nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

Wat zijn de gevolgen voor Vlaamse landbouwers?
04.07.2013  Politiek akkoord over het Europees landbouwbeleid

Het politieke akkoord van 26 juni over de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) brengt veel duidelijkheid over hoe de verschillende onderdelen van het GLB er vanaf 2014 en 2015 zullen uitzien. Desalniettemin moeten de komende maanden nog veel details uitgewerkt worden, en moet ook Vlaanderen beslissen hoe de door Europa geboden vrijheid ingevuld zal worden. VILT verzamelde een 20-tal concrete vragen van landbouwers omtrent dat Europees landbouwbeleid. De antwoorden komen van het Departement Landbouw en Visserij en geven reeds een stevige indicatie van wat de nieuwe regelingen zullen zijn en welke gevolgen ze zullen hebben voor Vlaamse landbouwers.

Heeft Europa zijn landbouwbeleid voor de komende zes jaar definitief vastgelegd in het akkoord van afgelopen woensdag? Of kan één van de Europese instellingen nog aanpassingen eisen?
Op 26 juni werd een politiek akkoord bereikt tussen de Europese Commissie, het Europees Parlement en het Ierse Voorzitterschap dat de Raad van landbouwministers vertegenwoordigt. Deze wetgevende basisteksten moeten nog definitief goedgekeurd worden door het Europees Parlement en de Raad Landbouw, maar wijzigingen worden niet meer verwacht.

Wanneer zullen landbouwers de veranderingen gewaarworden in de verzamelaanvraag, in de uitbetaling van toeslagrechten en in de vergoedingen voor beheerovereenkomsten?
kalf.alpenweide_AllieCaulfieldFlickr.1.jpgVoor de toeslagrechten gebeurt de overgang in twee stappen. In 2014 wordt de waarde van alle huidige toeslagrechten aangepast aan de nieuwe Europese meerjarenbegroting (2014-2020). Vanaf 2015 verdwijnen de toeslagrechten, met de nieuwe betalingsrechten als vervanger. Deze rechten zullen evolueren in de periode 2015 tot en met 2019. Landbouwers zullen in 2015 geïnformeerd worden over de waarde van hun rechten voor heel die periode.

De wijzigingen aan de verzamelaanvraag - zoals de vergroening, de steun aan jonge landbouwers en de nieuwe definitie van subsidiabele percelen - gaan pas in vanaf 2015. Ook de nieuwe beheerovereenkomsten, en de daaraan gekoppelde vergoedingen, kunnen pas afgesloten worden vanaf 2015.

Welke waarde hebben mijn toeslagrechten na 2014 nog? Ik beschik overigens over een aantal dure toeslagrechten. Behoor ik dan sowieso tot de verliezers?
Als gevolg van de beslissingen in de Europese meerjarenbegroting is het budget voor de directe inkomenssteun aanzienlijk gedaald. Alle landbouwers die in het verleden (hoge) toeslagrechten hadden, zullen de waarde van hun rechten zien dalen. Ook het budget dat nodig is voor de extra ondersteuning voor jonge landbouwers en voor gekoppelde steun (indien Vlaanderen hiervoor zou kiezen), zal een bijkomende daling veroorzaken. 

Hoge toeslagrechten zullen ook in waarde dalen als gevolg van de Europese beslissing dat hoge en lage toeslachtrechten gedeeltelijk naar mekaar toe moeten groeien tussen 2015 en 2019. De waarde van de betalingsrechten zal evolueren in de richting van de gemiddelde waarde van een Vlaams toeslagrecht.

Voorziet Europa iets van inkomensondersteuning voor niet grondgebonden bedrijven zoals mijn varkensbedrijf?
varkensbedrijfa.jpgEr is in de nieuwe verordening geen inkomenssteun voorzien voor landbouwers die geen subsidiabele hectaren aangegeven hebben in 2013 of die geen subsidiabele hectaren zullen aangeven in 2015.

