirus H5N1 is ontstaan op zeer kleinschalige boerderijtjes waar mens en dier op enkele vierkante meters samenleven. Rasverbetering en -veredeling krijgen de volle lading en worden consequent genetische manipulatie genoemd. Het doet me nog amper opschrikken wanneer het boek oppert dat veeverbetering Frankenstein-achtige wezens voortbrengt. Wat opvalt is dat hij nergens definieert wat bio-industrie is. Zo doet hij veronderstellen dat er wel een paar goeie boeren zijn, maar echt niet veel. Lezers die onvoldoende vertrouwd zijn met de veehouderij, associëren op die manier alle boeren met bio-industrie. Tegenover de stelling van het boek dat intensieve veehouderij een ziekmakende business is, kan ik een heel andere en heel positieve these plaatsen. De intensivering van de veehouderij was onderdeel van een groene revolutie in de twintigste eeuw die toeliet om de groeiende wereldbevolking te voeden. De Amerikaan Norman Borlaug, de 'vader' van de groene revolutie, kreeg in 1970 de Nobelprijs voor de Vrede voor zijn bijdrage aan wereldvrede door een verbeterde voedselproductie. Zulke argumenten worden in het boek ofwel doodgezwegen ofwel weggehoond.

Wat is uw reactie wanneer J.S. Foer een vegetarische boer opvoert om te zeggen: "Ik vind dat we dieren maximaal geluk verschuldigd zijn. Onnodig lijden mag op geen enkel bedrijf getolereerd worden. Maar als je een dier grootbrengt met het doel het te doden, dan is je verantwoordelijkheid oneindig veel groter".
Eigenlijk is het boek te reduceren tot de vraag of we dieren mogen gebruiken als nutsdieren. Mensen die opkomen voor dierenrechten antwoorden volmondig nee op die vraag. Wie bekommerd is om dierenwelzijn, ook de veehouderij dus, vindt dat wel kunnen. Als aanhanger van de tweede strekking pleit Boerenbond voor een hoog niveau van dierenwelzijn zonder daarmee dieren op hetzelfde niveau als mensen te plaatsen. Nutsdieren moeten behandeld worden volgens de regels van goed rentmeesterschap. De meeste veehouders doen dat van nature en waar er toch tegenstrijdige belangen spelen, zijn er regels inzake dierenwelzijn om dat in goede banen te leiden. Foer eindigt met een sterk pleidooi tegen het eten van vlees. In feite zou dit verplichte literatuur moeten zijn voor al wie bezig is met veehouderij. Het boek pleit op een zeer handige manier voor vegetarisme en geeft een mooi overzicht van alle argumenten die worden aangehaald door dierenrechtenorganisaties en vegetarisme-adepten.

Moet de landbouwsector conclusies trekken uit dergelijke analyses? Hoe kan vermeden worden dat de beeldvorming uit het boek geprojecteerd wordt op de Vlaamse veehouderij?
De sector moet zeker niet in zijn schulp kruipen door een boek dat frontaal de aanval inzet op dierlijke productie. Net op zo’n moment is het belangrijk om het maatschappelijk debat open aan te gaan. Door te participeren in het debat kunnen we aantonen dat het beeld dat in het boek geschetst wordt, niet klopt voor onze veehouderij. Boerenbond heeft de belangen van de sector al meermaals verdedigd tegen aanvallen op dierlijke productie. Al durven we problemen ook onder ogen zien en bij naam noemen. Dan denk ik bijvoorbeeld aan de excessen in het gebruik van antibiotica die nu in het oog van de storm staan. Het zou onverstandig zijn om dat te verzwijgen zoals vroeger wel eens gebeurde. De beste manier om te vermijden dat de beeldvorming uit het boek geprojecteerd wordt op de Vlaamse landbouw, is de deuren wijd open zetten voor burgers die niet vertrouwd zijn met de sector. Ik denk bijvoorbeeld aan initiatieven zoals Dag van de Landbouw en Plattelandsklassen. Boerenbond doet voortdurend inspanningen om de brug te maken tussen landbouwers en verstedelijkte burgers. Tegenover de reacties die door een dergelijk boek worden opgeroepen, moeten we de inspanningen van de sector voor verduurzaming plaatsen. De veehouderij heeft op korte tijd een grote vooruitgang geboekt en de dierlijke productiemethode wordt nog voortdurend aangepast. Hoe dieren vroeger vervoerd werden naar het slachthuis en daar gehuisvest werden, is absoluut niet te vergelijken met de wijze waarop dat nu gebeurt. Een koe die vroeger in een bindstal stond, geniet nu van heel wat loopruimte. De huisvestingssystemen van varkens en pluimvee worden grondig aangepast en zo zijn er talloze veranderingen op te noemen die het dierenwelzijn ten goede zijn gekomen.

