nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Varkensboeren raken vóór zomer niet uit crisis"
11.01.2010  Timo Delveaux en Pieter Van Ommeslaeghe - Departement Landbouw en Visserij

Zes keer reeds heeft landbouwminister Kris Peeters de vraag naar exportsubsidies voor varkensvlees op het bord gelegd van zijn Europese collega’s. Telkens kreeg hij nul op het rekest. Is de crisis bij de Nederlandse varkensboeren niet nijpend genoeg? Of raakt de varkenscyclus straks toch weer vanzelf op gang? We vroegen het aan de varkensexperts Timo Delveaux (links op de foto) en Pieter Van Ommeslaeghe van het Departement Landbouw en Visserij.

Hoe alarmerend is de inkomensvorming op dit ogenblik in de Vlaamse varkenshouderij?
Timo Delveaux: Het ene varkensbedrijf is het andere niet. Op het vlak van rendabiliteit bestaan ontzettend grote verschillen tussen gelijkaardige bedrijven. Ten tweede moet je een onderscheid maken tussen de diverse bedrijfstypes. In 2007 scoorden de vermeerderingsbedrijven een negatief familiaal arbeidsinkomen van -150 euro per aanwezige zeug, een jaar later was dat met -68 euro iets minder slecht. De gesloten bedrijven draaiden drie jaar geleden ongeveer break-even en boekten in 2008 een positief inkomen van gemiddeld 33 euro per vleesvarken. Voor 2009 hebben we nog geen cijfers, maar nu al weten we dat niet enkel de voederprijs, maar óók de marktprijs is gedaald.

Hoe moeten we een inkomen van 33 euro per vleesvarken taxeren?
Timo Delveaux: 2006 wordt algemeen bestempeld als een goed varkensjaar. De gesloten en vleesvarkensbedrijven waren in dat jaar respectievelijk goed voor 73 en 61 euro per aanwezig vleesvarken. De vermeerderingsbedrijven realiseerden toen een inkomen van 98 euro per zeug. Voor de duidelijkheid: als een bedrijf break-even draait, wil dit eigenlijk zeggen dat de bedrijfsleider een heel jaar voor niets is gaan werken.
Pieter Van Ommeslaeghe: Ik denk niet dat het overdreven is om te stellen dat vooral de vermeerderingsbedrijven de jongste drie jaar in een dramatische situatie beland zijn, met daarbij de kanttekening dat onze topbedrijven er ondanks alles nog altijd in slagen om uit de rode cijfers te blijven.

De malaise in de sector duurt al meerdere jaren. Wat zijn de oorzaken?
Pieter Van Ommeslaeghe: Een hoogconjunctuur zorgt traditioneel voor een groter varkensaanbod. Daar zaten we in 2007 dus mee opgescheept, net op het ogenblik dat de voederprijzen als een raket de hoogte in schoten. Op een bepaald ogenblik bedroeg de voederkost vijftig procent meer dan het langdurige gemiddelde. Zoiets hadden we in twintig jaar niet meegemaakt. De marktprijs kon die kostenstijging onmogelijk absorberen.

Maar toen heeft de Europese Commissie wél ingegrepen?
Pieter Van Ommeslaeghe: Dat klopt. Europa heeft toen 100.000 ton varkensvlees laten afvloeien naar privéopslag. Aansluitend werden tot augustus 2008 ook exportrestituties ingesteld voor vers en bevroren varkensvlees. In totaal werd op die manier 460.000 ton varkensvlees de Europese buitengrenzen over geholpen. Die steunmaatregelen hebben de heropleving van de marktprijzen in 2008 duidelijk in de hand gewerkt.