Als tuinbouwer kreeg ik historisch geen toeslagrechten toegewezen en ik investeerde er ook nooit in. Krijg ik ze nu toch in de schoot geworpen?
Tuinbouwers hadden tot op heden inderdaad weinig tot geen toeslagrechten. Om te weten of een tuinbouwer in 2015 betalingsrechten zal krijgen, zijn twee zaken van belang. Enerzijds is het de vraag of hij een toegangsticket krijgt tot het nieuwe systeem. De voorwaarden luiden als volgt: een actieve landbouwer zijn, een ontvankelijke aanvraag voor directe steun gedaan hebben in 2013 en in 2015 een aanvraag doen om betalingsrechten toegekend te krijgen.

Anderzijds is het ook van belang of hij in 2013 dan wel 2015 (referentiejaar is nog niet gekend) subsidiabele hectaren heeft aangegeven. In het toekomstige systeem zal er aan iedere subsidiabele hectare een betalingsrecht worden toegekend. Is het antwoord op beide vragen positief, dan ontvangt de tuinbouwer in 2015 voor elke subsidiabele hectare in het referentiejaar een betalingsrecht.

Op mijn akkerbouwbedrijf beschik ik over bijna evenveel toeslagrechten als ik grond heb. De gemiddelde waarde is ongeveer 500 euro per toeslagrecht. Ga ik steun winnen of verliezen?
tractor.2.jpgHet is moeilijk om nu reeds inschattingen te maken van de waarde van de nieuwe betalingsrechten. Er moeten immers ook op Vlaams niveau nog heel wat keuzes gemaakt worden. Bovendien is de situatie afhankelijk van bedrijf tot bedrijf. Als gevolg van de daling van het Europees budget is de verwachting dat de gemiddelde waarde van een nieuw betalingsrecht in 2019 lager zal liggen dan 500 euro. De afbouw van de waarde van de rechten zal echter geleidelijk gebeuren tussen 2015 en 2019.

Zullen de zogenaamde pensioenboeren nog toeslagrechten kunnen activeren? En de boeren in bijberoep?
Binnen de nieuwe verordening bestaat de mogelijkheid om 'landbouwers' uit te sluiten bij wie de voornaamste economische activiteit niet landbouw is. Hierover dient nog een beslissing genomen te worden in Vlaanderen.

Jonge landbouwers zouden extra ondersteuning krijgen. Waar mag ik mij aan verwachten? Ik nam twee jaar geleden het bedrijf van mijn ouders over, maar ben wel al 37 jaar oud. Beschouwt Europa mij nog als een ‘jonge boer’?
Wie jonger is dan 41 jaar en in de laatste vijf jaar gestart is als landbouwer, komt in aanmerking voor extra ondersteuning binnen de directe inkomenssteun (“de jonge landbouwersbetaling”). Op deze manier wil Europa jonge starters een duwtje in de rug geven, een soort van tegemoetkoming voor de soms zware vestigingskosten.

opvolging.generatiewissel.kind.jongelandbouwer.1_kathleenvandijck.jpgVijf jaar lang (vanaf het moment dat iemand start als landbouwer) krijgt de jonge landbouwer een verhoging van zijn betalingsrechten. De manier waarop die in Vlaanderen berekend zal worden, moet nog bepaald worden. Daarnaast is er de mogelijkheid om via het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) vestigingssteun te geven. Voor deze maatregel geldt dat de landbouwer maximaal 40 jaar oud mag zijn bij de indiening van zijn steunaanvraag. Daarnaast gelden nog voorwaarden, onder meer in verband met vakbekwaamheid en bedrijfsomvang, … maar deze liggen momenteel nog niet definitief vast. Ook in andere maatregelen wordt bekeken hoe er specifieke aandacht kan zijn voor jonge boeren.

Ik ben vleesveehouder en maak mij zorgen over de zoogkoeienpremie. Hoe zit het daar mee?
De lidstaten krijgen de mogelijkheid om een deel van hun financiële enveloppe bestemd voor directe steun aan te wenden voor (gekoppelde) steun voor bepaalde sectoren, waaronder rundvlees. Hoe steun aan die sector dan verder vertaald wordt, hangt weer af van de keuzes die het land of gewest hiervoor maakt (b.v. voor welke runderen, welke vorm van premie, …). Een premie voor zoogkoeien blijft bijgevolg ook na 2014 mogelijk. Het toekomstige bedrag van zo’n premie is afhankelijk van de weerhouden voorwaarden en het toegewezen budget.

