nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 


30.04.2007  Proefstation voor Groenteteelt weer aan de spits

Sint-Katelijne-Waver heeft wat het verdient: een splinternieuw proefstation voor de groenteteelt. De vroegere locatie werd letterlijk overschaduwd door de Mechelse Veilingen. Anderhalf jaar na de eerste spadesteek oogt het eindresultaat majestueus. Kostprijs van de nieuwbouw: bijna 10 miljoen euro, waarvan de helft opgehoest werd door de tuinders. Is het proefstation dan zo belangrijk?

“Klimmende augurken brengen driemaal meer op”, luidt een krantenkop uit het Nieuwsblad van 27 oktober 1963. Op dat ogenblik is het proefstation van Sint-Katelijne-Waver enkele maanden oud. De overheid was dan weliswaar al meer dan vijftien jaar bezig met voorlichtingsactiviteiten in tuinbouwscholen en op groentebedrijven, maar voor een professionele opvolging van de proeven was er acute nood ontstaan aan een goed ingericht proefcentrum met labo’s en vooral serres. Met de kanttekening dat in die tijd de teelt in openlucht dominant was, ook in de Mechelse regio. De eerste serres waren heel eenvoudige éénruiters, platte glazen die in een schuine hoek op platen gelegd werden, het ene glas naast het andere. Pas later kwamen de kasconstructies met houten gebinten en deden ook hete luchtkachels hun intrede. De rush naar de jaarrond teelt was in elk geval begonnen: daardoor waren kwekers, veilingpersoneel en exporteurs niet langer veredelde seizoensarbeiders.

Het proefstation heeft in de loop der jaren diverse mijlpalen de revue zien passeren. Zo werd in 1972 voor het eerst de sluipwesp ingezet om in serres de witte vlieg te bestrijden. De geïntegreerde teelt brak eind jaren tachtig definitief door dankzij de efficiëntere hommelbestuiving in de tomatenteelt. De hommels zorgden voor een betere vruchtkwaliteit en hogere opbrengst, maar bleken heel gevoelig te zijn voor de toenmalige pesticiden. En dus moesten de chemische producten steeds meer wijken voor biologische bestrijdingsmiddelen. Verder waren de Katelijnse onderzoekers eind jaren tachtig ook al bezig met energiearme kassen, het nitraatprobleem en de omschakeling naar de grondloze teelt. Naarmate het teeltschema met diverse teelten verdween ten voordele van monoculturen, nam de substraatteelt toe. “Momenteel werken de meeste vruchtgroentetelers grondloos”, weet Raf De Vis, directeur van het proefstation. “Die trend zal zich in de toekomst door de toenemende specialisatie nog verder doorzetten”.

Mettertijd raakte het proefstation ruimtelijk ingesloten en uitbreidingsplannen zouden de structuur alleen maar verder versnipperen. Verschillende serreblokken waren de sloopgerechtigde leeftijd van twintig jaar al lang gepasseerd, met alle gevolgen van dien. “In onze serres konden we de teelten wel een voedingsoplossing toedienen, maar de nodige infrastructuur ontbrak om verschillende samenstellingen met elkaar te vergelijken. Door het beperkte aantal afdelingen was het ook moeilijk om verschillende types klimaatsturing te vergelijken. De jongste jaren moesten we bij elk onderzoeksresultaat dan ook de wat gênante voetnoot plaatsen dat de proef had plaatsgevonden in een oubollige infrastructuur”, aldus De Vis. Daarom werd al in 1992 principieel de knoop doorgehakt: er zou een nieuw onderzoekscentrum komen.

Van restwarmte tot graanluizen. Raf De Vis staat inmiddels bijna drie jaar aan het roer van het proefstation in Sint-Katelijne-Waver. Sinds de eerste spadesteek in juli 2005 heeft hij het nieuwbouwproject in goede banen geleid. Ervaring met de opstart van een nieuwe onderzoekssite heeft de directeur destijds opgedaan in Colombia, waar hij negen jaar lang op een savannevlakte in het Andesgebergte knutselde aan teelten zoals tomaten, sla, wortelen en de onvermijdelijke bloemen. “De koele nachten en hoge dagtemperaturen zorgen er voor een perfect klimaat”. De instrumenten waarover De Vis vandaag beschikt, zijn een dertigtal voltijdse medewerkers en een jaarbudget van een slordige twee miljoen euro. Zestig procent van de middelen wordt gereserveerd voor onderzoek naar glasteelten, de rest is bestemd voor vollegrondsgroenten. Hoewel de laatste hand aan de nieuwbouw pas eind dit jaar zal gelegd worden, werden de teelten en administratie enkele weken geleden al getransfereerd. De onderzoeksthema’s blijven onveranderd: rassenonderzoek, bemesting, klimaat, gewasbescherming, waterbeheer, teelttechniek, nieuwe teeltsystemen en afvalverwerking. Maar het nieuwe, aaneengesloten complex met een bruto glasoppervlakte van 1,3 hectare en vier hectare teeltgronden in openlucht telt wel een aantal in het oog springende noviteiten.