De vreugde was echter van zeer korte duur.
Pieter Van Ommeslaeghe: Net toen het wat beter begon te gaan, heeft de economische crisis ook de varkensmarkt in een wurggreep genomen. Exporteurs raakten veel moeilijker aan de nodige kredieten en verzekeringen. Bovendien liet de consument het afweten. Hier en daar werd de Mexicaanse griep dan nog abusievelijk gekoppeld aan varkensvlees. Voor 2009 hoopten we dat de lage prijzen tot een lager aanbod zouden leiden, maar daar is nauwelijks sprake van geweest. De Europese productie kromp met 2,5 procent, maar zoiets kan je bezwaarlijk een crisisreactie noemen. In elk geval was het niet voldoende om de markt te zuiveren. Integendeel, de klassieke zomerpiek was minder fors en duurde minder lang dan in andere jaren. Vandaag zitten de varkensprijzen daardoor weer op het ellendige niveau van 2007. Het grote verschil is dat de Europese Commissie dit keer niet wil weten van exportsubsidies voor vers en bevroren varkensvlees, ook al is de Europese export daarvan naar derde landen in 2009 gedaald met 28 procent.

Welke mechanismen bepalen eigenlijk de varkensprijs in ons land?
Timo Delveaux: Zestig procent van ons vers varkensvlees transporteren we in de vorm van karkassen en hammen naar Duitsland. Het spreekt dus vanzelf dat vraag en aanbod op die reusachtige markt met tachtig miljoen vleesminnende consumenten sterk richtinggevend is voor de prijsvorming bij ons. Een andere factor van belang zijn de voederprijzen. De prijs van varkensvlees schommelt van nature veel sterker, maar op langere termijn loopt die toch opvallend parallel met de prijs van het voeder.
Pieter Van Ommeslaeghe: Ook de buitenlandse concurrentie weegt op onze varkensprijs. Vooral Brazilië en de Verenigde Staten slagen erin om aan erg lage kosten steeds meer varkensvlees te slijten op Europese exportbestemmingen. En als Denemarken bijvoorbeeld in Azië marktaandeel kwijtspeelt, druppelt de impact door tot in Vlaanderen. Vooral op de Russische markt heeft Europa het voorbije jaar klappen gekregen. In de eerste helft van vorig jaar is de Europese uitvoer van vers en bevroren varkensvlees met bijna de helft gedaald, en dat terwijl de export van Braziliaans varkensvlees naar Rusland in dezelfde periode steeg met meer dan twintig procent. Daarmee stoten de Brazilianen ons meteen ook van de eerste plaats. Daar moeten we geen tekeningetje bij maken, hé.

Is de klassieke varkenscyclus nog van tel?
Pieter Van Ommeslaeghe: Dat was vroeger één van de klassiekers in het landbouwonderwijs. De varkensprijzen hadden de gewoonte om in een periode van iets meer dan drie jaar een slingerbeweging te maken. Vandaag werkt dat mechanisme amper nog omdat er een aantal spelbrekers zijn: de crisis heeft de koopkracht van de consument aangetast, de productiekost van de varkensboeren is fors gestegen en de toenemende specialisatie verdraagt geen lege varkensplaatsen. Om rendabel te werken, wil iedereen zijn nutriëntenemissierechten optimaal benutten. Vergeet niet dat boeren eveneens gebonden zijn aan afspraken over hun mestafzet, bijvoorbeeld met mestverwerkers. De globalisering doet er nog een schep onzekerheid bovenop. Zo kunnen fytosanitaire maatregelen in een of andere regio veel meer dan vroeger de prijsvorming elders op onze planeet beïnvloeden. We leven in een andere wereld dan pakweg twintig jaar geleden.
Timo Delvaux: Samen zorgen die factoren ervoor dat de varkenscyclus afgevlakt is. Bovendien is de vorm onregelmatiger: een hoogconjunctuur duurde destijds ruim een jaar, maar op dit ogenblik zijn de goede periodes veel korter terwijl de herstelbewegingen verschrikkelijk moeizaam verlopen.
Pieter Van Ommeslaeghe: De vraag is niet zozeer of de cyclus nog bestaat, maar wel of hij nog belangrijk is. 2008 heeft namelijk aangetoond dat je met hoge varkensprijzen niet noodzakelijk goede marges realiseert. Voederkosten zullen in de toekomst een grotere rol spelen.

