nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Niet gelijk wie mag zich uitroepen tot belangenverdediger van landbouw en platteland"
20.01.2014  Piet Vanthemsche (voorzitter Landelijke Beweging en Boerenbond) & Chris Coenegrachts (ondervoorzitter Boerenbond)

De portemonnee van de boeren ligt buiten, in weer en wind. Dat is altijd zo geweest. Het strijdtoneel van de belangenverdediging van de landbouw is wel verschoven. “Vroeger reden we met de tractor naar Brussel, tegenwoordig nemen we de trein”, vat Boerenbondvoorzitter Piet Vanthemsche dat mooi samen. Met het memorandum van de Landelijke Beweging bij de hand overlopen we met Vanthemsche de prioriteiten voor landbouw en platteland in Vlaanderen. Akkerbouwer en varkenshouder Chris Coenegrachts, sinds maart 2013 ondervoorzitter van Boerenbond, schuift mee aan tafel voor dit interview. Hij is binnen de leiding van Boerenbond de hoogste vertegenwoordiger van de vrijwilligers.

De Landelijke Beweging plaatst ‘het recht op boeren’ en ‘een leefbaar platteland’ centraal. Hoe verzoenen jullie beide wensen want het meest leefbare platteland voor niet-landbouwers is niet altijd de meest efficiënte productieomgeving voor landbouwers, en omgekeerd?
Piet Vanthemsche: Ik zie landbouw en platteland in de eerste plaats als een positief verhaal. De aanwezigheid van land- en tuinbouw draagt dikwijls bij tot een kwalitatieve leefomgeving. Het is een garantie voor het behoud van het landelijk karakter van een regio. Een tv-serie als Katarakt bracht dat mooi in beeld voor de Limburgse fruitstreek. Waar ik woon, in het Pajottenland, werpt landbouw een dam op tegen de oprukkende verstedelijking. Zo zijn er veel andere gebieden in Vlaanderen waar landbouw een bepalende rol speelt in het karakter van een streek. Aan de andere kant zijn er ook spanningen tussen landbouw en zijn omgeving. Draagvlak creëren, is dan heel belangrijk. Dat vraagt inspanningen van de sector en van individuele landbouwers. Voorbeelden daarvan zijn de Dag van de Landbouw, het Boerenburenplan, Plattelandsklassen en kijkboerderijen. Ook is er overleg nodig, maar dat zit ingebakken in het wezen van de Landelijke Beweging die zowel de landbouwers als de plattelanders vertegenwoordigt. En tot slot moet je bij de inrichting van het landelijk gebied oog hebben voor evenwichten, zoals dat gebeurt bij recente ruilverkavelingen.

Vanthemsche.Boerenbond_Boerenbond.1.bmp“Landbouw in een verstedelijkt gebied als Vlaanderen verdient een speciaal statuut”

Vlaanderen heeft, zo lezen we in jullie memorandum, een verstedelijkte familiale landbouw. Is dat dan zo uitzonderlijk binnen de Europese context?

Vanthemsche: Het familiale karakter is niet uitzonderlijk. Dat zit in het DNA van de Europese landbouw want gezinnen runnen 97 procent van de landbouwbedrijven. Het verstedelijkte karakter is wel uniek. We combineren een hoge bevolkingsdichtheid met veel industrie en een dicht wegennet aangezien we het logistieke centrum van West-Europa (willen) zijn. In Vlaanderen is 34 procent van de oppervlakte bebouwd, driemaal meer dan het Europese gemiddelde (11%). In het memorandum van de Landelijke Beweging verwoorden we dat als ‘op een intensieve maar tegelijk zeer diverse manier aan landbouw doen in het hart van een verstedelijkt gebied’. Dat stelt heel specifieke problemen, wat mij al eens deed pleiten voor een speciaal statuut voor landbouw in verstedelijkt gebied. De spanning tussen landbouw en natuur is bij ons veel groter dan in regio’s waar meer ruimte is. Natuur realiseren, is in Vlaanderen ook duurder dan elders in Europa.

Staat of valt de politieke invloed van de Landelijke Beweging met een CD&V’er op de ministerpost voor landbouw en platteland?
Vanthemsche: Het memorandum richt zich tot alle politieke partijen en we vragen aan alle partijvoorzitters om het te mogen toelichten. De tijd is voorbij dat we maar met één partij praten. Maar het is evident dat CD&V bij uitstek de partij is die oog heeft voor landbouw en platteland. En we hebben natuurlijk graag dat de minister van Landbouw iemand is die affiniteit heeft met onze sector of uit een partij komt die blijk geeft van affiniteit met landbouw en platteland.