Wie de bezoekersparking oprijdt, passeert een grote watertank. Daarin wordt de warmte gestockeerd die de aardgasketel overdag produceert. De CO2-gassen worden in de serre geblazen, waar ze de fotosynthese van de gewassen stimuleren. Niks nieuws onder de zon, ware het niet dat de ketel via een dubbele condensor ook de restwarmte van de rookgassen benut voor de bodemverwarming van de burelen, de corridor naar de serre en zelfs de asperges. Aangekomen in de modern ingerichte bureelruimte, blijken alle vergaderfaciliteiten aanwezig te zijn om het proefstation te laten uitgroeien tot een overlegcentrum voor de tuinbouwsector. Naast diverse vergaderzalen, is ook een computerlokaal voorhanden, en even verderop bevinden zich twee laboratoria. In het ene kunnen telers terecht voor bodem- en waterontleding, met zonodig bemestingsadviezen. Het andere laboratorium dient voor de permanente identificatie van insecten die voorkomen op de gewassen, waaraan een waarschuwingssysteem gekoppeld is voor de telers van openluchtgroenten. Heel wat aandacht gaat ook naar de californische trips, een ongewenste bezoeker die de export van serregewassen naar Rusland in het gedrang kan brengen.

Tussen de burelen en de serre bevinden zich diverse loodsen, koelcellen, en bewaarruimtes voor onder meer houdbaarheidsproeven. De ultramoderne kas is opgesplitst in maar liefst 23 afdelingen, waarvan tomaten en sla er samen vijftien inpalmen. Opvallend is dat de constructie zes meter hoog is. “Een grotere luchtmassa vergemakkelijkt de klimaatsturing en bovendien klimmen de nieuwe rassen steeds hoger”, legt Raf De Vis uit. “De meeste telers die vandaag een nieuwe serre bouwen, kiezen minimaal voor een hoogte van vijf meter”. Komt daarbij dat een hoge serre meer ruimte schept voor belichtingstechnieken. Een energievriendelijker instrument om de lichtinval te bevorderen, is de automatische dakwasser die geïnstalleerd werd. Nog een curiosum zijn de kleine potten met wintergerst die her en der aan de voet van de plantenrijen opgesteld staan. “Die bevatten voldoende graanluizen om een eigen kweek van parasiterende sluipwespen op gang te brengen”. Milieubewust is ook het gebruik van biologisch afbreekbare koorden, clipsen en beugels in de paprikateelt. Dit vergemakkelijkt na afloop van het teelt seizoen de verwerking van de gewasresten tot compost.

Meten is weten. Een publiekstrekker is de proef met het Gesloten Kas-systeem, een energiebesparend en productieverhogend serreconcept dat uit Nederland komt overgewaaid. In de serre werd een kleine afdeling van 160 vierkante meter volledig gesloten. De Vis: “In eerste instantie is het de bedoeling om wiskundige modellen op te stellen die moeten uitwijzen in welke mate zo’n constructie rendabel kan zijn in Vlaanderen. Het gaat in elk geval om een zeer complexe technologie die bovendien een aanzienlijke schaalgrootte vereist. Komt daarbij dat de Nederlandse tuinders dankbaar gebruik maken van hun waterrijke zandlagen voor koude-warmteopslag. Bij ons is dat enkel mogelijk in de Noorderkempen, elders moeten andere principes uitgedokterd worden. Het VITO onderzoekt de mogelijkheid om kleilagen op te warmen, hetgeen bovengronds dan weer een totaal andere technologie vergt”. Of de Gesloten Kas in Vlaanderen ooit zal doorbreken? “De eerste Gesloten Kas die niet op subsidies draait, moet nog gebouwd worden. Maar een aantal telers vinden het wel een interessante denkpiste en dus moeten wij een antwoord kunnen formuleren op hun teelttechnische vragen”, klinkt het voorzichtig.

Een andere innovatieve bezienswaardigheid is de sla-afdeling met het mobiel gotensysteem (MGS). Zes Vlaamse groentetelers hebben reeds geïnvesteerd in deze technologie. Het gaat om een peperduur systeem dat een intensief beheer van de beregening en gebruikte voedingsoplossingen vergt. Daartegenover staan een hele waaier pluspunten. “Het systeem zorgt in de eerste plaats voor een veel betere benutting van de oppervlakte, en dus voor een hoger productievolume. Daarnaast is het een gesloten teeltsysteem, waardoor water en nutriënten maximaal benut worden. Met deze techniek moeten de slatelers zich niet langer zorgen maken over de bodemontsmetting en tot slot kan het planten en oogsten van de sla rechtstaand gebeuren, een belangrijk ergonomisch voordeel”.

