nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 


27.02.2007  Volière-kip en kooi-ei in de weegschaal

Met het EU-verbod op klassieke legbatterijen in 2012 komt nog geen einde aan het gekakel over de huisvesting van legkippen. Minister Demotte liet een onderzoek uitvoeren naar het dierenwelzijn in zowel verrijkte kooien als niet-kooisystemen, om na te gaan of de minimumnormen strenger moeten worden dan de Europese voorschriften. We trokken naar Nederland voor een onpartijdige analyse van de studieresultaten.

Herinnert u zich het debat van enkele jaren geleden tussen Magda Aelvoet en Jaak Gabriëls in De Zevende Dag? De één had het over “kippen zonder kop” die “haantje-de-voorste” wilden spelen, en de ander vond het hoogtijd dat de regering eindelijk zijn ei zou leggen. In het broednest van de politieke besluitvorming hebben voor- en tegenstanders drie jaar lang liggen rollebollen, wat onder meer een Europese veroordeling opleverde voor het niet tijdig omzetten van de richtlijn ter zake. In dit dossier is de federale regering geen baas in het kippenhok omdat een consensus met de gewesten vereist is. Eind 2005 gingen de socialisten alsnog door de knieën. Minister Demotte stemde er mee in om de Europese richtlijn zonder bijkomende voorschriften om te zetten in een koninklijk besluit. Met één belangrijk voorbehoud: ten laatste tegen 2010 kan op basis van wetenschappelijk onderzoek alsnog besloten worden om verrijkte kooien te verbieden, maar dan wel met een soort uitdovingtermijn tot 2025 zodat kippenboeren de tijd krijgen om investeringen in nieuwe stallen af te schrijven.

Kijken naar kippen. In juli vorig jaar werd het bewuste onderzoek door het ILVO afgerond. In een nieuwsbrief werden de resultaten in erg voorzichtige bewoordingen samengevat. Op eieren lopen, heet zoiets. Op ruim tweehonderd kilometer van het gepolariseerde debat in Brussel wilde Bas Rodenburg best wel wat commentaar kwijt bij de studie. Deze 31-jarige bioloog en gedragswetenschapper van het Animal Breeding and Genomics Centre van de Wageningen Universiteit bivakkeerde achttien maanden in Merelbeke om mee te werken aan het onderzoek over het welzijn van leghennen. “Eerst kwam het er op aan om een goed onderzoeksprotocol op te stellen. Kwestie van de bevindingen te kunnen omzetten in cijfermateriaal, ten behoeve van de beleidsmakers”, vertelt Rodenburg. Na een literatuurstudie werden met een flink dozijn experts een enquête en workshop doorworsteld. Op basis van de verkregen informatie werd de oorspronkelijke lijst met indicatoren voor de meting van het kippenwelzijn verfijnd. Aan elke indicator werd ook een weging gekoppeld.

Daarna begon het echte praktijkonderzoek op dertien bedrijven, waarvan twee bedrijven in zowel Nederland als Duitsland. Globaal genomen werden drie types huisvesting onderzocht: verrijkte kooien, volièresystemen en grondhuisvesting. In de eindresultaten werden deze laatste twee types gebundeld onder de noemer ‘niet-kooisystemen’. Kippen in verrijkte kooien beschikken over een zitstok, legnest, scharrelbadje en schuurmateriaal om de lange nagels af te vijlen. Binnen dit systeem kunnen de kippen gehouden worden in groepen die uiteenlopen van vijf tot honderd dieren. De ruimte per kip bedraagt 750 vierkante centimeter, wat ruim een derde meer is in vergelijking met klassieke batterijkooien. Voor GAIA is dat nog altijd veel te weinig want “nauwelijks meer dan een A4’tje”. In niet-kooisystemen beschikt elke legkip over minimaal 1.111 vierkante centimeter en een derde van de staloppervlakte moet uit strooisel bestaan. Voor de duidelijkheid: bij het onderzoek was geen enkel bedrijf met vrije buitenuitloop voor de kippen betrokken.