De landbouworganisaties klagen over een gebrek aan prijstransparantie op het niveau van de slachthuizen. Is die aanklacht terecht?
Timo Delveaux: Wat is prijstransparantie? Bijna elk slachthuis heeft een eigen aankoopsysteem, dat op zich weinig transparant is. Ze bepalen de varkensprijs op basis van zowel binnen- als buitenlandse factoren. De boeren hebben geen zicht op die interne keuken van de slachthuizen, maar het staat hen anderzijds natuurlijk vrij om de prijzen op te vragen bij de vele slachthuizen die Vlaanderen nog rijk is. Omdat Europa dat eist, vraagt de landbouwadministratie trouwens de prijzen op bij een aantal slachthuizen, die samen goed zijn voor ongeveer veertig procent van de productie. Wekelijks zijn die prijsnoteringen terug te vinden in de landbouwpers. Op zich doen er zich uiteindelijk dus weinig grote problemen voor op het vlak van prijstransparantie en mededinging. Een slachthuis kan het zich niet veroorloven om veel betere varkensprijzen aan te bieden dan de concurrenten, hé.

Kris Peeters vond dit onderwerp belangrijk genoeg om een aantal werkgroepen op te starten.
Timo Delveaux: We hebben geleerd dat het voor varkenshouders heel moeilijk is om prijsevoluties in te schatten op basis van de weekprijzen die de slachthuizen publiceren. Elk slachthuis hanteert niet alleen een eigen berekeningsmethode, maar achteraf worden op het niveau van de individuele boer nog een reeks kortingen en toeslagen aan de basisprijs toegevoegd. De prijzen die de landbouwadministratie publiceert, zijn echter wel gebaseerd op de eindfactuur. Het is logisch dat de producenten die prijzen willen vergelijken met die van andere lidstaten, maar dat is niet zo evident. De voorschriften van Europa zijn immers zo vaag dat ieder land andere elementen hanteert bij de berekening. Kortom, het zijn cijfers die wel nuttig zijn om een markttendens op te volgen, maar niet om de marktwerking te sturen.

Ons land heeft bij de Europese Commissie de voorbije maanden herhaaldelijk aangedrongen op exportsubsidies. Waarom wordt die vraag steevast afgewimpeld?
Pieter Van Ommeslaeghe: We kunnen alleen maar vaststellen dat de Europese Commissie in het algemeen niet erg happig is om voorstellen voor steunmaatregelen uit te werken voor de varkenshouderij. Lidstaten moeten daarvoor veel harder op het gaspedaal duwen dan het geval is bij calamiteiten in de melkvee- of pluimveehouderij. Ten tweede is het draagvlak voor exportsubsidies onder de lidstaten op dit ogenblik kleiner dan twee jaar geleden. Naast Frankrijk ijverde toen ook Duitsland voor die ingreep. Nu verzetten belangrijke varkensproducenten als Duitsland, Nederland en Denemarken zich tegen uitvoerrestituties.

De Europese Commissie kan toch niet naast de dramatische inkomensvorming bij de varkensboeren kijken?
Pieter Van Ommeslaeghe: De Commissie heeft de voorbije maanden in de eerste plaats gekeken naar de evolutie van de marktprijzen. Bij elke roep om exportsubsidies luidde de conclusie dat de prijzen zich niet op een alarmerend peil bevonden, want in 2007 was de toestand nog erger. We hebben toen geargumenteerd dat ook de stijging van de productiekosten in rekening moest gebracht worden. Maar zolang niet kan aangetoond worden dat het globale inkomen onder nul ligt, kan de Commissie blijkbaar moeilijk gemobiliseerd worden. Ze vreest dat steunmaatregelen een gezonde sanering in de Europese varkenshouderij zullen blokkeren. Komt daarbij dat ze zich blindgestaard heeft op veel te optimistische vooruitzichten.