Is het anno 2014 überhaupt nog aangewezen om als belangrijke middenveldorganisatie dicht aan te leunen bij één politieke partij?
Chris Coenegrachts: De Landelijke Beweging is een christelijke middenveldorganisatie, is dat altijd al geweest, en daar komen we graag voor uit. Dat sluit gesprekken met andere partijen dan CD&V niet uit.
Vanthemsche: Het politieke landschap verandert, dus moeten we onszelf een beetje heruitvinden, maar trouw is een belangrijke waarde binnen de Landelijke Beweging. We zullen onze roots nooit verloochenen, en die zitten in de christendemocratie.

De maatschappelijke waardering voor ondernemen deemstert weg. Voelt de landbouw dat ook?
Coenegrachts: Mijn overgrootouders hadden tien kinderen waarvan er zes een landbouwbedrijf zijn gestart of met een boer zijn getrouwd. Ook in de generatie die daarop volgde, was het aantal boeren dik gezaaid. De boerenstiel stond toen hoog aangeschreven, en in onze streek (Riemst, Limburg) verdiende je er goed je boterham mee. De maatschappelijke waardering was navenant terwijl 80 procent van de boeren zich heden ten dage ondergewaardeerd voelt volgens het Landbouwrapport (LARA 2012). Van die tanende waardering voor ondernemerschap zijn er voorbeelden zat. In Limburg snakt iedereen naar werkgelegenheid maar eens een project concreet wordt, riskeert het afgeschoten te worden, niet in het minst door de milieubeweging. Denk ook aan het ‘not-in-my-backyard’-syndroom en de ‘macht van de klacht’ die de landbouw - bijvoorbeeld bij geurhinder - parten spelen ondanks het goede imago van de sector. Met alle tegenkanting die je pad kan kruisen, moet je al heel gedreven zijn om nog een bedrijf te willen starten.

“Weet wat een actiegroep is. Dat zijn drie mensen op internet die beweren dat ze met duizend zijn”

Vanthemsche: Landbouw hokt niet samen op industrieterreinen, maar zit verspreid over 750.000 hectare in gans Vlaanderen. Als sector zijn we dus heel visibel en hebben we altijd buren. Dat is een stuk van de eigenheid van onze landbouw. De generatie van mijn ouders heeft grote stappen vooruit gezet door te ondernemen. Ondernemerschap stond toen hoog aangeschreven, maar wordt heden ten dage gefnuikt door onze welvaart. De zin om risicovol te ondernemen, is in een welvarende regio als Vlaanderen kleiner. Een reden te meer om erkenning te vragen voor de inspanningen die onze landbouwers leveren in het kader van duurzame ontwikkeling. Door in te spelen op de maatschappelijke verwachtingen toont de sector zijn waardering voor de vragen uit de samenleving. Wij vragen dezelfde blijken van waardering terug. In die optiek dient de overheid een rechtszeker kader te creëren zodat de vergunning die ondernemen mogelijk maakt niet om de haverklap op de helling kan worden gezet door actiegroepen. Mijn sneer naar actiegroepen neemt niet weg dat we als sector moeten investeren in een breed draagvlak. Boerenbond zet daar volop op in, een recent voorbeeld is de brochure ‘Boeren met buren’ die landbouwers helpt om de dialoog aan te gaan met omwonenden.

Hoe is het gesteld met de waardering specifiek voor het platteland?

leie-rivierherstel-platteland landschap1.gifVanthemsche: Dit is een belangrijk thema in ons memorandum. Met Landelijke Gilden, KVLV en KLJ zijn wij immers geworteld in de Vlaamse dorpen. Samen vertegenwoordigen deze organisaties duizenden lokale afdelingen die allemaal een eigen werking hebben uitgebouwd op het platteland. Wij verlangen van de overheid dat zij rekening houdt met de eigenheid van dat platteland, en niet zoals de burgemeesters van Gent en Kortrijk vindt dat alle macht naar de steden moet. Wonen op het platteland mag niet gediscrimineerd worden tegenover wonen in de stad. Als Landelijke Beweging ijveren we voor een plattelandsbeleid dat - heel breed - aandacht heeft voor bestuurskracht van gemeenten, een kwalitatieve omgeving met voldoende dienstverlening in de dorpen, betaalbaar wonen, armoede op het platteland, jeugdwerking, vrijwilligerswerking, het verenigingsleven, enz. Een grote verworvenheid als het Plattelandsfonds, met dank aan minister-president Kris Peeters, dient gevoelig versterkt te worden. Vandaag gaan veel meer middelen naar het Stedenfonds.

