nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

"Mest is geen afval maar een grondstof rijk aan nutriënten"
16.12.2013  Vlaams Coördinatiecentrum Mestverwerking (VCM)

De steile opgang van het intensieve landbouwmodel tijdens de tweede helft van de vorige eeuw bracht schaalvergroting, professionalisering, innovatie en mooie exportcijfers. Keerzijde van de medaille was de eveneens spectaculair toegenomen milieu-impact, onder meer door de overbemesting van de Vlaamse akkers en de achteruitgang van de oppervlakte- en grondwaterkwaliteit die daarvan het gevolg was. Onder impuls van Europa en de Vlaamse mestwetgeving zochten de veehouders naar oplossingen, en mestverwerking is één van de pistes die door de sector bewandeld wordt. Vlaanderen pionierde twintig jaar geleden met de zogenaamde biologie-installaties, en blijft ook vandaag toonaangevend. Het Vlaams Coördinatiecentrum voor Mestverwerking (VCM) monitort de mestverwerkingssector al sinds 1996. Voorzitter Bart Naeyaert en VCM-medewerkers Viooltje Lebuf, Céline Schollier en Emilie Snauwaert blikken voor VILT terug én vooruit.

Vlaanderen is een pionier inzake mestverwerking. Wilden jullie dat nog eens in de verf zetten met ManuREsource, een internationaal congres rond mestverwerking in Brugge?
VCM: Vlaanderen heeft die pioniersrol enigszins noodgedwongen opgenomen. Eind jaren 80 begon het besef te dagen dat overbemesting voor ernstige nitraatvervuiling van onze waterlopen zorgde. Europa greep in en stelde de Nitraatrichtlijn op. In Vlaanderen betekende het mestdecreet uit 1991 het startschot van een mestbeleid dat steeds meer beperkingen zou opleggen. In 1996 werd VCM opgericht, en zelfs als we vandaag naar andere landen kijken, dan merken we dat we als organisatie nog steeds vrij uniek zijn. Dat neemt niet weg dat er in het buitenland heel wat onderzoek wordt gedaan naar innovatieve mestverwerkingstechnieken.
mestverwerkinga2_VCM.gifWat mestverwerking betreft, heeft Vlaanderen waarschijnlijk het meeste ervaring, maar in landen als Duitsland en Denemarken is er bijvoorbeeld meer know-how over biogasinstallaties. Om die (praktijk)kennis uit te wisselen, dachten we dat een congres met alle internationale spelers wel interessant kon zijn. Mestverwerking is een zeldzaam topic op internationale congressen, en we voelden dat de nood aan een samenkomst die zich thematisch helemaal focust op mestverwerking groot was. Tot nu toe was iedereen op z’n eigen eilandje bezig met mestverwerking. Wel, als je al die mensen samenbrengt, dan zorgt dat voor heel veel interessante ideeën en contacten.

Wat hebben jullie zoal bijgeleerd?
VCM: Het viel op dat de vraag naar mestverwerking in heel wat EU-lidstaten, maar ook daarbuiten, groeit. Ter illustratie: er waren onderzoekers uit 25 verschillende landen aanwezig op het congres om hun onderzoek voor te stellen. De meest onderzochte thema’s zijn struvietvorming en het strippen van ammoniak uit mest, verzuring van de mest om emissies te beperken, life-cycle assessment (LCA) waarin de milieu-impact van mestverwerking wordt nagegaan en tenslotte heel wat bijdragen over biogasproductie. De belangrijkste trend is dat mest meer en meer als grondstof wordt gezien, en niet meer als afval waar je vanaf wil. Mest als bron van energie en als alternatief voor minerale meststof, mits de juiste technologie die een stabiele en zuivere samenstelling kan garanderen.
We hebben op ons congres ook zeer bewust enkele beleidsmensen uitgenodigd, en uit de bijdrage van een vertegenwoordiger van de Europese Commissie blijkt dat Europa wel degelijk achter groene meststoffen staat, op voorwaarde dat de werking, de samenstelling en de milieuvriendelijkheid onomstootbaar kunnen worden aangetoond. Nu we het toch over beleid hebben: wat ook heel sterk naar voor kwam tijdens het congres was de vraag naar consistentie tussen de verschillende (mest)wetgevingen, die innovatie en de sprong naar een groene economie mogelijk maakt. Om die oproep kracht bij te zetten, stelden we een gezamenlijke verklaring op over de knelpunten in de verschillende Europese wetgevingen met betrekking tot mest, die het sluiten van de nutriëntenkringlopen bemoeilijken. De verklaring is ondertekend door verschillende Europese regio’s. We hopen dat dat een sterk signaal kan zijn richting Europa.

