nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Boeren realiseren zich nog veel te weinig het gevaar"
22.02.2010  Walter Steurbaut - Vakgroep Gewasbescherming UGent

Gent is het kloppend hart van het onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen. De vakgroep Gewasbescherming van de Gentse universiteit geniet niet alleen in eigen land, maar ook ver daar buiten van een uitstekende reputatie. De impact van gewasbeschermingsmiddelen op voeding en milieu is sterk verbeterd, maar de risico’s voor de boer en zijn directe omgeving is één van de hot topics waarover het team van professor Walter Steurbaut en zijn assistent doctor Pieter Spanoghe zich in de nabije toekomst wil buigen.

Van waar komt de unieke positie van de vakgroep Gewasbescherming van de Gentse Universiteit?
Onze vakgroep is opgebouwd uit vier delen: het Labo Agrozoölogie dat onderzoek doet naar insecten en nematoden, het Labo Fytopathologie dat zich concentreert op schimmels en virussen en het geassocieerde Labo Herbologie dat onkruiden bestudeert. Tot slot is er de scheikundige poot, het Labo Fytofarmacie. Dat focust zich letterlijk vertaald op ‘de geneesmiddelen van de planten’ oftewel de bestrijdingsmiddelen. Op geen enkele andere plaats in België – en misschien zelfs in Europa – gebeurt op zo’n gestructureerde manier onderzoek als dat hier het geval is. Ter vergelijking: Onze vakgroep stelt 70 mensen tewerk, aan de universiteit van Leuven is dit veel minder en sterk afgebouwd omdat men zich daar misschien wel te veel heeft gericht op alternatieven als genetische manipulatie. Maar hoe je het ook draait of keert, chemische middelen blijven belangrijk. Spijtig genoeg, want ik ben de eerste om te pleiten tegen het gebruik ervan.

Op welke manier krijgt u uw opdrachten?
Pakweg 15 jaar geleden werkten wij nog mee aan de ontwikkeling van potentieel nieuwe sproeistoffen. Nu doen fytobedrijven dit uitsluitend zelf en houden wij ons vooral bezig met het efficiënter maken van de bestaande sproeistoffen en met het meten van de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op mens en milieu. Voor ongeveer een derde van ons onderzoek werken wij in opdracht van de overheid. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een onderzoek naar driftreductie. Soms krijgen we ook nog opdrachten van de industrie, maar ongeveer de helft van ons onderzoek zijn wetenschappelijke projecten die worden ingediend bij de Vlaamse, federale of Europese overheid. Zo loopt er momenteel een project over verantwoord gebruik van bestrijdingsmiddelen buiten de landbouw. Het is vooral de bedoeling om groendiensten en particulieren te kunnen sensibiliseren.

Is het onderzoek van de vakgroep geen ver-van-mijn-bed-show voor landbouwers?
Er bestaat onderzoek op drie niveaus: academisch onderzoek, toegepast onderzoek en onderzoek bij praktijkcentra zoals proeftuinen. Wij houden ons bezig met het academische onderzoek, maar we proberen altijd samen te werken met de andere niveaus. Fondsen worden trouwens enkel toegekend als onderzoeksprojecten worden gesteund door de praktijk. Zo ontwikkelden we samen met de provincie Oost-Vlaanderen en zijn proefcentra PCS en PCG de fytobak, een installatie die het water dat overblijft na het reinigen of het spoelen van een spuittoestel moet zuiveren. Binnenkort zullen heel wat landbouwers zo’n biofiltersysteem op hun bedrijf hebben.

Heeft uw onderzoek het verbruik van gewasbeschermingsmiddelen positief kunnen beïnvloeden?
Het verbruik in België blijft vrij stabiel rond de 10.000 ton per jaar liggen. Daarvan wordt ongeveer 60 pct gebruikt door de land- en tuinbouw. Dit bewijst het blijvend belang van bestrijdingsmiddelen voor de sector. Naar impact kunnen we wel positieve resultaten voorleggen. De schadelijkheid van gewasbeschermingsmiddelen hebben we met zo’n 50 procent kunnen terugdringen. Dit komt doordat er alsmaar betere middelen worden ontwikkeld. Ook de verplichte controle op spuittoestellen heeft een positieve invloed gehad. Tot slot speelt het toenemend belang van labeling een rol. Labels zoals Flandria die strenge normen voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen opleggen, hebben zeker een daling van de impact mee in de hand gewerkt.