Meer dan vroeger is het drummen op het middenveld. Vraagt dat een andere aanpak in de belangenverdediging?
Vanthemsche: Het is evident dat de belangenverdediging evolueert. Het middenveld is veranderd, de relatie tussen politiek en middenveld evenzeer. Er zijn ngo’s bijgekomen die allemaal hun plaats verwerven en zich uitlaten over landbouw. In ons memorandum lees je dat de Landelijke Beweging het gesprek wil aangaan. Ik investeer dus veel tijd in het overleg met andere middenveldorganisaties. Wel sta ik erop dat rekening gehouden wordt met de legitimiteit en representativiteit van organisaties. Niet gelijk wie mag zich uitroepen tot vertegenwoordiger van de landbouwers, en weet dat Boerenbond ‘marktleider’ is op dat vlak. Binnen de Landelijke Beweging staan naast Boerenbond ook KVLV-Agra en Groene Kring in voor de belangenverdediging van de landbouw. De plattelandswerking van onze beweging steunt op Landelijke Gilden, KVLV-Vrouwen met vaart, jongerenvereniging KLJ en ruitersvereniging LRV. Het memorandum vertolkt de mening van deze brede beweging die 200.000 leden telt en nog meer mensen vertegenwoordigt. Geen andere organisatie in Vlaanderen kan vanuit zo’n positie opkomen voor landbouw en platteland.

Boeren moeten toegang hebben tot grond. De regionalisering van de pachtwet belooft dus belangrijk te worden. Zal Boerenbond erin slagen om een standpunt te bepalen over de hervorming van de pacht waarmee alle leden-landbouwers zich kunnen verzoenen?

Lees ook:
"Wij laten 750.000 hectare uit structuurplan niet los"
Vanthemsche: Het is onze rol als organisatie om iedereen op dezelfde lijn te krijgen. Dat lukte ons voor het mestactieplan en het gemeenschappelijjk landbouwbeleid, dus zullen we ook omtrent de regionale invulling van de pachtwet met een eensluidende visie naar buiten komen. Dat zit er aan te komen want na een traject van twee jaar in de vakgroepen en provinciale besturen, zal die interne discussie over enkele maanden afgerond worden in het Hoofdbestuur.

Slagen jullie er ook in om met Boerenbond en Groene Kring een visie te delen over de pensioenboeren en de voor Europese inkomenssteun belangrijke definitie van wat een actieve boer is?
Coenegrachts: Daar hebben we alle belang bij want de instroom van jonge landbouwers is te klein terwijl zij de enige garantie zijn dat er ook in de toekomst nog voedselproductie is. Vandaag is slechts zes procent van de Europese boeren jonger dan 35.
Vanthemsche: We moeten er alles aan doen om te stimuleren dat oudere boeren hun productierechten en gronden overdragen aan jongeren. Die stimuli kunnen van fiscale aard zijn, of je kan pachters vanaf een bepaalde leeftijd geen voorkooprecht meer geven op pachtpercelen. De overdracht van het productieapparaat aan de jongere generatie is van essentieel belang voor een duurzame toekomst van onze sector. Anderzijds moeten we investeren in bedrijfsopvolging en -overdracht. Samen met Groene Kring en met SBB en KBC als partners gaan we daarvoor een kenniscentrum oprichten, dat ondersteund zal worden door het ervaren Instituut voor het Familiebedrijf. Als landbouworganisatie waren we al fel bezig met bedrijfsopvolging, denk aan de brochures ‘De Wissel’ van Groene Kring en SBB, maar we willen nog grotere inspanningen doen op dat vlak.

Grosso modo bestaat één derde van het landbouwinkomen uit Europese steun, belastinggeld dus. Hoe overtuig je de beleidsmakers in die omstandigheden van de toegevoegde waarde van landbouw?
diepvriesgroenteaa.jpgCoenegrachts: De Vlaamse landbouw maakt deel uit van een agrovoedingscomplex dat goed is voor 150.000 arbeidsplaatsen en een omzet van 60 miljard euro. De export van agrarische producten zorgt voor een positieve bijdrage op de Belgische handelsbalans van 4,7 miljard euro. Landbouw en verwerkende industrie kunnen niet zonder elkaar. Je mag ze dus qua economisch belang niet los van elkaar zien.
Vanthemsche: Boerenbond moet mensen ook overtuigen van het nut van een Europees budget dat naar landbouw gaat. Dat lukt, door uit te leggen dat voedsel geen gewone handelswaar is en door erop te wijzen dat de 30 procent steun in het landbouwinkomen een compensatie is voor het inspelen op maatschappelijke verwachtingen. Het landbouwbudget is niet te groot, integendeel zelfs, wel is het totale budget te klein om de ambities van Europa waar te maken.

