nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  


29.03.2007  Relatie landbouw en natuur lijdt aan identiteitscrisis

Natuurpunt vreest dat boeren gepromoveerd worden tot uitverkoren beheerders van natuurgebieden. Omgekeerd vrezen landbouwers dat bijvoorbeeld Limburg één groot bos wordt. We stelden vragen over het spanningsveld bij het Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren, dat zopas een vademecum heeft uitgegeven voor een betere samenwerking tussen boeren en natuurbeheerders. Hoezo, spanningsveld?

Eind 2005 had de Vlaamse regering groot nieuws te melden: ongeveer 41.000 hectare landbouwgebied in het pilootgebied Haspengouw-Voeren was herbevestigd. Het hele besluitvormingsproces had tot op dat punt echter al heel wat voeten in de aarde gehad. Acht gemeentebesturen ondertekenden enkele maanden voor de regeringsbeslissing samen met enkele plattelandsorganisaties een bezwaarschrift wegens krappe deadlines, een gebrek aan kaarten en tegenstrijdige nota’s van het begeleidende projectteam. Bovendien luidde het dat de groen ingekleurde gebieden te ruim bemeten waren. “Vlaanderen moet een inhaaloperatie maken inzake natuur, maar dat betekent toch niet dat onze agrarische regio verhoudingsgewijs groener moet ingekleurd worden dan andere gebieden”, zuchtte Gerald Kindermans, burgemeester van Heers en specialist inzake ruimtelijke ordening van CD&V.

Anderhalf jaar later is die bezorgdheid nog even actueel in Haspengouw-Voeren. In dit gebied is in totaal zo’n 60.000 hectare als landbouwgebied afgebakend in de gewestplannen. Over een derde van het agrarisch areaal heeft Vlaanderen zich dus nog niet uitgesproken. Wel werd door het projectteam een actieprogramma goedgekeurd voor op te maken gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen. Toen de eerste voorontwerpen ter bespreking voorgelegd werden, trok het provinciebestuur aan de alarmbel bij de Vlaamse regering. Her en der in de regio zouden immers vele tientallen hectare landbouwgrond verloren gaan: 282 hectare in de vallei van de Mombeek, honderd hectare in de vallei van de Winterbeek, enzovoort. Ook Boerenbond ziet de voorontwerpen niet zitten. “In Haspengouw ligt de meest vruchtbare grond van het land. Dat is trouwens een streek waar altijd zeer duidelijk is geweest wat landbouwgrond is en wat niet”, aldus consulent Koen Vanheukelom.

Praten helpt. Toch is er in grote delen van Limburg een sterke verweving tussen landbouw, natuur en recreatie. Vorig jaar ontving de provincie voor het eerst meer dan een miljoen toeristen. Een kwart van hen komt hoofdzakelijk om te fietsen. Bij de fietstoeristen is het Maasland nu nog de populairste pleisterplaats, maar dat kan veranderen na de uitzending van de VRT-serie Katarakt, die zich afspeelt in de fruitstreek. In Haspengouw vind je glooiende landschappen met beekvalleien, holle wegen en houtkanten, hoogstamboomgaarden die in elk seizoen het landschap opfleuren. Naar Vlaamse normen is het landschap in het zuiden van Limburg nog vrij ongerept. Nog vooraleer het natuurdecreet in 1999 de Regionale Landschappen een officiële erkenning verleende, was in Haspengouw het Regionaal Landschap Herk en Mombeek dan ook al actief bezig met de bescherming van het lokale landschap. Die vzw werd geherstructureerd en kreeg als benaming ‘Regionaal Landschap Haspengouw en Voeren’ (RLHV). In heel Vlaanderen zijn overigens tien Regionale Landschappen actief, drie zijn er nog in oprichting.

