nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Lust Vlaams vee wat anders dan soja?
08.10.2012  Tussenbalans van het Actieplan Alternatieve Eiwitbronnen

Het actieplan alternatieve eiwitbronnen wil de veehouderij minder afhankelijk maken van ingevoerde soja. Nu torenhoge sojaprijzen de marge van veeboeren doen verdampen, vragen we de Vlaamse overheid en de mengvoederindustrie of er al schot in de zaak zit. Dankzij een financieel duwtje in de rug van de overheid, telen landbouwers de laatste jaren om en bij de 5.000 hectare eiwitrijke gewassen voor hun rundvee. Bijproducten uit de biobrandstof- en voedingsindustrie worden op grote schaal benut als veevoeder. Toch blijven intensieve pluimvee- en varkensbedrijven voorlopig verslingerd aan soja uit Brazilië en Argentinië. De oplossing komt mogelijk uit onverwachte hoek: veldproeven tonen aan dat soja op Vlaamse velden kan aarden. Het strategisch plan loopt nog minstens tot 2015, niet eens halfweg maken we de tussenbalans op.

De veevoederindustrie in Europa importeert jaarlijks meer dan 40 miljoen ton plantaardige eiwitten, voornamelijk soja maar bijvoorbeeld ook koolzaadschroot. Minder dan een derde van de eiwitrijke grondstoffen voor veevoeder komt van eigen bodem. Het voeder maakt minstens 50 maar vaker 70 procent van de kostprijs uit op een varkens- of pluimveebedrijf. Tot wanhoop van de veehouders steeg de prijs van ingevoerde soja op anderhalf jaar tijd van 350 euro per ton naar 570 euro per ton deze zomer.

Om de concurrentiepositie van zijn veehouderij veilig te stellen, ondernam Vlaanderen al in 2010 actie. ‘Maatschappelijk verantwoorde diervoederstromen’ heet de engagementsverklaring die Vlaams minister-president Kris Peeters en de beroepsvereniging van de mengvoederfabrikanten (BEMEFA) ondertekenden. In één adem kwam er ook een actieplan alternatieve eiwitbronnen voor de periode 2011-2015. Doelstelling is de bestaande eiwitbronnen van dierlijke of plantaardige oorsprong promoten en valoriseren. Tegelijk moet de afhankelijkheid van soja-import uit Zuid-Amerika verkleinen.

soja11.jpgDe import van soja zal nooit tot nul gereduceerd worden zodat de mengvoederindustrie voor een tweesporenbeleid kiest: minder soja maar tegelijk ook meer verantwoorde soja. Naar schatting 900.000 ton sojaschroot zal dit jaar ingevoerd worden vanuit Argentinië en Brazilië om in België verwerkt te worden tot veevoeder. Daarvan draagt 250.000 ton het certificaat ‘maatschappelijk verantwoord’. De Round Table on Responsible Soy waakt er over dat die soja beantwoordt aan een lange reeks milieu- en sociale criteria. “We gaan er van uit dat tegen 2015 nog maximaal 600.000 ton soja ingevoerd wordt. Die zal van de eerste tot de laatste ton gecertificeerd zijn”, zegt Yvan Dejaegher, directeur-generaal van BEMEFA.

Het lijkt vreemd dat de mengvoederindustrie zich achter een actieplan schaart dat boeren stimuleert om zelf eiwitrijke gewassen te telen zodat ze minder sojarijk krachtvoeder moeten aankopen. “Alles wat bijdraagt aan de concurrentiekracht van de veehouders is voor de mengvoederindustrie meegenomen. En het is niet omdat een veehouder eiwitrijke gewassen teelt, dat hij ze ook zelf mengt in het rantsoen van zijn dieren”, weerlegt Dejaegher het belangenconflict. De mengvoederindustrie slaat zeker geen munt uit de dure soja. “Hoge grondstofprijzen zijn slecht voor de mengvoederindustrie want fabrikanten kunnen dat niet doorrekenen naar de veehouders. Er is altijd wel één mengvoederfabrikant met een mooie voorraad goedkoop ingekochte grondstoffen die de concurrentie buitenspel wil zetten”, aldus Dejaegher.