Op het vlak van de ergonomie hebben de aspergetelers het niet bepaald getroffen. Maar het nieuwe proefstation laat de koningin der groenten niet in de kou staan. “Nadat het onderzoek zowel in Vlaanderen als Nederland was stilgevallen, hebben wij sinds het voorjaar van 2006 de draad weer opgepikt. Op onze proefpercelen sleutelen we vooral aan technieken om asperges vroeger te oogsten, waardoor ze hogere prijsnoteringen kunnen halen. Ondergrondse verwarming is één van de opties die we onderzoeken”, zegt De Vis. De afdeling vollegrond beschikt voortaan ook over een volautomatisch weerstation. Om de nitraatuitspoeling van gewassen te bestuderen, werd over een oppervlakte van 32 are een MAP-meetveld aangelegd. Daarin monden de drainagebuizen uit die onder de 35 bedden van het aangrenzende perceel zijn aangelegd. Dit onderzoek is geen overbodige luxe, want de normen voor reststikstof en de bijhorende boetes in het nieuwe mestdecreet dreigen de groentetelers zuur op te breken. “We zoeken al jaren naar diverse manieren om de bemesting van stikstof en fosfor te reduceren. Destijds waren we voorloper bij de toepassing van rijen- en bandbemesting. Nu komt het er vooral op aan om meer kennis op te bouwen rond de vrijstelling van voedingselementen uit de bodem. Ieder perceel heeft op het vlak van organische stof zijn eigen voorgeschiedenis en gaat dan ook specifiek reageren op vooraf onvoorspelbare weersomstandigheden. Daar moeten telers zich bewust van zijn. Anderzijds moet de overheid begrijpen dat telers met de handen in het haar zitten wanneer bijvoorbeeld een fikse regenbui in augustus de bemesting van een teelt wegspoelt”.

700 groentetelers. Bijna vijftig jaar geleden was rassenonderzoek de kernactiviteit van het net opgerichte proefstation, en dat is het nu nog steeds. Meer dan de helft van het beschikbare areaal wordt ervoor gereserveerd. Komt er dan nooit een einde aan de zoektocht naar nieuwe variëteiten? De Vis: “Elk jaar brengen zaadhuizen nieuwe rassen op de markt die productiever zijn, ziektebestendiger, beter aangepast aan de wensen van de consument, of wat dan ook”. Voor telers is het van groot belang om hun oordeel over die nieuwe rassen te kunnen baseren op objectieve onderzoeksgegevens. En dus laten de veredelingsbedrijven hun nieuwe rassen gewillig testen in het proefstation vooraleer hun innovaties op de markt te brengen. De overgrote meerderheid van die rassen overleeft de vuurdoop overigens niet. Om de segmentatiestrategie in de tomatenteelt niet in het gedrang te brengen, hebben de veilingen zich zelfs het recht toegeëigend om op basis van het rassenonderzoek in het proefstation te beslissen welke tomatenvariëteiten uiteindelijk toegelaten worden”.

De begunstigden die straks de vruchten gaan plukken van het nieuwe plantenpaleis zijn de 700 aangesloten leden. “De overgrote meerderheid van de groentetelers in deze regio is bij ons aangesloten”, maakt De Vis zich sterk. Die telers hebben niet alleen zwaar geïnvesteerd in de nieuwbouw. Voor veertig procent dragen ze ook de werkingskosten van het proefcentrum, deels gebeurt dat via ledenbijdragen, maar ook de Mechelse Veilingen en LAVA doen als telercoöperaties een belangrijke duit in het zakje. In ruil voor hun lidgeld krijgen de tuinders om de twee weken de geactualiseerde onderzoeksresultaten in handen via het magazine Proeftuinnieuws en de website van het proefstation. Voor de rest van het jaarbudget zorgen de overheid, enkele gulle sponsors, de eigen dienstverlening, en dan is er ook nog flink wat projectfinanciering. Dat de grote variatie aan inkomstenbronnen voor een stabiel financieel draagvlak zorgt, wil De Vis niet bevestigen: “Zeventig procent van onze financiering is vlottend. De vrees voor het mislopen van een groot project en de sociale gevolgen ervan is steeds aanwezig”.

De tijd dat de verschillende proefstations in Vlaanderen elkaar onderling vliegen afvingen, is gelukkig voorbij. Sinds de overheid in 2004 een betere samenwerking afdwong, worden de programma’s voor het praktijkonderzoek in diverse coördinatiecomités op elkaar afgestemd. “Waar nog dubbel onderzoek bestaat, gebeurt het doelbewust”, aldus De Vis. “Voor de goedkeuring van een nieuwe variëteit kan je niet over één nacht ijs gaan. Het is belangrijk om een soort te testen in verschillende productieomstandigheden. Dus worden dezelfde variëteiten wel nog getest in zowel Hoogstraten, Beitem, Kruishoutem als bij ons. Daarbij worden de nodige afspraken gemaakt zodat de vergelijkingsbasis optimaal is”. Iets moeilijker verloopt de samenwerking tussen de proefcentra als het gaat om het indienen van projecten voor toegepast wetenschappelijk onderzoek. “Daar verdedigt ieder nog altijd zijn eigen winkel. Dat is jammer, omdat wij vanuit onze labiele financiële basis proberen mee te draaien in alle relevante projecten, en dus naar maximale samenwerking streven”.
 

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via