Het RLHV stelt twaalf personeelsleden tewerk en boekte vorig jaar 927.000 euro inkomsten, waarvan een derde afkomstig is van projectgelden. De voornaamste geldschieter is de dienst Monumenten en Landschappen van de Vlaamse overheid. De belangrijkste leden van de vereniging zijn zeventien gemeenten, het provinciebestuur en enkele natuurvereningingen. Maar ook de lokale jagers, de toeristisch sector en Boerenbond bekleden een zitje in de raad van bestuur. “We proberen de streekidentiteit te herwaarderen en de mensen bewust te maken van het belang ervan”, zegt Katrien Monden. “De vele kastelen en het Romeinse erfgoed zijn voor ons belangrijk, maar erg in het oog springend zijn uiteraard de typische kleine landschapselementen in Vochtig-Haspengouw. Belangrijk om weten is dat wij geen dictaten opleggen, maar fungeren als samenwerkingsplatform voor landbouwers, natuurmensen, jagers en de toeristische sector. Zelf reiken we wel ideeën aan, maar die dienen vooral om de dialoog tussen de diverse partijen op gang te brengen”.

Een aantal projecten hebben geen rechtstreekse link met landbouw. Zo hebben in een ruim samenwerkingsverband met het provinciebestuur en de twee andere Regionale Landschappen in Limburg 44 gemeenten een bedreigde soort geadopteerd. Heers adopteerde de ingekorven vleermuis, Herk-de-Stad koos voor de grote modderkruiper, Sint-Truiden doet het met de veldleeuwerik, enzovoort. Voor elke soort wordt een actieplan opgemaakt met de nodige aandacht voor monitoring, communicatie en terreinacties. Een ander project focust dan weer op streekeigen plantmateriaal. “De komende decennia zullen heel wat organisaties en particulieren groen aanplanten. Wie meidoorn of sleedoorn koopt in een tuincentrum, tikt meestal een ingevoerd exemplaar op de kop. Het is echter belangrijk om floravervalsing tegen te gaan. Een sleedoorn uit Midden-Frankrijk bloeit in een periode dat de insecten bij ons nog niet actief zijn”.

Leren beheren. Bij heel wat acties waar het RLHV bij betrokken is, komen de landbouwers wél in beeld. Een opmerkelijk initiatief in 2005 was ‘Gluren bij de Buren’, gefinancierd met provinciale en Europese middelen. Met vijf bussen vol natuur- en landbouwmensen werden excursies georganiseerd, waarbij de ene partij werd uitgenodigd om een kijkje te nemen op het terrein van de andere, en omgekeerd. Dit concept werd intussen geëxporteerd naar andere streken in Vlaanderen. In Haspengouw is het RLHV intussen niet bij de pakken blijven zitten. Aan de eerste kennismaking werd een vervolgtraject gebouwd. “Via een enquête hebben we de knelpunten opgelijst die wel eens opduiken wanneer landbouwers ingeschakeld worden voor het beheer van natuurgebieden”, vertelt An Digneffe. “Daarna hebben we 38 betrokken landbouwers en natuurbeschermers samengebracht om over dat lijstje te praten. Sommige bottlenecks raakten ter plaatse opgelost, andere vereisten nog juridisch opzoekwerk. Het eindresultaat is een brochure die verspreid werd naar gemeentebesturen, landbouwers en een 30-tal conservatoren”. Daarin staan basisvoorwaarden, veel gestelde vragen, nuttige adressen en zelfs een heus stappenplan voor een duurzame samenwerking tussen boeren en natuurterreinbeheerders. Zo komen landbouwers onder meer te weten of ze gronden die ze beheren voor een natuurvereniging mogen aangeven aan de Mestbank en hoe de fiscale vork aan de steel zit wanneer werken tegen betaling worden uitgevoerd voor derden. De volgende etappe wordt een soort lespakket met als titel ‘leren beheren’ voor landbouwers die zich willen bijscholen in het beheer van natuurgebieden.