Op 60 hectare teel ik maïs en raaigras als tijdelijk grasland. Daarnaast heb ik 10 hectare blijvend grasland. Welke impact heeft de vergroening die Europa eist op mijn bedrijf?
Vanaf 2015 zal de bedrijfstoeslag (ontkoppelde directe steun) niet langer uitbetaald worden als één bedrag per geactiveerde subsidiabele hectare, maar zal de betaling bestaan uit verschillende onderdelen (basisbetaling, vergroeningspremie, betaling voor jonge landbouwers). Elke landbouwer die een basisbetaling ontvangt, is verplicht om zich te houden aan de 'vergroeningsmaatregelen' die op zijn bedrijf van toepassing zijn. Indien de landbouwer deze maatregelen correct toepast, krijgt hij de vergroeningspremie uitbetaald. Indien hij dit niet doet, riskeert hij niet alleen een inhouding op zijn vergroeningspremie, maar op zijn volledige directe inkomenssteun.

grasland1.MarcvLaecke.bmpPassen we de drie 'vergroeningsacties' (gewasdiversificatie, ecologisch focusgebied en blijvend grasland) toe op bovenstaand voorbeeld, dan betekent dat het volgende: De 10 hectare blijvend grasland moet behouden blijven. Aangezien de landbouwer beschikt over een akkerbouwareaal van meer dan 30 hectare, moet hij daarop ten minste drie verschillende gewassen telen. De hoofdteelt mag niet meer dan 75 procent innemen en de twee grootste teelten samen niet meer dan 95 procent. De landbouwer in kwestie moet dus een derde gewas introduceren, en de percentages respecteren.

Voor wie minder akkerland bewerkt, is deze voorwaarde minder veeleisend. Landbouwers met een akkerbouwareaal tussen 10 en 30 hectare moeten ten minste twee verschillende gewassen aanhouden op hun akkerbouwareaal, en het hoofdgewas mag niet meer dan 75 procent innemen. Landbouwers met een akkerbouwareaal van minder dan 10 hectare zijn vrijgesteld van gewasdiversificatie.

Aan de derde voorwaarde, de aanleg van ecologisch focusgebied, moet deze landbouwer eveneens voldoen aangezien hij over meer dan 15 hectare akkerland beschikt. Vijf procent van dit akkerland (60 ha x 0,05 = 3 ha in zijn geval) zal hij moeten invullen met maatregelen die in aanmerking komen als ecologisch focusgebied. Vlaanderen moet nog een keuze maken uit maatregelen die vermeld zijn op een Europese lijst vooraleer we weten welke maatregelen het ecologisch focusgebied kunnen invullen.

Tellen grasland of perceelsranden en erosiestroken uit de beheerovereenkomsten mee als ecologisch focusgebied?
landbouwlandschap.ElviraTaelman.2.jpgDat moet dus nog bepaald worden. Als algemeen principe geldt dat er geen dubbele betaling mag gegeven worden voor dezelfde inspanningen die geleverd worden in het kader van de vergroening en deze die gebeuren in het kader van beheerovereenkomsten. Er moet echter nog verder op technisch vlak uitgeklaard worden hoe dit in de praktijk dient vermeden te worden.

Voor mijn melkvee teel ik gras en maïs. Wat ik van de maïs niet nodig heb als ruwvoeder wordt gedorst voor de korrel. Ben ik dan in orde met de gewasdiversificatie?
Of u voldoet aan gewasdiversificatie hangt enkel af van het aantal teelten en van hun aandeel in het akkerbouwareaal. Korrelmaïs en snijmaïs worden daarbij als één gewas beschouwd.

Alle drie de vergroeningsvoorwaarden implementeren in mijn bedrijfsvoering lijkt onmogelijk. Verlies ik dan 30 procent van de steun of nog meer?
Elke landbouwer die een basisbetaling ontvangt, is verplicht om zich te houden aan de vergroeningsmaatregelen die op zijn bedrijf van toepassing zijn. Indien de landbouwer deze maatregelen correct uitvoert, krijgt hij de vergroeningspremie uitbetaald. Indien hij dit niet doet, riskeert hij niet alleen een inhouding op de vergroeningspremie maar ook op zijn directe inkomenssteun in zijn geheel. Het uiteindelijke bedrag van de inhouding hangt af van de ernst, de omvang, de duur en de recidive van de inbreuk, net zoals bij de randvoorwaarden.