bart naeyaert1.jpg"Het uitbouwen van een internationaal netwerk rond duurzame mestverwerking is heel belangrijk"

Bart Naeyaert: Wat mij opviel tijdens het congres is dat het heel nuttig is om vanuit onze eigen ervaring samen te zitten met mensen uit andere landen die met dezelfde problemen worstelen. Het was leerrijk om samen met hen te zoeken naar de kansen om mestverwerking uit te bouwen als een economische activiteit en om de eindproducten van mestverwerking te vermarkten. Er is heel veel verschil tussen hoe de verschillende lidstaten omgaan met de Europese mestregelgeving. Ook hier kunnen we heel veel van elkaar leren.
VCM: De ontmoetingen tijdens het congres leidden tot twee nieuwe, internationale initiatieven. Enerzijds is er het Biorefine Cluster Europe-project, een initiatief van UGent-professor Erik Meers met Europese Interreg-steun. Anderzijds staat er een nieuwe samenwerking in de stijgers tussen de verschillende Noordzeelanden die met dezelfde mestproblematiek geconfronteerd worden. Dit project zal minder gefocust zijn op onderzoek, maar meer op business cases: hoe kunnen we met de regio’s samenwerken om de marktwaarde van mest te optimaliseren?

Zijn andere lidstaten met een intensieve veehouderij ons nog niet bijgebeend?
membraanfiltratie2_VCM.gifHet klopt dat er ondertussen al heel wat landen zijn die aan mestverwerking doen. In de praktijk denk ik dat wij nog steeds de grootste variëteit aan installaties hebben, maar koploper zijn we ondertussen niet meer. Het is heel erg interessant om de evolutie in de andere lidstaten te volgen. In Nederland bijvoorbeeld wordt vanaf 1 januari 2014 mestverwerking verplicht, waardoor de sector en de boeren nu moet beslissen voor welke technieken ze kiezen. Het ziet er naar uit dat er meer wordt ingezet op membraanfiltratietechnieken door de Nederlandse overheid. Van Europa kregen acht bedrijven de toelating om het eindproduct van membraanfiltratie bovenop de norm van dierlijke mest te gebruiken in een pilootproject. Dit als testcase om aan te tonen dat dat membraanconcentraat dezelfde werking heeft als minerale meststoffen. Een positieve evolutie.
In Vlaanderen wordt de financiële waarde van deze mineraalconcentraten tenietgedaan omdat alle nutriënten afkomstig van dierlijke mest het statuut van dierlijke mest behouden. In Denemarken heeft de overheid dan weer beslist om 50 procent van alle mest te vergisten. In Bretagne, waar de Fransen af te rekenen hebben met grote mestoverschotten, lossen ze het probleem op met de klassieke biologie-installaties.

Hoeveel mestverwerkingsinstallaties telt Vlaanderen? Komen er nog bij?
Dankzij onze jaarlijkse enquête hebben we daar goed zicht op. Volgens onze resultaten uit 2012 zijn er 118 mestverwerkingsinstallaties in Vlaanderen. Dat aantal lijkt zich te stabiliseren. Meer dan het bouwen van nieuwe installaties zien we uitbreidingen van de bestaande installaties. De gezamenlijke capaciteit blijft dus wél stijgen, en we verwachten dat die stijgende lijn zich nog verder zal doorzetten. Er komt binnenkort een nieuw mestactieplan, MAP5, dat de bemestingsbeperkingen wellicht opnieuw zal verstrengen. Bovendien worden de melkquota afgeschaft, wat zeer waarschijnlijk voor een groei in de veestapel zal zorgen en dus ook voor meer mest.
mestverwerkingb2_VCM.gifVolgens berekeningen van het Departement Landbouw & Visserij zou een afschaffing van derogatie de grootste impact hebben op de mestverwerkingsbehoefte: bij een eventuele niet-verlenging van de derogatie-maatregel zal die naar schatting met een derde toenemen. De verwachte groei in mestverwerking bij de voorgestelde fosfaatnormen bedraagt acht procent. Wanneer de Vlaamse melkveehouders 20 procent meer melk gaan produceren, en als derogatie nog toegelaten is, zal de vraag naar verwerkingscapaciteit met 25 procent stijgen, of 4,4 miljoen kg N en 2,25 miljoen kg P2O5. Als derogatie wordt afgeschaft, is dat zelfs bijna 50 procent.

