nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Kan een sterkere band tussen boer en burger het platteland redden?
03.03.2014  Productief Landschap

Sinds de landbouw centraal is komen te staan in onze voedselvoorziening kreeg de bewerkte grond een geprivilegieerde plaats in de ruimtelijke organisatie van onze samenleving. Mede dankzij een efficiënte voedselproductie en -aanvoer groeiden de middeleeuwse steden in onze contreien uit tot belangrijke machtscentra. Vandaag leeft de perceptie dat het precies die steeds verder uitdijende steden zijn die de Vlaamse landbouw beetje bij beetje oppeuzelen. "En toch zie ik heel veel kansen voor de landbouw", klinkt het optimistisch bij Vlaams bouwmeester Peter Swinnen, die samen met minister-president Kris Peeters, het Departement Landbouw en Visserij, het Agentschap Ruimte Vlaanderen en ILVO de oproep voor Pilootprojecten Productief Landschap lanceerde.

Sinds de Tweede Wereldoorlog is Vlaanderen aan een razend hoog tempo volgebouwd, met een doorgedreven verkaveling en suburbanisering tot gevolg. Als ook de naar schatting miljoen Vlamingen die er tegen 2050 bijkomen een baksteen in de maag hebben, dan dreigt de open ruimte, vooral in de Vlaamse ruit, volledig dicht te slibben. Voeg daarbij de nood aan industrieterreinen, natuurgebied en recreatiezones enerzijds, en een vastgelopen mobiliteit, problemen rond voedselvoorziening- en veiligheid en een schaarste aan grondstoffen anderzijds, en je begrijpt hoe hoog de druk op de open ruimte anno 2014 is opgelopen.

Geen exclusieve hectaren
Als belangrijkste plattelandsgebruiker – iets meer dan de helft van de Vlaamse oppervlakte is landbouwgebied – ondervindt de land- en tuinbouwer hoe die confrontatie tot spanningen leidt: tussen natuurdoelstellingen van hogerop en de principes van een ambitieuze, rendabele bedrijfsvoering; tussen de boer die al jaren woont en werkt op het platteland, en de nieuwe bewoners van een duur betaalde hoeve; of tussen het voedselverwerkend bedrijf dat wil uitbreiden en de inwoners van de aanpalende wijk.

ruimtelijke ordening1.jpg"Het mag duidelijk zijn", zegt Joachim Declerck van Architecture Workroom Brussels (AWB), het studiebureau dat de voorbereidende studie voor de pilootprojecten in samenwerking met Maat-ontwerpers uitvoerde , "als we de voedselproductie ook in de toekomst een centrale plaats willen geven binnen onze ruimte en leefomgeving, dan zullen we op zoek moeten gaan naar manieren om de bestaande spanningen om te zetten in synergiën met de complexe omgeving." Volgens Declerck moet de landbouw zich profileren als gangmaker van een productief landschap waarbij productie, energiedelen, natuur, recreatie, biodiversiteit en vergroening de Vlaamse ruimte ondersteunen en ontwikkelen, eerder dan ze te verdelen en eenzijdig op te eisen.

"In plaats van de open ruimte angstvallig te beschermen tegen de oprukkende verstedelijking, kunnen we het perspectief ook omdraaien en de organisatie van de open ruimte activeren om verstedelijking mee vorm te geven", vult Vlaams Bouwmeester, Peter Swinnen, aan. "We moeten af van rekenen in exclusieve hectaren: de huidige planningsinstrumenten in Vlaanderen trachten het gevecht om ruimte nog te zeer te bezweren door bestemmingen strikt van elkaar te scheiden." Om uit te testen hoe zo’n "ruimtelijke coproductie" tussen verschillende sectoren en actoren er in concreto kan uitzien, willen de vijf projectpartners vijf pilootprojecten realiseren.

De landbouwer in een drieledig spanningsveld
Volgens de analyse van AWB zit de landbouwer in een drieledig spanningsveld. In de eerste plaats moet hij voortdurend timmeren aan een gezonde bedrijfsvoering. Om competitief te blijven in een lokale of mondiale markt, moet de landbouwer specialiseren en blijven innoveren en investeren. Ten tweede wordt hij geconfronteerd met een reeks ambitieuze doelstellingen die door de verschillende bevoegde beleidsniveaus worden opgelegd. Ten derde is er de mondige medeburger, die vaak een andere visie heeft op het landschap: wat voor de ene een kwalitatieve woonomgeving en recreatieruimte is, vormt voor de ander een werkveld voor intensieve productie.