Maakt u zich zorgen wanneer burgers getuigen dat een boerderij "een fabriek is geworden"? Waar liggen de grenzen van de schaalvergroting?
Wanneer burgers een modern landbouwbedrijf bezoeken met een nostalgisch en kleinschalig beeld voor ogen, dan schrikken ze inderdaad wel eens. Toch kunnen we in Vlaanderen niet spreken van grote bedrijven wanneer we vergelijken met bedrijven in Europa en zeker niet daarbuiten. Landbouwbedrijven hebben vandaag enige schaalgrootte nodig om rendabel te zijn. De sector moet laten zien dat dieren op grote, moderne bedrijven vaak beter gehuisvest worden en een beter leven leiden dan op oudere bedrijven het geval is. Eigenlijk is groot of klein een non-discussie als het over onze landbouwbedrijven gaat. De juiste vraag is die naar het draagvlak in de maatschappij. Dat geldt niet enkel voor de landbouw maar ook voor andere economische sectoren. Ik hoor niet gauw zeggen dat een bedrijf uit een andere sector "te groot is". De dierlijke productie is een economische activiteit waarbij de veehouder werkt met levende materie. Dat brengt gevolgen met zich mee zoals de onvoorspelbaarheid van ziekten, maar evengoed de maatschappelijke verwachtingen met betrekking tot een zorgzame omgang. Dat laatste staat niet in de weg dat bedrijven evolueren naar grotere entiteiten die volgens economische wetmatigheden gerund worden. Wanneer het aantal dieren toeneemt, is het goed mogelijk dat de persoonlijke band tussen veehouder en dier afneemt. Maar de relatie wordt daardoor niet onmenselijk of gaat daardoor niet gepaard met minder zorg. Ik maak me sterk dat de overgrote meerderheid van onze veehouders bezorgd is om het welzijn van hun dieren en dat niet alleen om economische redenen. Zie het, om in de sfeer van het boek te blijven, als een deal die we met dieren sluiten om hun producten te gebruiken op een respectvolle manier. Daarbij maak ik geen onderscheid tussen het gebruik van bijvoorbeeld melk en wol en het gebruik van het vlees van het dier. Het dier doden op het einde van zijn productieve leven, is onderdeel van het gebruik als nutsdier.

Is het realistisch om naar de visie van J.S. Foer de wereldbevolking met louter plantaardige producten te voeden? Gaat die oproep niet steeds luider klinken bij dierenrechtenorganisaties, pleitbezorgers van vegetarisme, klimaatwetenschappers en medici?
Mensen kunnen ongetwijfeld een kwaliteitsvol leven opbouwen op basis van een vegetarische levenswijze. Maar dat is een vrije keuze, er zijn ook heel wat argumenten die pleiten voor een evenwichtig dieet op basis van dierlijke en plantaardige producten. Mensen hebben sinds het prille begin zowel planten als dieren genuttigd. Dierlijk eiwit zou een flinke vooruitgang betekenen in het dieet van mensen in ontwikkelingslanden. Het klopt dat in de Westerse wereld matiging op zijn plaats is. De wereld zou verpletterd worden als de ecologische voetafdruk van de Westerse levenswijze geëxporteerd wordt naar alle werelddelen. Maar het is onzinnig om vleesproductie daar alleen de schuld van te geven. De vraag hoeveel welvaart wij bereid zijn op te geven, is dan meer op zijn plaats. Toch belet dit niet dat de sector inspanningen moet doen om de impact op de omgeving te verlagen. Al zou het goed zijn dat we daarvoor over correcte en objectieve cijfers beschikken inzake de precieze milieu-impact van dierlijke productie. Er bestaat immers heel wat verwarring over de cijfers. Zo heeft de Wereldvoedselorganisatie FAO intussen zelf al toegegeven dat haar berekening niet correct is. Helaas wordt overal wel geciteerd dat de veehouderij verantwoordelijk is voor de uitstoot van 18 procent van de broeikasgassen. In dat opzicht is het belangrijk werk te maken van het voorstel in de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij om een meetinstrument te ontwikkelen dat iedereen als referentie wil aanvaarden. Over het al dan niet consumeren van vlees zullen we blijven verschillen van mening met een aantal organisaties. Het is wel belangrijk om te luisteren naar hun argumenten, daar lessen uit te trekken en hun mening te respecteren. Maar evengoed hebben wij het recht om onze mening te verdedigen vanuit de sector. Ook al zou het boek 'Dieren Eten' vlot over de toonbanken gaan en wordt J.S. Foer gretig geciteerd door trendy mediamensen, toch moeten we als sector het maatschappelijke debat met open vizier durven aangaan. Het boek is 'fashionable', in de lijn van het actuele politiek correcte denken. Het is nu aan ons om met woord en daad de lezers te overtuigen van de realiteit van onze land- en tuinbouw en van onze dierlijke productie.

test

Volg VILT ook via