Als gevolg van het niet voldoen aan de vergroening kan een bedrijf tegen 2017 een maximale inhouding worden aangerekend van 125 procent van de waarde van de vergroeningspremie. Een landbouwer verliest met andere woorden zijn volledige vergroeningspremie en daarbovenop kan nog eens 25 procent van de waarde van de vergroeningspremie ingehouden worden op andere steunbedragen die hij ontvangt.

Ik heb geen rundvee meer op mijn bedrijf maar zit nog wel met blijvend grasland. Als ik beslis om niet mee te doen aan de vergroening, kan ik dat dan omploegen?
grasland.polder_Focus-WTV.1.bmpGedurende 2015 en 2016 zal het behoud van blijvend grasland nog opgenomen blijven in de randvoorwaarden zodat het omzetten van blijvend grasland aanleiding kan geven tot inhoudingen op alle premies die de landbouwer ontvangt en hij verplicht kan worden om opnieuw blijvend grasland aan te leggen. Het systeem voor het behoud van blijvend grasland in Vlaanderen na 2016 is nog niet vastgelegd.

Naast de GLB-wetgeving zijn er ook bepalingen in andere Vlaamse wetgeving die beperkingen opleggen aan het scheuren van bepaalde graslanden. Indien een landbouwer geen GLB-steun ontvangt, dient hij dus na te gaan of het grasland niet onderworpen is aan een “Vlaamse” instandhoudings- of vergunningsplicht.

Hoe lang blijven de suikerbietquota nog bestaan? Mag elke landbouwer daarna suikerbieten gaan telen?
De suikerquota lopen nog tot en met 30 september 2017. Nadien is deze teelt niet langer aan een productiebeperking onderhevig. Na die datum blijft evenwel de mogelijkheid behouden om via interprofessionele akkoorden, afspraken te maken tussen bietenplanters en verwerkers. Bovendien blijven in de Europese regelgeving de bepalingen over de verkoopsvoorwaarden na het afschaffen van de quota behouden.

Door het dure krachtvoeder voor mijn rundvee overweeg ik om eens een mengteelt van erwten en granen uit te proberen. Gaat Europa mij daarin ondersteunen?
De Vlaamse overheid heeft reeds vanaf PDPO I via agromilieumaatregelen subsidie verleend aan de teelt van vlinderbloemigen om het gebruik van bedrijfseigen eiwitten als veevoeder te stimuleren. Het nieuwe PDPO III 2014-2020 is momenteel nog in opmaak.

bloemen.biodiversiteit.landschap.2.jpgVanggewassen en stikstoffixerende teelten zijn opgenomen in de Europese lijst van elementen die meetellen voor het ecologisch focusgebied. In welke mate is nog onduidelijk aangezien de Europese Commissie de omrekeningsfactoren nog moet vastleggen. Vlaanderen moet uit de Europese lijst ook nog de op haar grondgebied gewenste invulling van het ecologisch focusgebied kiezen.

Hoe zit het met de investeringssteun van het VLIF? Veranderen de steunpercentages? Worden bepaalde investeringen in de toekomst uitgesloten van steun?
De voorbereidingen van PDPO III zijn gestart maar nog niet afgerond. Investeringssteun zal zeker onderdeel uitmaken van dit nieuwe programma maar de modaliteiten waaronder dit kan, liggen nog niet vast.

Ik zie dat wel zitten om mij met collega’s te groeperen in een producentenorganisatie om gezamenlijk te onderhandelen over de prijs van onze producten. Waar kan ik terecht?
Landbouwers krijgen binnen het nieuwe GLB meer kansen om hun onderhandelingsmacht in de keten te verbeteren door zich te verenigen. Producentenorganisaties zullen opgericht kunnen worden in alle sectoren van land- en tuinbouw terwijl dit vroeger slechts mogelijk was voor enkele sectoren. Meer informatie over de samenwerking in producentenorganisaties vind je op de website van het beleidsdomein Landbouw en Visserij.

Bron: |

Beeld: Elvira Taelman / VILT

In samenwerking met: Departement Landbouw en Visserij

Volg VILT ook via