Pilootprojecten-Productief-landschap1.jpgUitgangspunt van de pilootprojecten is de creatie van een productief landschap. Productieve landschappen zijn open ruimtes – groot of klein, stedelijk of landelijk – die zo beheerd worden dat ze ecologisch en economisch productief worden. Vooruitstrevende plattelandsactoren worden uitgenodigd ambitieuze projectvoorstellen in te dienen die een voorbeeld kunnen zijn voor de hele landbouwsector. De centrale vraag luidt: hoe kan de primaire sector zich opnieuw verzoenen met de maatschappij die ze van oudsher mee vorm heeft gegeven? Hoe kan er ingezet worden op realistische win-wins? Vijf werkvelden werden geïdentificeerd: herbestemming, schaalsprong, kringlopen, water en landbouw, en landbouwparken.

Vijf projecten, vijf werkvelden
De aandacht voor herbestemming komt voort uit de vaststelling dat door het dalende aantal landbouwers heel wat boerderijen leeg komen te staan en worden ingepalmd door niet-agrarische economische functies, of dat ze omgevormd worden tot woonlandschap. Tegelijk staat een deel van het landbouwpatrimonium leeg: stallen zijn verouderd, hoeves onbruikbaar. Via een herbestemming van het bestaande patrimonium komt er plots ruimte vrij voor woningen, voor startende ondernemers, enzovoort. Daarbij is het essentieel dat de professionele activiteiten van de landbouwer mogelijk blijven.

vierkantshoeve1.jpgDoor het grondgebruik en het gebouwde van elkaar te scheiden kunnen verschillende samenwerkingsconstructies ontstaan. Zo kunnen er "woonerven" ontstaan waar de boer één van de bewoners op het erf is, of kan er een boer van buitenaf aangetrokken worden om het land te bewerken. Op die manier versterkt bovendien de relatie en de wederzijdse appreciatie tussen bewoners en landbouwers. Daarnaast kan het woonerf ook nog andere functies krijgen die de collectieve dimensie versterken: gedeelde werkplekken, deelauto’s, gemeenschappelijk energieopwekking, enzovoort.

Een tweede werkveld heeft te maken met een van de belangrijkste evoluties in de landbouwsector van de laatste decennia: schaalvergroting. Een vaststelling vandaag is dat de omgeving het vaak erg moeilijk heeft met een snelle schaalvergroting van de landbouwactiviteit. Actiecomités die vrezen voor verkeers- en geuroverlast zijn schering en inslag. Door het clusteren van enkele bedrijven kan meer aandacht besteed worden aan een duurzame gebouwinplanting die de perceelgrens overstijgt. Bij het bouwen van stallen is componentenbouw een interessante optie, omdat de gebruikte materialen na hun levensloop volgens het cradle to cradle-principe hergebruikt kunnen worden.

Om een passend en duurzaam antwoord te formuleren op de steeds schaarser wordende grondstoffen én om de energiekosten te drukken, kan het kringloopdenken een uitweg zijn. Bovendien is de milieudruk van landbouwbedrijven vandaag vaak nog te hoog. De landbouwproductie is daarbij volgens AWB nog te eenzijdig gericht op de maximalisatie van de productiehoofdstroom, waardoor potentieel complementaire landbouwactiviteiten naast elkaar komen te staan, zonder dat de afvalstroom van het ene proces hergebruikt kan worden als grondstof voor het andere.

biogas.a.1.jpgDoor in te zetten op energiezuinige productiemethoden, beperkte energieverliezen, warmterecuperatie of hernieuwbare energieproductie, kan de energiebehoefte gevoelig verlaagd worden. Er bestaan in Vlaanderen al enkele pilootprojecten waarbij landbouw en industrie de energiekringlopen proberen te sluiten, maar het lijkt ook interessant te onderzoeken welke wisselwerking mogelijk is tussen landbouw en wonen. En ook zonder deze koppeling is heel wat mogelijk: warmteopslag in de bodem bijvoorbeeld. Tenslotte zouden gronden die op langere termijn een andere bestemming krijgen, tijdelijk gebruikt kunnen worden als landbouwgrond.

Een vierde werkveld heeft te maken met water. Tot nu toe werden beken en rivieren ingedamd om overstromingen te vermijden. Maar als we rekening houden met de klimaatopwarming die voor extremere weersomstandigheden zal zorgen, dan lijkt het AWB verstandiger om in te zetten op een coalitie tussen landbouw, water en natuur. Concreet kan dat in de vorm van een gecontroleerd overstromingsgebied, maar ook via agro-beheergroepen, waar landbouwers een actieve rol gaan spelen in het waterbeheer. Voor sommige landbouwers kan dit waterbeheer zelfs economisch zodanig interessant zijn dat ze 'waterboeren' worden.