Over welke capaciteit spreken we en hoe is die geëvolueerd de voorbije jaren?
In 2011 bedroeg de operationele verwerkingscapaciteit, dus de hoeveelheid mest die effectief verwerkt werd, 26,3 miljoen kg stikstof, een stijging van 14,2 procent tegenover 2010. In 2012 was dat 27,9 miljoen kg stikstof, of 6,4 procent meer dan in 2011. Deze cijfers omvatten ook de mest die geëxporteerd wordt, voornamelijk naar Frankrijk en Nederland. Het geografische zwaartepunt van de mestverwerking in Vlaanderen situeert zich in West-Vlaanderen, en ook de provincie Antwerpen beschikt over een behoorlijke capaciteit.

Zullen akkerbouwers die (gratis) mest laten aanvoeren de dupe worden als er nog meer mest richting verwerking gaat? Bestaat er zoiets als een optimaal aandeel verwerking van mest?
mest2_VCM.gifVoorlopig zien we geen probleem. Verwerking blijft een dure zaak, dus als landbouwers afzetmogelijkheden zien op landbouwgrond dan zullen ze daar zeker gebruik van maken. Bovendien betekent verwerking niet dat er producten verloren gaan voor Vlaamse landbouw. Als we er in slagen bepaalde producten onder een ander wettelijk statuut te krijgen door een meststof op maat te creëren, die niet meer onder de 170 eenheden stikstof uit dierlijke mest valt door een betere opneembaarheid van die stikstof, dan houdt de verwerking geen nutriëntenverlies in voor de Vlaamse landbouw. Daar hoeven we dus niet bang voor te zijn.

“Wallonië kan een nieuwe mogelijkheid voor mestafzet zijn”

Is het beleidskader mee geëvolueerd met de sector? Waar zitten de knelpunten?
Mestverwerkers die geïnvesteerd hebben in innovatieve technieken die afwijken van de klassieke biologie en biothermische droging, worden nog steeds niet gesteund in hun innovatie. Hun eindproduct bezit nog nauwelijks organische stof, maar blijft toch het statuut van dierlijke mest dragen omdat de Nitraatrichtlijn oordeelt dat alle nutriënten die afkomstig zijn van dierlijke mest ook dierlijke mest blijven. Ook de grote afhankelijkheid van de mestafzet in Frankrijk en Nederland maakt de Vlaamse mestverwerkingssector kwetsbaar. We denken dat de risico’s beter gespreid zijn als er binnen België nieuwe afzetmogelijkheden gecreëerd zouden worden. Één van die nieuwe mogelijkheden kan mestafzet in Wallonië zijn. Verder belemmert de financiële (on)haalbaarheid van biogasinstallaties de verdere ontwikkeling van de sector. Het energiedecreet hierover is in 2012 gewijzigd, waardoor vele biogasinstallaties zwaar in de problemen kwamen, met heel wat faillissementen tot gevolg. Dat is erg jammer, want zij dragen door de verwerking van hun digestaat ook bij aan de mestverwerking in Vlaanderen.

