Na 2013"Reserveer tweede pijler grotendeels voor landbouwinvesteringen"

Verstuur naar een vriend(in)

(02/11/2009)

Moet de overheid straks meer investeren in kwaliteit? We vroegen aan Boerenbond-voorzitter Piet Vanthemsche wat de contouren moeten zijn van het Europese landbouwbeleid van de toekomst.


Hoe moet Europa de dynamiek en de verdere ontwikkeling van het Europese platteland ondersteunen? Hoe ziet u met name de verhouding tussen de eerste en tweede pijler verder evolueren?

Het Europese beleid erkent en ondersteunt de rol van de landbouw als ruggengraat van het platteland. De landbouwactiviteit op het platteland trekt andere economische activiteiten aan, creëert bijkomende tewerkstelling en trekt zo mensen aan naar het platteland waardoor de leefbaarheid gegarandeerd wordt. Daarnaast cultiveert de landbouw het platteland en de open ruimte en biedt zo de maatschappelijk sterk gewaardeerde ‘Flower’ en ‘Fun’, zijnde o.a. de recreatiemogelijkheden op het platteland en het onderhoud en toegankelijk houden van de open ruimte.

Een leefbaar platteland rust op de schouders van een sterke en dus leefbare landbouw. De landbouwsector heeft echter enkele specifieke kenmerken die moeten in rekening gebracht worden om tot een leefbare landbouw te komen. Ze maakt gebruik van de natuurlijke grondstoffen die sterk verschillen van streek tot streek. Ze is onderhevig aan de grillen van de natuur, zowel wat klimaat en weersomstandigheden betreft, als wat de impact van ziekten en plagen betreft. Daarnaast is de landbouwproductie cyclisch. Landbouwmarkten zijn bijgevolg van nature onstabiel wat de landbouwer sterk kan bedreigen. Het landbouwbedrijf heeft weinig ruimte om marktschokken op te vangen. Bovendien is hij de zwakste schakel in de keten waardoor hij vaak tussen hamer en aambeeld terecht komt. Een sterk landbouwbeleid blijft nodig om hierop een antwoord te bieden en de leefbaarheid van de landbouw te verzekeren. Pas dan kan de landbouw zijn rol als sterke schouders voor een leefbaar platteland ten volle vervullen. Voor de Boerenbond blijft een sterke inhoudelijke en budgettaire eerste pijler daarom een absolute noodzaak.

Toch is de relatie tussen landbouw en platteland niet eenzijdig. Een leefbare landbouw kan immers maar floreren op een leefbaar platteland. De open ruimte, meer bepaald de landbouwgrond, is ons werkterrein en een noodzakelijke ‘grond’stof. Het behoud en de kwaliteit van de open ruimte is dus cruciaal voor een leefbaar platteland en een leefbare landbouw. Daarnaast is het rijke sociale leven op een leefbaar platteland ook voor de boer een belangrijke bron van energie om elke dag opnieuw het beste van zichzelf te geven. Tenslotte is de nabijheid van de consument voor de boer de vinger aan de pols van de steeds evoluerende markt. Het samengaan van plattelandsbeleid en landbouwbeleid is dus onontbeerlijk. Voor de Boerenbond wordt dit gestimuleerd door de tweede pijler van het landbouwbeleid.

Reageer op dit antwoord

Moet de komende jaren extra geïnvesteerd worden in kwaliteit, export, ten nadele van rechtstreekse inkomenssteun?

Het Europese kwaliteitsbeleid wil inspelen op de maatschappelijke verwachtingen rond hoogstaande product- en proceskwaliteit. Door een hieraan gekoppeld promotiebeleid wordt de consument bewust gemaakt van de extra inspanning die de Europese voedselproducenten leveren. Een deel van de consumenten zal hierdoor voor de Europese kwaliteitsproducten kiezen en er een meerprijs willen voor betalen. Europa wil hier de komende jaren heel sterk op inzetten. Logisch, hoe effectiever dit beleid, hoe minder marktcorrigerend beleid en hoe minder directe overheidstussenkomt nodig is om een eerlijke prijs aan de producent te garanderen. Hierdoor worden, de budgettaire kosten van het landbouwbeleid beperkt. Toch zal het overgrote deel van de consumenten zich nog steeds laten leiden door de laagste prijs.

De Boerenbond is daarom van oordeel dat kwaliteits- en promotiebeleid wel een bijdrage kan leveren om een deel van de meerkost van landbouwproducten geproduceerd met respect voor de Europese eisen en verwachtingen uit de markt te halen via hogere prijzen, maar dat het nooit de volledige oplossing zal bieden. Dergelijk beleid moet dus aanvullend zijn en kan niet tot de kern van het beleid uitgroeien.