Hebben de varkenshouders in Duitsland, Nederland en Denemarken minder last van de crisis?
Pieter Van Ommeslaeghe: Je mag niet vergeten dat een aantal lidstaten vanuit hun liberale invalshoek per definitie tegen exportsubsidies gekant zijn. In landen als Groot-Brittannië, Denemarken en Zweden kan je er moeilijk iemand warm voor maken. Daarnaast zullen een aantal lidstaten ongetwijfeld denken dat hun varkenssector zo goed gestructureerd is dat de crisis en bijhorende sanering hen op termijn alleen maar concurrentievoordelen zullen opleveren.
Timo Delveaux: Nog een verklaring voor de houding van Duitsland, Nederland en Denemarken is de vaststelling dat de exportsubsidies van twee jaar geleden ervoor zorgden dat ook andere lidstaten plots varkensvlees konden slijten op een aantal lucratieve afzetmarkten. Dat was toen een streep door de rekening van de klassieke exporteurs. En dan is er natuurlijk ook nog de impact van het lobbywerk, waar we niet altijd veel zicht op hebben. Uiteraard hebben de Europese vleesverwerkers er geen baat bij dat grote volumes varkensvlees met exportsteun naar derde landen verscheept worden. Dat maakt hun grondstoffen alleen maar duurder.

Hoe is het gesteld met de concurrentiepositie van onze varkenssector?
Timo Delveaux: België neemt één procent van de wereldwijde productie van varkensvlees voor zijn rekening, hetgeen – alle verhoudingen in acht genomen – eigenlijk verschrikkelijk veel is. Vergeet trouwens niet dat de varkensproductie haast uitsluitend een Vlaamse aangelegenheid is. Onze export doet het in deze crisistijden in feite verre van slecht: uit voorlopige cijfers blijkt dat de uitvoer van vers en bevroren varkensvlees naar derde landen vorig jaar met meer dan veertig procent steeg, dankzij een diversificatie van onze afzetmarkten, bijvoorbeeld richting Oekraïne. De derde landen maken weliswaar slechts tien procent uit van onze totale handel, maar een opsteker is toch ook dat de intracommunautaire handel stabiel bleef, ondanks de gedaalde koopkracht en de muntdevaluaties in een aantal lidstaten.

Een belangrijke kanttekening is dat een steeds groter aandeel van de uitvoer bestaat uit karkassen?
Timo Delveaux: Duitse vleesverwerkers kunnen seizoensarbeiders uit nieuwe lidstaten of kandidaat-lidstaten tewerkstellen aan voorwaarden die bij ons ondenkbaar zijn. De loonkost ligt er twee à drie keer lager, waardoor het voor onze bedrijven steeds moeilijker is om toegevoegde waarde te creëren. Ze moeten zich onderscheiden door hun flexibiliteit en de aparte kwaliteit van onze varkens, die uitblinken door hun sterk ontwikkeld karkas, extreme gespierdheid en het ontbreken van een dikke speklaag.
Pieter Van Ommeslaeghe: Ons apart varken heeft ook nadelen. Zo zullen wij er Japan niet mee veroveren, maar het heeft voor ons ook geen zin om in Vlaanderen met een industrievarken te willen concurreren tegen landen die veel goedkoper varkens kunnen kweken. Voorlopig blijkt die aanpak niet alleen buiten de landsgrenzen, maar ook op onze belangrijke thuismarkt te werken. Mastodonten zoals Vion en Danish Crown spelen hier niet of nauwelijks een rol van betekenis.
Timo Delveaux: Onze slachthuissector krijgt soms het verwijt veel te versnipperd te zijn. Maar met de schaalgrootte van onze firma’s valt het al bij al wel mee. De top vijf heeft meer dan de helft van de productie in handen, en ik kan me voorstellen dat de concentratie zich nog zal doorzetten, weliswaar niet zo sterk als in het buitenland. Vergeet ook niet dat we een stapje verderop in de keten met bedrijven als Ter Beke en Imperial vleesverwerkers hebben met een Europese dimensie.