De biobrandstof- en voedingsindustrie zijn niet betrokken bij het actieplan, maar de nevenstromen uit hun productieproces dragen wel bij aan het verminderen van de soja-import. Bijproducten zoals aardappelschillen, bietenpulp, bierdraf, maïsgluten en DDGS (nevenstroom van de biobrandstofindustrie, nvdr.) vinden zowel in de rundvee-, varkens- als pluimveehouderij hun weg. Op jaarbasis gaat het in België om een volume van drie miljoen ton. Zit daar nog rek op? Ja, maar niet eindeloos want de prijzen van deze bijproducten stijgen en evolueren door de toenemende vraag naar een evenwicht met de andere voedergrondstoffen.

En wat doet de Vlaamse overheid, vraagt u zich af. Die sensibiliseert, stimuleert en subsidieert. Studiedagen en demonstratieprojecten maken landbouwers bewust van de alternatieven voor soja. Stimuleren slaat vooral op het inventariseren van bestaand onderzoek en ondersteunen van nieuw onderzoek, bijvoorbeeld naar het potentieel van bijproducten of de eiwitvoorziening uit gras. Aangezien er in Vlaanderen ruim 250.000 hectare grasland is, kunnen rundveehouders met die teelt nog veel (eiwit-)winst boeken, ook al is gras niet het meest eiwitrijke gewas. Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) informeert boeren zodat zij het onderste uit de kan kunnen halen qua grassoort- en variëteitenkeuze, bemesting, graslanduitbating, aanwezigheid van klaver, maaien in het juiste groeistadium, correct voordrogen en inkuilen.

luzernea.jpgTot slot komt de overheid ook met geld over de brug wanneer landbouwers eiwitrijke gewassen gaan telen voor hun vee. Dit jaar hebben 929 landbouwers een premie van 275 euro per hectare aangevraagd voor het telen van vlinderbloemige gewassen met een hoog eiwitgehalte. Van de 4.657 hectare vlinderbloemige gewassen is het overgrote deel gras-klaver. “Bij vlinderbloemigen zoals luzerne, veldbonen en erwten loert het gevaar van opbrengstderving door veronkruiding en duivenschade om de hoek. Landbouwers zijn niet meer vertrouwd met de juiste teelttechniek voor deze gewassen. Een mengteelt gras-klaver is veel eenvoudiger en veiliger en daarom een aanrader voor elke rundveehouder”, zegt Geert Rombouts van de Afdeling Duurzame Landbouwontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij. 

Is het dan niet vreemd dat veldbonen en erwten wel populair zijn bij bioboeren? “De economische context in de biolandbouw is anders. Biologische voeders zijn duurder dan gangbaar voeder. Bioboeren streven daarom naar een gepast rantsoen waar zoveel mogelijk eigen gewassen in verwerkt zijn”, verklaart Lieven Delanote, diensthoofd biologische productie bij Inagro. Hij benadrukt dat een mengteelt van granen met erwten boeren niet zou mogen afschrikken. Vogelschade is dankzij de triticale tussen de erwten geen groot probleem. En het rendement is hoger dan dat van een monocultuur graan. Biologische varkens- en pluimveebedrijven zijn - net zoals hun gangbare tegenhangers - minder grondgebonden. Daarom speelt de veevoederfirma op die bedrijven een intermediaire rol als leverancier van krachtvoeder waarin behalve eiwitrijke gewassen, liefst uit Europa, ook ingevoerde biologische soja is verwerkt.

Net zoals lokale eiwitrijke teelten is ook diermeel een goede vervanger van soja. Diermeel heeft een eiwitgehalte van 50 tot 60 procent, maar is geen spek meer voor de bek van Europees vee sinds de BSE-crisis. De toegenomen aandacht voor voedselverspilling en het spaarzaam omspringen met grondstoffen, zet de deur voor diermeel opnieuw op een kier. Samen met BEMEFA ijvert de Vlaamse overheid op Europees niveau voor het opnieuw toelaten van diermeel in pluimvee- en varkensvoeder. De laatste jaren zijn de EU-instellingen zich ook zelf meer bewust van het eiwittekort, en daarbij lijkt een herintroductie van diermeel in veevoeding niet langer uitgesloten. De mengvoederindustrie schat dat momenteel 150.000 ton diermeel voorhanden is. “Voor het verbod dat volgde op de BSE-crisis werd 200.000 ton diermeel gevaloriseerd als veevoeder, maar de varkens- en pluimveestapel zijn ondertussen gekrompen”, verklaart Yvan Dejaegher zijn schatting.