Wat export betreft, moet Europa een stimulerend beleid voeren ten voordele van concurrentiële export. Dit kan door middel van exportkredieten en –waarborgen en via exportpromotie en actieve exportprospectie. Voor de Boerenbond mag het beleid er echter niet meer op gericht zijn om niet-competitieve exportposities in te nemen ten koste van sommige ontwikkelingslanden. Wij blijven evenwel compensaties eisen in geval van competitieve munt devaluaties.

Ondanks dit stimulerend kwaliteits- en exportbeleid en het marktcorrigerend optreden van de overheid zullen niet alle extra kosten verbonden aan de garantie van voedselzekerheid en het inspelen op maatschappelijke verwachtingen worden gedekt. Wil de overheid deze doelstellingen realiseren dan blijft een directe overheidstussenkomt bij de producent noodzakelijk. Deze steun vormt het sluitstuk om tot een leefbaar inkomen te komen op lange termijn naast de marktvergoeding die uit een gecorrigeerde markt kan worden gehaald.

Het Europese systeem van bedrijfstoeslagrechten heeft net deze doelstelling. De Commissie stelt dat dit een belangrijk element van het landbouwbeleid blijft, maar dat de historische referentie in een dynamische markt moeilijk houdbaar is. De Boerenbond dringt er op aan om ook in de toekomst aandacht te hebben voor een zinvolle economische invulling van de directe overheidstussenkomst als kostencompenserend instrument. Daarnaast moet elke overgang van het huidige systeem naar een alternatief systeem geleidelijk en over een voldoende lange periode gebeuren.

Reageer op dit antwoord

Hoe vindt u dat het ondernemerschap van de landbouwers verder kan worden gestimuleerd? Wat is de rol van de overheid hierin in de toekomst?

Het garanderen van voedselzekerheid door het opbouwen van een voldoende graad van zelfvoorziening en het inspelen op maatschappelijke eisen en verwachtingen kan niet ten alle prijzen gerealiseerd worden. Een redelijke meerprijs ten opzichte van het vrije marktscenario is noodzakelijk. De overheid en de landbouwsector moeten daarbij continu streven naar de meest efficiënte invulling van deze maatschappelijke doelstellingen. Het ondernemerschap van de landbouwers is hierbij cruciaal.

De overheid en sector zijn het aan de consument verplicht om, binnen een duurzaam productiekader, continu te streven naar toenemende productiviteit, efficiëntieverbetering en dus versterking van de concurrentiekracht van de land- en tuinbouw. Enkel zo kan rendabele productie aan een redelijke prijs gegarandeerd worden. Het ondernemerschap van de landbouwer moet dus gericht zijn op kostenbeheersing, best practices en excellence. De overheid heeft een belangrijke verantwoordelijkheid om de sector te ondersteunen in dit continu streven naar efficiëntie door een stimulerend en sturend investeringsbeleid. Het VLIF heeft deze rol bij uitstek gespeeld en moet ook in de toekomst naar inhoud en budget een sleutelpositie blijven innemen in het landbouwbeleid. Dit impliceert dat een groot deel van de tweede pijler blijvend moet gereserveerd worden voor landbouwinvesteringen.

Maar ook de gecorrigeerde markt en het prijssignaal hebben in deze hun rol te spelen. De markt geeft immers aan waar overschotten of tekorten zijn, wat de consument verwacht en blijft zo het best geplaatst om de productie aan te sturen.

Reageer op dit antwoord

Inspelen op veranderende marktomstandigheden is een noodzaak om als sector te kunnen overleven. Wat kan de overheid op dit vlak doen?

Voeling met de markt is cruciaal. De eigenheid van de landbouwsector en van de landbouwmarkt vraagt noodzakelijke marktcorrecties om tot een leefbare landbouw te komen. Maar het gecorrigeerde prijssignaal moet verder zijn rol vervullen en de markt in de gewenste richting wijzen. De overheid kan hier faciliterend en stimulerend optreden door landbouwers en consumenten met elkaar in contact te brengen via promotie en een investeringbeleid dat inspeelt op deze maatschappelijke verwachtingen.

Vaak is er gewoon geen markt voor dezemaatschappelijke verwachtingen rond landbouw. Hier kan de overheid zelf contracten afsluiten om bijkomende maatschappelijke goederen en diensten te produceren naast landbouwproducten. Dit laatste gebeurt al onder de vorm van beheersovereenkomsten of in de biologische landbouw.