Zou een (juridische) erkenning van het eindproduct van mestverwerking als kunstmestvervanger een aardverschuiving in de landbouw teweegbrengen?
Wij geloven heel sterk in meststoffen op maat, waarbij de samenstelling en de werkzaamheid van de nutriënten het statuut bepaalt. Het is niet altijd logisch dat vanaf het moment dat een meststof bestanddelen van dierlijke oorsprong bevat, het ook een dierlijk meststatuut krijgt. Dat terwijl de samenstelling en de werkzaamheid ervan even optimaal kan zijn dan van een minerale meststof. Neem bijvoorbeeld varkensmest. Wat overblijft na het scheiden in een dunne en een dikke fractie en verschillende membraantoepassingen is een vloeistof waar misschien nog 1 procent organisch materiaal in zit. De rest zijn nutriënten die goed zijn voor 90 procent werkzaamheid, waarmee ze heel dicht aanleunen bij minerale meststof, dat 100 procent werkzaam is. En toch behoudt dit eindproduct het statuut van dierlijke mest.
mestverwerkingb2_VCM.gifVan deze lacune maken wij een prioriteit: het statuut is van levensbelang om nieuwe, innovatieve technieken te introduceren op de Vlaamse markt. De landbouwer die dierlijke mest gebruikt, aangevuld met goedkopere en milieuvriendelijkere biogebaseerde meststoffen, dát lijkt ons een ideaal scenario. En dat hoeft geen bedreiging te zijn voor de minerale meststoffenindustrie: bepaalde producten kunnen ze gebruiken als grondstof voor hun eigen productieproces. In de wetenschap dat een groot deel van de wereldbevolking gevoed wordt met landbouwproducten afkomstig van grond die intensief bemest wordt met minerale meststoffen; dat grondstoffen als fosfor schaars worden en stikstofproductie zeer energie-intensief is, hopen we dat mest eerder een oplossing kan zijn dan een obstakel.
Op ons congres waren trouwens enkele vertegenwoordigers van de minerale meststoffenindustrie aanwezig. Zij staan zeker open voor samenwerking. Alleen vragen ze een constante samenstelling en grote, constante hoeveelheden, en daar knelt het schoentje momenteel nog: Vlaanderen telt heel wat kleine installaties. Maar de incentive om aan deze samenwerking te bouwen moet vanuit de overheid komen. Pas als de wetgeving een opening creëert, zal er geïnvesteerd worden in technologieën die een eindproduct in voldoende hoeveelheden en een constante samenstelling kunnen garanderen.

De uitbaters van biogasinstallaties beleven financieel slechte tijden. Heeft de malaise in deze sector enige invloed op de mestverwerking? Hoe is de teneur trouwens bij mestverwerkers?
De biogassector heeft het moeilijk door de grote onzekerheid rond de groene stroomcertificaten. De laatste jaren werd zowel de steun als de termijn voor die steun afgebouwd. De toenemende vraag naar grondstoffen voor de biogasinstallatie, zoals organisch biologische afvalstoffen (OBA’s), heeft de prijs doen stijgen. Het aanbod dierlijke mest in Vlaanderen is dan weer ruimschoots voldoende. We merken wel dat er bepaalde regio’s zijn waar de concurrentie voor ruwe mest wel aanwezig is, onder meer in het grensgebied met het Nederlandse Zeeland waar Vlaamse ruwe varkensmest naartoe geëxporteerd wordt, en bepaalde streken in West-Vlaanderen waar op korte tijd heel wat mestverwerkingsinstallaties zijn bijgekomen. Maar biogasinstallaties hebben zeker hun plaats in Vlaanderen. Ze produceren energie en nemen een deel van de mestverwerking voor hun rekening. Het digestaat concurreert met dierlijke mest, omdat het digestaat de status dierlijke mest meekrijgt. Ook hier ijveren we voor een redelijke wetgeving die enkel het percentage dierlijke mest dat in de vergister is gegaan als dierlijke mest aanziet.

In West-Vlaanderen vinden milieu- en natuurorganisaties dat de draagkracht van het platteland overschreden wordt door de vele mestverwerkingsinstallaties. Hebben zij een punt? En zo ja, is een industrieterrein dan een meer aangewezen locatie of zijn er andere oplossingen?
Mest en milieu, het is een gevoelig thema. In elk geval moet het duidelijk zijn dat we in Vlaanderen met een mestoverschot te kampen hebben, en dat daar iets aan gedaan moet worden om de relatie tussen landbouw en milieu weer wat duurzamer te maken. De mestverwerking is er om de waterkwaliteit te verbeteren. In functie dus van de burger en zijn omgeving. Mestverwerkingsinstallaties staan meestal in agrarisch gebied, en daar is een reden voor: de mestverwerkers hebben meestal zelf ook een landbouwbedrijf waar ze hun eigen mest en mest van naburige bedrijven verwerken.
Als natuurorganisaties opperen dat mestverwerking zou moeten ingepland worden op industrieterrein, dan wil dat zeggen dat al de mest zou moeten worden getransporteerd van landbouwgebied naar industrieterrein. In het geval van een biologie moet het effluent terug naar het landbouwbedrijf worden getransporteerd om het uit te rijden op het veld. Dat scenario veroorzaakt heel wat mobiliteitsoverlast. In West-Vlaanderen is er bovendien niet erg veel industriegebied, dus dat wil zeggen dat er agrarisch gebied moet ingekleurd worden als industriegebied. Een moeilijke kwestie dus. Dat gezegd zijnde wordt er wel degelijk aandacht gespendeerd aan het verlagen van de milieu- en omgevingsimpact van installaties. Maar we missen cijfermateriaal. Volgend jaar willen we met VCM dan ook een inventaris opmaken van alle installaties, en daaraan gekoppeld hoeveel klachten er zijn, en welke.