Aan de herintroductie van diermeel in veevoeder, koppelen Europa en Vlaanderen strenge voorwaarden. “Uit de BSE-crisis zijn lessen getrokken”, zegt Barbara Roegiers van de Afdeling Landbouw- en Visserijbeleid van het Departement Landbouw en Visserij. “Geen varken of kip mag diermeel van de eigen soort voorgeschoteld krijgen en diermeel blijft verboden voor herkauwers zoals runderen.” Om dat te garanderen, moeten onderzoekers de analysemethoden op punt stellen. Dejaegher verwacht dat zulke hoge eisen aan het productieproces zullen worden gesteld dat weinig mengvoederfabrikanten in staat zullen zijn om diermeel te verwerken.

Diermeel stelt niet alleen de producent voor uitdagingen, ook voor de consument is het even slikken. “De grootdistributie staat er niet voor te springen en schermt met de weigerachtige houding van de consument. Die laatste moet dus overtuigd worden van het nut van diermeel in veevoeder”, zegt Dejaegher. Hij verwacht dat diermeel vooral in visvoeder en petfood gebruikt zal worden. Als er dan nog diermeel resteert, is de pluimveehouderij eerste kandidaat-afnemer. Varkensmeel voederen aan kippen schept op zijn beurt weer problemen bij export naar moslimlanden, maakt Dejaegher duidelijk dat het een lange weg vol hindernissen is.

Vooral in de varkens- en pluimveehouderij is soja (nog) niet weg te denken. Waarom die soja dan niet zelf telen, dacht het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek. De Nederlandse veevoederfirma Agrifirm deed haar dat voor. De veldproeven in Nederland leverden vorig jaar een behoorlijke gemiddelde opbrengst van ongeveer drie ton soja per hectare op. “Om te kunnen wedijveren met graan en commercieel interessant te zijn voor akkerbouwers, zoeken we naar variëteiten die 4,5 tot 5 ton soja opbrengen per hectare”, zegt Johan Van Waes, wetenschappelijk directeur Teelt en Omgeving bij ILVO.

soja ILVO 1.jpgSoja telen, draait om meer dan opbrengst alleen. Daarom wordt op de proefvelden van ILVO te Merelbeke en de Katholieke Hogeschool Kempen te Geel een resem andere zaken uitgetest. De vorstgevoeligheid van de plant sluit een vroege zaai uit en noopt tot selectie van vroegrijpe rassen. “Soja moet je eind september kunnen dorsen aan een vochtgehalte van 14 tot maximaal 18 procent”, aldus Van Waes. Wanneer veredelaars de interesse in Vlaanderen en Nederland opmerken, zal de ontwikkeling van vroegrijpe rassen wellicht niet lang op zich laten wachten. Momenteel staan er al 300 verschillende sojarassen op de Europese rassenlijst. Deze rassen zijn vooral geselecteerd voor Zuid- en Oost-Europa en daarom niet geschikt voor het Belgische klimaat.

Een andere uitdaging zijn de Rhizobium wortelknobbelbacteriën die soja nodig heeft om luchtstikstof te binden. Die nuttige bacterie, specifiek voor het gewas soja, is niet aanwezig in Vlaamse gronden, wat opgelost kan worden door de sojazaden met de bacterie te enten. Onderzoekers dienen nog uit te vlooien hoe soja bemest moet worden, welke invloed het gewas heeft binnen een teeltrotatie en wat nodig is om vogelschade te voorkomen. Vooraleer akkerbouwers met soja aan de slag kunnen, hebben ze ook specifieke gewasbeschermingsmiddelen nodig. Die zijn er, maar ze moeten nog een erkenning krijgen voor gebruik in ons land. De proefvelden soja in Merelbeke en Geel zijn intussen geoogst. Lokale sojateelt lijkt ineens niet zo ver af meer.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via