De landbouw wil zeker inspelen op de brede waaier aan maatschappelijke verwachtingen en is bereid hiervoor inspanningen te leveren. Vaak is evenwel niet duidelijk hoe deze maatschappelijke verwachtingen het best kunnen ingevuld worden. Het is een continu zoeken naar de beste praktijken om de vooropgestelde doelstelling te bereiken op de meest efficiënte manier. Repressief beleid op een voortdurend evoluerende leest geschoeid is contraproductief en zeer frustrerend.

De Boerenbond pleit voor een stimulerende aanpak waarbij de maatschappelijke verwachtingen als algemene doelstelling worden vooropgesteld en waarbij het de sector toekomt hieraan invulling te geven op een efficiënte manier. Bepaalde investeringpistes kunnen via een stimulerend investeringsbeleid op het voorplan geplaatst worden. Dit beleid past perfect binnen het plattelandsbeleid. Bijkomende maatschappelijke verwachtingen worden dus bij voorkeur via het plattelandsbeleid en op een stimulerende manier opgenomen in het landbouwbeleid veeleer dan ze direct te vertalen naar bindende wetgeving en ze repressief op te nemen in de randvoorwaarden.

Reageer op dit antwoord

Moeten de landbouwers zich beter organiseren om problemen gezamenlijk per sector aan te pakken?

De overheid trekt zich stelselmatig terug uit de markt, met toenemende prijsschommelingen tot gevolg. Daarnaast is er een structureel probleem met het prijsniveau. De beperkte marktmacht van landbouwbedrijven ten opzichte van de zeer geconcentreerde verwerkings- en distributieketen maken het voor de landbouwer moeilijk om stijgende productiekosten door te rekenen. Stijgingen in de kostprijs resulteren pas later en meestal onvolledig in stijgende prijzen voor het eindproduct. Dalende outputprijzen vinden zelden hun weerslag in de eindproducten van de voedingsindustrie. De bedrijfszekerheid en –continuïteit kunnen worden ondersteund door het risico te spreiden in de tijd en in de keten via samenwerkingsverbanden in de schakel en en in de keten.

Samenwerkingsverbanden kunnen de zwakke positie van de landbouwers in de agro-voedingsketen versterken. De bundeling van aanbod en verkoop en het zelf realiseren van toegevoegde waarde vergroot de onderhandelingsmacht en biedt het potentieel meerwaarde in eigen handen te houden. De Boerenbond wil de mogelijkheden en kansen op dit vlak actief verkennen, zonder evenwel bestaande formules zomaar over te nemen in andere sectoren. De Boerenbond heeft een werkgroep opgericht die samenwerkingsvormen zal onderzoeken die moeten leiden tot markt- en ketenmacht en de bruikbaarheid ervan in de verschillende sectoren zal aftoetsen om tot concrete voorstellen te komen.

Interprofessionele akkoorden laten toe afspraken te maken doorheen de agro-voedingsketen waarbij rekening gehouden wordt met de eigenheid van de landbouwsector. Deze afspraken zijn complementair aan het landbouwbeleid en versterken de effectiviteit ervan. Europa moet hiervoor een kader creëren waarbinnen de voorwaarden voor aankoop, levering, overname en betaling transparant worden geregeld. Binnen dit kader kunnen bijkomende specifieke afspraken gemaakt worden tussen een afnemer en zijn leveranciers. Een individueel contract tussen koper en verkoper bepaalt uiteindelijk het volume, de kwaliteit en de prijs.

Reageer op dit antwoord

 

bron eigen verslaggeving

 
 

Na 2013 | Standpunten


"Boeren moeten opnieuw timmeren aan solidariteit"


"Instrumenten voor marktafscherming blijven cruciaal"


"Tweede pijler maximaal vrijwaren voor landbouw"


"Ambities randvoorwaarden moeten aangescherpt worden"


"Op weg naar één sterke landbouwpijler"

 

Voorwoord Kris Peeters - Vlaams minister-president


De toekomst is vandaag: aan u het woord!
De discussie over de beleidsdoelstelling van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2013 zal gevoerd worden tussen 2009 en 2012. De inzet is groot ook voor onze Vlaamse landbouwers. Laat ons daarom de koppen bijeen steken en op een constructieve manier argumenten en voorstellen samenbrengen en confronteren in een breed maatschappelijk debat.
 

Na 2013 | Geschiedenis


De wortels van het huidige Europese landbouwbeleid liggen in de jaren 1940. Tijdens de Tweede Wereldoorlog viel de gewone voedingsmarkt stil en controleerde de Duitse bezetter de landbouwsector. De meeste mensen hadden maar net genoeg te eten. Velen leden zelfs honger. Wanneer in 1945 de oorlog eindigde, groeide het besef dat een terugkeer naar de vooroorlogse landbouw niet de juiste keuze was.