"Mestverwerkingsinstallaties inplanten op industrieterreinen creëert een transportprobleem"

Ook Bart Naeyaert erkent dat de sector alert moet blijven voor de draagkracht van een specifieke omgeving, en voor de hinder die een installatie met zich meebrengt. Maar hij gaat niet akkoord met de milieuorganisaties als zij zeggen dat mestverwerking niet thuishoort in agrarisch gebied. “Mestverwerking is nauw verbonden met landbouwbedrijven en veehouderij, en dus met agrarisch gebied. Je moet natuurlijk wel voldoende aandacht hebben voor de hinder die kan ontstaan door emissies van geur, ammoniak, voor de mobiliteitsproblematiek, enzovoort. We moeten geval per geval bekijken, en voortdurend op zoek gaan naar een aanvaardbaar evenwicht.”

Hebben jullie zicht op de problemen die uitbaters ervaren met vergunningen en buurtprotesten?
mestb2_VCM.gifDe mestverwerkingssector zit met een imagoprobleem. Het is van het grootste belang dat een mestverwerker bij de opstart van een nieuwe installatie overlegt met de buurt. Als wij gevraagd worden om aanwezig te zijn op een infovergadering gaan wij hier graag op in. Daar communiceren wij vanuit een neutrale positie en proberen uit te leggen waarom mestverwerking noodzakelijk is in West-Vlaanderen. Geur en mobiliteit blijken daar steeds de meest voorkomende klachten, hoewel je een biologie nauwelijks ruikt.

Waaraan besteedt VCM het merendeel van zijn tijd? Zien jullie andere prioriteiten opdoemen in de toekomst?
VCM is in 1996 opgericht door de provincies West- en Oost-Vlaanderen, BEMEFA, Boerenbond, de Mestbank, het departement Landbouw en Visserij en heel wat stakeholders uit de sector. Initieel was het de bedoeling om de mestverwerkers gedurende zeven jaar ondersteuning te bieden, maar we zijn naar een blijvende werking geëvolueerd – sinds 2003 zijn we een vzw. Initieel lag de focus heel sterk op het wetgevend kader en het adviseren van mensen die een installatie wilden opstarten. Ondertussen is de sector volwassen geworden en kan hij zichzelf in stand houden, al is dat voor de biogasinstallaties en dubbel verhaal, zoals we eerder al zeiden.
We besteden veel tijd aan overleg tussen de verschillende actoren, tussen de sector en de overheid en aan thematisch werkgroepen rond bepaalde onderwerpen, zoals het gebruik van spuiwater, het scheiden van rundveemest, enzovoort. Vaak wordt ons gevraagd adviezen te formuleren omtrent het interpreteren van wetgeving, aan welke verplichtingen moet voldaan worden. Verder organiseren we af en toe rondleidingen op mestverwerkingsinstallaties, zoals voor de Europese Commissie.
Tenslotte is er nog ons jaarlijks overzicht van de mestverwerkingscapaciteit in Vlaanderen. Vandaag zetten we steeds meer in op nutriëntenrecuperatie uit mest. Daar ligt volgens ons de toekomst: een transitie van mest als afval naar mest als grondstof rijk aan nutriënten. Ook daarom was ons congres nuttig: het uitbouwen van een internationaal kennisnetwerk. De technologie voor zo’n transitie is al aanwezig, maar is voorlopig nog heel duur en bovendien nog niet echt robuust. We hebben met andere woorden meer steun nodig van de overheid. Niet zozeer in de vorm van subsidies, maar vooral in de vorm van vermarktingsmogelijkheden voor het eindproduct.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: VILT / VCM

Volg VILT ook via