Een laatste werkveld zijn de landbouwparken in sterk verstedelijkt gebied. De onderzoekers van AWB zijn er van overtuigd dat de nabijheid van de stad geen belemmering hoef te zijn voor de duurzame ontwikkeling van de landbouw: "Door gebiedsgericht in te zetten op samenwerking tussen landbouwers en tussen vormen van landbouw kunnen ook kleine percelen worden benut, kunnen landbouwers worden verenigd, en worden consument en producent dichter bij elkaar gebracht." Obstakels zijn de fragmentatie of versnippering van de open ruimte in verstedelijkt gebied en het gebrek aan rechtszekerheid voor zonevreemde landbouw.

verpaarding.1.jpgOok de pachtwet strooit in sommige gevallen roet in het eten. Wanneer een eigenaar inkomsten wil halen uit zijn grond, maar tegelijk ook wil dat die grond op korte termijn beschikbaar blijft, dan wordt er vaak gekozen voor bijvoorbeeld het houden van paarden in plaats van voedselproductie. Toch kunnen boeren deze op het eerste zicht moeilijke context ombuigen tot nieuwe kansen om de verdere verstedelijking te versterken, eerder dan er in conflict mee te gaan. Daarvoor moeten ze samenwerken, aldus AWB, op vlak van ruimte, machines of grondstoffen, maar evenzeer voor de verwerking en de distributie van hun producten. Het hoeft daarbij niet alleen over korte ketenlandbouw te gaan, de landbouwer kan ook volkstuinen ter beschikking stellen in oude serres of op niet gebruikte grondsnippers.

We zijn geen Zwitserland
Vlaams Bouwmeester Peter Swinnen gelooft dat de pilootprojecten het instrument bij uitstek zijn om deze vijf werkvelden vorm te geven en te toetsen aan de realiteit. "We hebben een gezonde politiek nodig die out of the box durft denken. Voorwaarde is dat we het eens zijn over een globaal ambitieniveau, en dat we de 'regulitis' aan banden leggen. Ik geloof niet in regulitis, ik geloof in intelligentie, in overleg en overkoepelende visie. Alleen door goede ideeën te bouwen, kan je de mogelijkheden ervan aantonen. Het realiseren van de pilootprojecten gaat over het realiseren van maatschappelijke winsten, zowel economisch, ecologisch, maatschappelijk als ruimtelijk. We moeten op zoek naar slimme koppelingen."

"Bij de uitwerking van de pilootprojecten is het vertrekpunt de vaststelling dat Vlaanderen een beperkt landschap is, een klein territorium", gaat Swinnen verder. "Op de cover van onze brochure staat niet voor niets een detail van de Ferrariskaart, de eerste systematische kartering van België uit 1777 waarop je ziet hoe sterk het landschap toen al verkaveld was, voornamelijk in weiden. Wel, die verkaveling is nu vertaald naar een stedelijk verkaveld landschap. Wij hebben geen idyllisch landschap, wij zijn geen Zwitserland. Dat betekent dat we een landschap hebben dat best wel wat gezonde experimenten kan verdragen. Hoe kunnen we slimmer met elkaar samenleven?"

Een ruimtelijke taal voor een betere maatschappij
Peter-Swinnen1.jpgDelen en collectiviteit, het zijn twee woorden die vaak terugkomen wanneer Swinnen het over het platteland heeft. "De collectiviteitsgedachte was bijvoorbeeld in de 18de eeuw heel sterk aanwezig, omdat we niet anders konden. Wel, we zijn dat een beetje kwijt; de voorbije 75 jaar is onze maatschappij heel sterk geïndividualiseerd. Maar je ziet die zwengel terugkomen. En in die zin willen de pilootprojecten ook een vraag stellen: hoe kunnen we samen winst boeken – zowel maatschappij als landbouwer? Die laatste moet daarbij af van zijn Calimero-houding, en moet een gangmaker zijn. Met die defensieve houding komen we nergens."

Concreet pleit Swinnen niet voor het wegvegen van alle ruimtelijke scheidingslijnen: "Het verlaten van de strikte scheiding tussen bestemmingen betekent niet dat alles plots op elkaar moet vallen, want dan gebeurt er niets en heerst er chaos. Dat wil zeggen dat we die grenzen een stuk loslaten en er per project overlappingen ontstaan tussen verschillende bestemmingsgebieden van 20 à 30 procent. Als je vandaag kijkt naar grote landbouwbedrijven naast een woonwijk, dan is de eerste reactie uit die wijk waarschijnlijk een klacht tegen bijvoorbeeld geuroverlast. Wel, als een landbouwbedrijf zijn energieoverschot kan delen met die wijk, dan krijg je een heel andere dynamiek. Daar gaat het over: het vertrouwen tussen burgers versterken."

Meer info: Pilootprojecten Productief Landschap

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via