Gelijktijdig zet het RLHV mee zijn schouders onder nog een aantal andere initiatieven waarbij landbouwers de eerste viool spelen. In het oog springend is de opmars van bloemrijke akkerranden in Droog-Haspengouw. In het voorjaar van 2004 werd op vier hectare perceelsranden in Sint-Truiden een zaadmengsel met onder meer haver, zomergerst, spelt, rogge, kamille, korenbloem, wilde klaproos en kleine zonnebloem ingezaaid. Letterlijk en figuurlijk een bezigheid in de marge? Misschien wel, maar vorig jaar gingen toch al 38 landbouwers op een areaal van 26 hectare perceelsranden met dat zaadmengsel aan de slag. De samenstelling werd zo gewikt en gewogen dat het risico op wilde uitzaai en moeilijke bestrijding minimaal is. “Dit is een mooi voorbeeld van een win-winsituatie”, zegt Digneffe. “De landbouwers worden vergoed voor hun inkomstenderving en krijgen positieve reacties van recreanten. De akkervogels kunnen op hun beurt genieten van een welgekomen biotoop waar in zomer voedzame insecten opduiken en in de winter graanresten en bloemenzaden te vinden zijn. In de praktijk blijkt dit systeem heel goed te functioneren”. Hoe meer bloemrijke perceelsraden, hoe meer monitoren nodig zijn om de handel en wandel van de vogels in kaart te brengen. Om nieuwe gegadigden op weg te helpen, organiseerde het RLHV het voorbije jaar theorielessen over akkervogels. “Daar kwamen veertig personen, waaronder heel wat landbouwers, op af”.

Eén van de ruim honderd landbouwers die het Regionaal Landschap de voorbije jaren ingeschakeld heeft in het agrarisch natuurbeheer is Camille Wouters (57), die op de imposante kasteelhoeve van Neerrepen een gemengd landbouwbedrijf runt met akkerbouw en een 200-tal witblauwe runderen. De man is landbouwer in hart en nieren, maar het enige tv-programma dat hij nooit mist is ‘Half uur natuur’ op zondagmiddag. De fauna en flora op en rond zijn boerderij kent de boer als zijn broekzak. “Gewoon uit gezonde interesse”, klinkt het. Om de natuurwaarden te stimuleren, beheert hij drie poelen met zuiver bronwater waar zijn runderen onbeperkt kunnen drinken. In de buurt van het kasteel heeft hij ook nog een hoogstamboomgaard van drie hectare aangeplant en op ruim een hectare heeft hij een beheersovereenkomst voor botanisch natuurbeheer. Daarnaast heeft hij ook nog een halve hectare bloemrijke akkerrand, 140 meter houtkant en bijna 700 meter haag geïntegreerd in zijn bedrijfsvoering. “Een haag zorgt voor rust in een groep runderen”, vertelt de boer, die terloops opmerkt dat de vergoeding voor het onderhoud van de hagen niet volstaat om de kosten te dekken. Dat onderhoud gebeurt met een ‘hagendorser’ die het Limburgs Steunpunt voor Rurale Ontwikkeling twee jaar geleden heeft aangekocht. Om die machine te besturen, wordt door het steunpunt ook weer beroep gedaan op landbouwers. In de regio van Heers zit Philippe Moiës achter het stuur. Hoewel hij een middelgroot bedrijf met hoevetoerisme heeft, kan hij toch de nodige uren vrijmaken om hagen te scheren. En om na te denken over de natuurontwikkeling in Haspengouw. “Buitenstaanders moeten begrijpen dat in ons gebied hoogstamboomgaarden beter passen dan bos”, luidt het.

Geen galloways alstublieft. Aan Camille Wouters vragen we hoe zwaar het RLHV in de ogen van de landbouwers nu eigenlijk weegt. “Toen de polarisatie tussen landbouw en natuur erg scherp was, heeft het Regionaal Landschap als bindmiddel gefungeerd door een neutrale middenweg te bewandelen”, oordeelt de landbouwer. “Bovendien neemt de organisatie heel wat administratieve rompslomp weg bij de uitvoering van projecten. Zonder hun hulp had ik mijn tweede houtkant nooit ingeplant”. Boeren zijn nu eenmaal erg praktisch ingestelde ondernemers. Wouters maakt er ons bij het afscheid attent op dat hij ook nog twee hectare begrazing beheert in het nabijgelegen natuurgebied Steenbroek. “Ik had schrik dat de natuurbeheerders het domein anders gingen volstoppen met exotische galloways die een bedreiging zouden vormen voor de IBR-vrije status van mijn bedrijf”. Er zijn dus heel veel redenen te bedenken om aan agrarisch natuurbeheer te doen.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via