Rodenburg vindt het jammer dat de vogelgriepdreiging van vorig jaar verhinderde dat nog meer kippenbedrijven onderzocht werden. Maar twijfelen aan de representativiteit van de onderzoeksresultaten doet hij niet: “Het gaat tenslotte over één van de meest uitvoerige studies die tot hiertoe uitgevoerd werden binnen dit domein. We bereiden trouwens de publicatie van de studie voor in het Britse wetenschappelijke tijdschrift Animal Welfare”, luidt het. Ieder bedrijf werd gedurende anderhalve dag gewikt en gewogen: pluimveehouders werden geïnterviewd en overal werden monsters genomen van voeder en mest. Stofmetingen werden uitgevoerd, er werden valletjes uitgezet voor bloedluizen en van op vier verschillende plaatsen in elke stal werd het gedrag van de dieren geduldig geobserveerd. Kippen werden lijfelijk onderzocht op veerschade en botbreuken. Tot slot werden op elk deelnemend bedrijf vijftien dieren afgemaakt en onderworpen aan laboratoriumtesten. Meer dierenwelzijn vergt soms wat extra dierenleed.

Wikken en wegen De staafdiagram die in het eindrapport de algemene welzijnsscore aangeeft, is opvallend: de niet-kooisystemen krijgen een positieve score, terwijl het staafje van de verrijkte kooi onder de x-as bengelt. Rodenburg haast zich om dat beeld te nuanceren: “Niet-kooisystemen scoren wel degelijk beter op het vlak van kippenwelzijn, maar het is evengoed duidelijk dat beide technieken zowel voor- als nadelen hebben”. Legkippen die vrij kunnen rondscharrelen, gaan actiever op zoek naar voedsel, gebruiken ook vaker de zitstokken. Dat scharrelkippen meer kansen krijgen om natuurlijk gedrag te vertonen, is geen wereldschokkend nieuws. Interessant om weten is dat de dieren zich daardoor blijkbaar wel beter in hun vel voelen. Zo bleek tenminste uit angsttesten. Daarbij worden kippen plat op hun rug gelegd. Dieren die zich kiplekker voelen, springen meteen recht terwijl angstige soortgenoten voor dood blijven liggen.

Maar niet alle welzijnsindicatoren draaien uit in het nadeel van verrijkte kooien. Hoewel er geen significante verschillen werden vastgesteld op het vlak van verenpikkerij en kannibalisme, valt te vrezen dat het fenomeen toch meer voorkomt in niet-kooisystemen. Daar is de uitval immers hoger, mogelijk als gevolg van de hogere sociale interactie tussen de dieren. “Aan dode kippen kan je nu eenmaal niet vragen wat hun precieze doodsoorzaak was”, drukt Rodenburg het plastisch uit. Een erg opmerkelijk verschijnsel zijn de botbreuken. In de verrijkte kooien krijgt zestig procent van de kippen ermee te maken, in niet-kooisystemen loopt dat percentage op tot tachtig à negentig procent. Ook al beschikken de kippen in niet-kooisystemen over sterkere vleugel- en borstbeenderen. “Het gaat vooral om eenvoudige, en dus niet zozeer om meervoudige breuken. Maar het is wel een probleem waar de komende jaren hard moet aan gewerkt worden, zowel in verrijkte kooien als niet-kooisystemen”. Verder blijkt de stofconcentratie in niet-kooisystemen een stuk hoger te zijn. Mogelijk is dit voornamelijk een probleem voor het welzijn van de pluimveehouders aangezien kippen ademen met luchtzakken. “Die worden toch een stuk robuuster geacht dan onze longen”.