Tussen 1991 en nu werd het aantal bestrijdingsmiddelen teruggedrongen van een kleine 1.000 naar zo’n 100-tal. Heeft dit de impact verder doen dalen?
Jazeker. Het is normaal dat het grote gamma gewasbeschermingsmiddelen van begin jaren ’90 werd ingeperkt. Nu nog worden middelen verboden omdat de normen steeds strenger worden. Maar we moeten ons ook bewust zijn dat deze inperking gevaar inhoudt. De kans dat er resistentie tegen gewasbeschermingsmiddelen optreedt, wordt steeds groter. Neem bijvoorbeeld de herbiciden. Tot tien jaar geleden bestonden er tientallen herbiciden, nu blijven er nog maar een paar over. Het belangrijkste daarvan is glyfosaat, beter bekend onder de merknaam ‘Round Up’. We zien nu al dat resistentie van planten tegen glyfosaat massaal de kop opsteekt.

Kunnen ggo’s gewasbeschermingsmiddelen op termijn vervangen?
Ik geloof niet in de of/of-benadering. Het verschil tussen ggo’s en gewasbeschermingsmiddelen is de plaats waar het gif – want dat is een pesticide uiteindelijk – inwerkt. Bij ggo’s wordt de plant een fabriek van het gif, terwijl bij gewasbeschermingsmiddelen het gif op de plant wordt gespoten. Voor een aantal problemen kunnen ggo’s een oplossing zijn, maar zeker niet voor allemaal. We moeten er ons van bewust zijn dat er ook bij sommige ggo’s al resistentie opduikt. Beiden hebben dus bestaansrecht.

Ongeveer een jaar geleden bereikte het Europees parlement een akkoord over de bijsturing van het gewasbeschermingsmiddelenbeleid. Landbouworganisaties vreesden dat de middelen voor grote teelten duurder zouden worden en dat het onderzoek naar gewasbeschermingsmiddelen voor kleine teelten zou stilvallen. Is deze vrees terecht?
De kritiek van de industrie en landbouworganisaties was wel gegrond, maar blijkt achteraf overdreven. Maar ik wil benadrukken dat de overheid zich in dat kader zeer positief en constructief opstelt. Het gebruikt zelfs de middelen uit het grondstoffenfonds, een fonds dat door de industrie gespekt wordt, om de lacunes in het onderzoek op te vullen. Zo zullen gewasbeschermingsmiddelenproducenten geen nieuwe sproeistoffen meer ontwikkelen voor asperges, daarvoor is de teelt te klein. Dit fonds laat bijvoorbeeld proefstations toe om die rol over te nemen en op zoek te gaan naar nieuwe gewasbeschermingsmiddelen voor kleine teelten. Natuurlijk duikt ook hier weer de resistentieproblematiek op. Voor die kleine teelten zullen maar één of een paar gewasbeschermingsmiddelen meer overblijven. De situatie is dus niet dramatisch, maar hier en daar toch wel problematisch.

Hebt u uw onderzoek ook moeten bijsturen?
Voor onze vakgroep heeft de wijziging van het EU-beleid niet echt implicaties. Het enige onderzoek dat wij in het kader van die Europese bijsturing hebben gedaan, is op eigen initiatief een simulatie op vlak van impact: welke impactdaling is er waar te nemen op mens en milieu als dat of dat middel uit het gamma wordt gehaald?

Worden er nog vaak residu’s van gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in voeding?
Voor dit onderzoek wens ik te verwijzen naar het werk van ons spin-offbedrijf Fytolab. Zij stellen nog wel overschrijdingen vast, maar in afnemende mate. De norm die bij residu’s wordt gehanteerd is daarenboven geen gezondheidsnorm. Bij kritische overschrijdingen gaat de FOD Volksgezondheid na of die schadelijk zijn voor de mens. We kunnen er dus van uit gaan dat ons voedsel veilig is. Wat wel een hot topic is, is niet de voedingsblootstelling maar de blootstelling bij de toepassing. Daar is in ons land nog te weinig onderzoek naar verricht.

U bedoelt daarmee de veiligheid van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor land- en tuinbouwers zelf?
Inderdaad. In de Verenigde Staten hebben studies aangetoond dat de gebruiker, dus de landbouwer die zijn gewassen bespuit of de loonsproeier, het grootste risico loopt. Ook in Europa bestaat er onderzoek dat indicatief is op dat vlak. Boeren worden nog veel te weinig gesensibiliseerd over deze problematiek. Zo kan de blootstelling al met negentig procent worden teruggedrongen als de landbouwer handschoenen draagt tijdens de sproeiwerkzaamheden.