Wat moeten we denken van de vaststelling dat tijdens deze varkenscrisis het aanbod op de Europese markt nagenoeg op peil is gebleven?
Pieter Van Ommeslaeghe: In 2007 nam de productie met vier procent toe, maar in de twee daaropvolgende crisisjaren is het aanbod slechts gekrompen met respectievelijk 1,1 en 2,5 procent. Vooral in landen als Hongarije en Polen is de productie bergaf gegaan, maar een belangrijke producent als Nederland houdt nagenoeg stand. Overal in Europa stappen varkensboeren uit de stiel, maar hun plaats wordt heel snel weer ingepikt door anderen. De blijvers zetten zwaar in op schaalvergroting en professionalisering. Die halen op technisch vlak uitstekende resultaten die het rendement per dier gevoelig opkrikken. Dat is een goeie zaak voor die bedrijven, maar het verhindert wel dat de productie kan zakken.

Wanneer zullen de varkensprijzen weer stijgen?
Pieter Van Ommeslaeghe: Laat ons eerlijk zijn: op basis van het aantal zeugen en vleesvarkens op de Europese bedrijven moeten we op korte termijn geen sterke prijsstijging verwachten. Voor het eerste trimester van dit jaar verwacht de Europese Commissie zelfs een ronduit zwakke prijs. Daarna zou die volgens de prognoses stijgen tot 142 euro per honderd kilogram. Die stijging is normaal aangezien de prijzen in de aanloop naar de zomerperiode altijd wat aantrekken. Alleen vrees ik dat het aangekondigde prijsniveau voor onze varkensboeren niet volstaat om een deel van de opgestapelde verliezen weg te werken. Vóór de zomer raken we dus niet uit de crisis.

Intussen daalt het aantal varkenshouders in ons land zienderogen?
Timo Delveaux: Het voorbije jaar zijn we acht procent van onze producenten kwijtgespeeld. Aan dit ritme zitten we binnen vijf jaar onder de drempel van vierduizend varkensbedrijven. Maar je mag niet alleen de crisis verantwoordelijk stellen voor de daling van het aantal varkensboeren. Sinds 2000 zijn op jaarbasis gemiddeld 4,6 procent van de bedrijven gestopt met de varkenskweek. Het is weinig waarschijnlijk dat dit percentage de komende jaren zal dalen aangezien er nog altijd kleine bedrijven overblijven: één varkensbedrijf op vijf heeft minder dan 250 dieren.
Pieter Van Ommeslaeghe: Anderzijds maken we ons met de huidige schaalgrootte niet belachelijk in Europa. Zeker in de vermeerderingstak zit een belangrijk deel van de productie geconcentreerd op grote bedrijven. Nederland scoort op dit vlak zeker niet beter dan Vlaanderen. Voor vleesvarkensbedrijven ligt dat iets anders, maar gemiddeld zijn onze bedrijven toch nog altijd groter dan die in Duitsland, om maar iets te zeggen.
Timo Delveaux: Een aantal omgevingsfactoren kan ervoor zorgen dat de daling van het aantal varkensbedrijven de komende jaren nog een extra zetje krijgt. Ik denk bijvoorbeeld aan de verplichte omschakeling naar groepshuisvesting voor drachtige zeugen in 2013. Uit de enquêtes van het ILVO blijkt die investering voor veel varkensboeren een grote drempel te zijn.

Veelzeggend zijn de ramingen van het aantal varkensplaatsen per arbeidskracht die vandaag nodig zijn om rendabel te kunnen boeren.
Pieter Van Ommeslaeghe: Veva heeft het over drieduizend mestvarkens ofwel tweehonderd zeugen per arbeidskracht. Je kan die organisatie ervan verdenken dat hun cijfers een syndicale inslag hebben, maar ik stel vast dat Nederlandse onderzoeksinstellingen uitpakken met cijfers die nog hoger liggen. Momenteel huisvest nog maar elf procent van onze bedrijven meer dan tweeduizend vleesvarkens, maar dat soort bedrijven zal in de toekomst lang geen uitzondering meer zijn.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via