Wat de hygiëne betreft, bleek uit onderzoek op het Proefbedrijf voor de Veehouderij in Geel dat in niet-kooisystemen meer aërobe kiemen in de stallucht en op de eischaal voorkomen. Dat er een groter gevaar is op een salmonellabesmetting van eieren uit volièresystemen blijkt niet te kloppen. “De salmonellabacterie maakt deel uit van Enterobacteriaceae, en die komen evenveel voor in verrijkte kooien”, legt Rodenburg uit. De hogere bacteriologische belasting van niet-kooisystemen hoeft ook het bedrijfsmanagement niet in gevaar te brengen: een goede reiniging en vooral desinfectie doen wonderen.

De ondernemer beslist. Op de vraag welke conclusie de Belgische beleidsmakers nu moeten trekken uit het onderzoek, komt Rodenburg verrassend uit de hoek: “Ik stel me eigenlijk de vraag of het verstandig is om vanuit politieke hoek strengere normen op te leggen. De transitie naar diervriendelijkere systemen in Nederland is geen uitvinding van Den Haag. Die is er gekomen onder druk van de publieke opinie en grootwarenhuizen. Albert Heijn heeft destijds als eerste kooi-eieren uit de rekken genomen en alle andere supermarkten hebben dat voorbeeld gevolgd. Zelfs in de detailhandel kan je hier nauwelijks nog batterijeieren vinden. Nog belangrijker was de vraag naar diervriendelijke eieren voor de versmarkt vanuit Duitsland. Vergeet niet dat Nederland tachtig procent van zijn eieren voor de versmarkt kwijtraakt op de Duitse markt. De kippenboeren hebben hun aanbod naadloos afgestemd op de marktvraag”. Hebben de prijsgevoelige Nederlanders en Duitsers de duurdere scharreleieren dan zomaar geslikt? “Eieren zijn heel goedkoop, en dus was er geen gemor. Maar als het om kippenvlees gaat, kiezen de consumenten hier resoluut voor de kiloknallers”.

Nog veertig procent van het totaal aantal eieren in Nederland wordt geproduceerd in kooisystemen. Die zijn hoofdzakelijk bestemd voor industriële brekerijen die de eieren als goedkope grondstof gebruiken voor allerlei bereidingen. In ons land wordt een veel groter aandeel van de geproduceerde eieren verkocht aan brekerijen, waardoor er voor kippenboeren minder incentives zijn om de overstap naar niet-kooisystemen te maken. Voorlopig hebben Lidl, Colruyt, Makro en sinds vandaag ook Delhaize de batterijeieren uit hun rayons gebannen. “Ik heb gemerkt dat voedselveiligheid in Vlaanderen een belangrijker issue is dan dierenwelzijn. Bij ons ligt dat toch enigszins anders”, stelt Rodenburg. En dan is er ook nog de relatief hoge gemiddelde leeftijd van de leghennenhouders in onze regio. Ook die factor helpt verklaren waarom de sector zich ingraaft in defensieve stellingen wanneer het welzijnsdebat ter sprake komt, terwijl in de braadkippensector meer dynamiek aanwezig is. “In Nederland is dat precies omgekeerd”, aldus Rodenburg.

Wat moeten we aan het eind van het verhaal dan vooral onthouden? “Heel belangrijk is dat we het fenomeen van de botbreuken in kaart gebracht hebben. De verrijkte kooien kunnen een stuk diervriendelijker worden door de legkippen in grotere groepen te houden en door de kooihoogte wat te verhogen, zoals in Duitsland gebeurt. Voor niet-kooisystemen ligt het voor de hand om te onderzoeken of systemen met vrije of overdekte uitloop minder stof opleveren. Ik ben alvast benieuwd naar de manier waarop de Belgische beleidsmakers zullen omspringen met de onderzoeksresultaten”. Intussen is Rodenburg alweer een tijdje aan de slag in Wageningen. Daar probeert hij door groepsselectie rassen te fokken met diervriendelijke karaktertrekken. Deze dieren mogen bovendien opgroeien aan de zijde van de moederkip, zodat ze sociaal gedrag ook aanleren en zich niet langer bezondigen aan kannibalisme. Noem het gewoon inburgering.
 

test

Volg VILT ook via