Wat blijft jullie bij van 2013?
Coenegrachts: In 2013 verloren we met Ivan Tolpe een bekwame bestuurder en een goede vriend. Ivans nagedachtenis zet ons ertoe aan om naar zijn voorbeeld veel te betekenen voor de varkenshouderij.
Vanthemsche: Het afgelopen jaar bracht gelukkig ook goede zaken, zoals onze nieuwe bestuursstructuur. Het was een hele klus om dat op poten te zetten, maar het werkt goed. De provinciale besturen geven input aan het Hoofdbestuur en van daaruit wordt beter teruggekoppeld naar de basis. Onze boeren worden dus nog meer betrokken bij hun belangenverdediging. Als we het over de grote dossiers van 2013 moeten hebben, dan ontpopte het IHD-verhaal zich tot één van de grootste uitdagingen van de komende jaren. Voor boeren is dat de ver-van-mijn-bed-show maar voor velen zijn de beschermingszones waar natuurdoelstellingen gerealiseerd moeten worden akelig dichtbij.

Coenegrachts.geVILT_BB.gif“De instandhoudingsdoelstellingen voor natuur dreigen ondernemen onmogelijk te maken”

Coenegrachts: Dat is in de eerste plaats zo in Limburg. Het merendeel van de oppervlakte aan speciale beschermingszones ligt in onze provincie. Een flankerend beleid dat de impact kan milderen, is hard nodig. Anders dreigt ondernemen onmogelijk te worden, voor landbouw maar ook voor andere sectoren.
Vanthemsche: In een ander belangrijk dossier, het (nieuwe) mestactieplan, blijven we gelukkig vooruitgang boeken. Kijk maar naar het focusgebied dat in omvang afneemt. In de aanloop naar MAP 5 gaan we deze legislatuur nog harde noten moeten kraken. We zullen het debat veel proactiever aanpakken dan ten tijde van MAP 4, en gericht naar oplossingen zoeken voor problemen. De landbouwsector zal het heft zelf in handen moeten nemen. We mogen geen angst hebben voor Europa want wie bang is, krijgt slaag. Van 2013 is mij ook bijgebleven dat we grote inspanningen moeten doen om te communiceren dat wij als sector dierlijke productie duurzaam benaderen. Alle maatschappelijke aanvallen, van de gemene criminaliteit waar onze varkenshouders mee te maken kregen tot de recent gepubliceerde ‘Vleesatlas’, zetten veehouderij onder druk. Vergeet niet dat 60 procent of meer van het landbouwinkomen uit dierlijke productie komt. Het is aan ons om proactief naar buiten te komen met de inspanningen van de sector, zonder een romantisch beeld op te hangen.

Zouden jullie er gerust in zijn wanneer één van de (klein)kinderen de ambitie uitspreekt om later boer of tuinder te worden? Welke goede raad zouden jullie hen meegeven?
Vanthemsche: Mijn oudste kleinkind is nog maar vier jaar en heeft zich nog niet ‘ge-out’ als landbouwer. Ik zou er alleszins niets op tegen hebben. De eerste raad die ik zou geven, is een degelijke opleiding volgen.
Coenegrachts: Ik ben net zoals veel collega-landbouwers nog onzeker over een opvolger. Wat ik wel weet, is dat mijn bedrijf zal blijven voortbestaan, net zoals landbouw altijd in Vlaanderen verankerd zal blijven. Boeren zijn immers flexibel, “en de boer, hij ploegde voort”, luidt het spreekwoord.
Vanthemsche: Zonder landbouw geen eten, weet je wel. In het memorandum schrijven we dat de sector zich voortdurend heeft aangepast aan de uitdagingen die de eeuwenlange stedelijke ontwikkeling van Vlaanderen met zich meebracht, en inspeelde op de kansen die dat bood. We zullen dat blijven doen want stilstaan is achteruitgaan.

Meer info: memorandum Landelijke Beweging

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Boerenbond / VILT

Volg VILT ook via