Is het dan zo erg gesteld?
Bedenk het volgend tafereel maar eens: Een boer die zijn velden besproeid heeft, komt naar huis met zijn vuile kleren. Zijn vrouw stopt zijn kledij in de wasmachine bij de kleren van de kinderen. De muts die de boer op het veld aanhad, legt hij naast zijn kop koffie. De laarzen van de man hangen vol aarde, daar valt stof af waarin de kinderen al kruipend over de vloer spelen. In welke mate wordt dit gezin blootgesteld aan gewasbeschermingsmiddelen, ook wel de ‘take home exposure’ genoemd? Je zou denken dat dit allemaal wel meevalt, maar het gaat hier niet om een eenmalige blootstelling. Een landbouwer moet soms meerdere malen per week bijna dagelijks zijn gewassen behandelen met chemische middelen. Wij hebben een projectaanvraag ingediend bij de overheid om hierover grootschalig onderzoek in België te verrichten. Het is nog afwachten of we de nodige financiële middelen voor het onderzoek kunnen binnenrijven. Maar het zijn natuurlijk niet alleen de landbouwer en zijn gezin die worden blootgesteld.

Hoe bedoel je?
Wat met arbeiders die tijdens de oogst of na de oogst in contact komen met de gewassen, zoals fruitplukkers die hele weken tussen de besproeide fruitbomen vertoeven? Wat met fietsers of voetgangers die toevallig langskomen als de boer zijn velden besproeit en de nevel die uit het spuittoestel komt inademen? Wat met mensen die in de omgeving van velden wonen? In Groot-Brittannië heeft een recente gerechtelijke uitspraak voor heel wat ophef gezorgd. Een vrouw, Georgina Downs genaamd, heeft er een proces aangespannen tegen de staat omdat haar vader is gestorven aan kanker. Volgens haar kwam dit door jarenlange blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in zijn omgeving. De man woonde te midden van de velden. Ze heeft dit proces in eerste aanleg gewonnen, want de rechter oordeelde dat de wetgeving onvoldoende de omwonenden beschermt. Ondertussen is de staat tegen de uitspraak in beroep gegaan, maar dit kan heel de Europese wetgeving inzake gewasbeschermingsmiddelen op de helling plaatsen. Ik ben lid van de European Food Safety Agency (EFSA) en daar is men sterk ongerust. Met onze vakgroep hebben wij bij Europa een project ingediend om het probleem wetenschappelijk te benaderen. Het is de bedoeling om alle blootstellingen aan gewasbeschermingsmiddelen in ruraal gebied onder de loep te nemen.

Zijn er nog andere belangrijke uitdagingen die op ons af komen?
We zijn van plan om ook de interactie tussen chemische middelen te onderzoeken: de gecumuleerde en de geaggregeerd blootstelling. Als je een appel opeet die behandeld is met insecticide en vervolgens verorber je groenten met fungiciden en aardappelen die met nog andere middelen een behandeling kregen, dan wordt de kans op nadelige effecten van deze gecombineerde opname uiteraard groter. Dit noemt men het risico van een gecumuleerd gebruik. Onder het risico van een geaggregeerd gebruik verstaan we de optelling van verschillende manieren van blootstelling: je eet een appel die behandeld werd, je komt in contact met het middel dat je in de slaapkamer spuit om muggen te doden en vervolgens word je blootgesteld aan het antiluizenproduct waarmee je de hond behandelt. Deze beide vormen zijn nog onvoldoende onderzocht om er zeker van te zijn dat het ongevaarlijk is. Ook op vlak van puntlozingen kunnen we nog heel wat vooruitgang boeken. Stel dat een landbouwer bij het openen van een verpakking van sproeistof het stukje folie dat de bus hermetisch moet afsluiten, er af haalt en weggooit. Als dit in de beek terechtkomt, dan kan al één gram van het gewasbeschermingsmiddel op dit stukje verpakking de beek volgens de Europese normen contamineren over tien kilometer. De verontreiniging van ons oppervlaktewater kan dus sterk worden ingeperkt als we de puntlozingen kunnen terugschroeven. Maar we moeten niet alleen de boer met de vinger wijzen. De puntlozingen bij particulier gebruik zijn veel groter. Boeren springen veel zorgvuldiger om met sproeistoffen dan particulieren en ze zullen nooit overdoseren want daarvoor zijn de gewasbeschermingsmiddelen te duur. Sensibilisering van boer en burger hierover is een belangrijk aandachtspunt. Zoals je merkt, we hebben dus nog heel wat werk voor de boeg.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via