nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

"Wanneer is een huisvestingssysteem onacceptabel?"
26.09.2011  Welzijn van dieren onder de loep van de wetenschap

Dierenwelzijn van landbouwdieren staat opnieuw in de kijker omdat er nieuwe Europese wetgeving inzake huisvestingssystemen in voege treedt. Precies die huisvestingssystemen, hun werkbaarheid en hun effecten op de gezondheid en het welzijn van het dier, zijn het voorwerp van heel wat wetenschappelijk onderzoek, ook op ILVO. Het Instituut voor landbouw- en visserijonderzoek compileert de (voorlopige) resultaten van het onderzoek tijdens twee studiedagen: één rond kleinvee, en één betreffende melkvee en varkens. In deze geVILT zoemt dierenwelzijnspecialist Frank Tuyttens in op de kippen en hun al dan niet verbeterde leefomgeving.

Europese regelgeving verbiedt de klassieke legbatterijen vanaf 1 januari 2012. Welke huisvestingssytemen laat Europa wel toe?
Tuyttens: Legbatterijen die groepjes van drie tot vijf hennen huisvesten in een kleine kale kooi met minimum 550 cm² ruimte per hen, behoren vanaf 2012 tot het verleden. In de plaats komen een aantal alternatieve kooisystemen die van buiten uit bediend worden zonder dat de verzorger in de leefomgeving van de dieren komt. Ook niet-kooisystemen, waar de verzorger de leefomgeving van de hennen wel betreedt, zijn mogelijk.

In alternatieve kooisystemen, beter bekend als de ‘verrijkte kooien’, worden hennen in grotere groepen gehuisvest (5 tot 100 hennen) en is er meer ruimte per hen (minimum 750 cm² per hen) dan in legbatterijen. Het woord ‘verrijkt’ slaat op de verplichting om de kooi uit te rusten met een zitstok, legnest en scharrelmogelijkheid.

legkippena.jpgIn sommige lidstaten of distributiekanalen worden er bijkomende eisen gesteld naar totale oppervlakte van de kooi (minimum 25.000 cm²), kooihoogte (minimum 50cm) en zitstokken (minimaal twee op verschillende hoogte). Men spreekt dan over kleinvolières of koloniehuisvesting. Eieren afkomstig van (oude) legbatterijen, van verrijkte kooien en van kleinvolières worden allemaal onder code 3 vermarkt als zogenaamde kooi-eieren. Enkel eieren afkomstig van een niet-kooisysteem kunnen vermarkt worden onder een andere code. Dit vormt een mogelijk knelpunt voor de vermarkting en de eventuele meerprijs.

Niet-kooisystemen kan je onderverdelen in systemen van grondhuisvesting (waarbij naast het grondniveau maximaal één verhoogd platform aanwezig is voor bijvoorbeeld drink- en voedervoorzieningen) en volières (waarbij meerdere plateaus ter beschikking zijn). Eieren uit deze systemen krijgen code 2 (scharreleieren) als er geen buitenbeloop is, code 1 (vrije-uitloop eieren), of code 0 (biologische eieren) als er aan de bijkomende voorwaarden voor biologische productie is voldaan.

ILVO volgt hoe de omschakeling in de leghennenhouderij gebeurt. Anderzijds maken we ook een kritische evaluatie van de alternatieve systemen, en proberen we de beoogde welzijnsverbetering voor de leghennen te objectiveren.

Welk nieuw huisvestingssysteem is volgens de wetenschappers het ‘beste’?
Dat hangt ervan af waar je naar kijkt. Onderzoek naar dierenwelzijn is een relatief jonge wetenschappelijke discipline. De specialisten komen soms tot tegenstrijdige conclusies omdat de definitie van dierenwelzijn, en dus ook de manier om die te meten, verschilt. Beschouw je een goede gezondheid als het belangrijkste voor het welzijn van een dier dan zouden niet-kooisystemen - zeker in combinatie met buitenloop - minder diervriendelijk scoren dan kooisystemen. De kans dat een legkip sterft of ziek wordt, is groter in niet-kooisystemen. Indien vooral belang wordt gehecht aan het uiten van natuurlijk gedrag, dan bieden niet-kooisystemen met uitloop juist de meeste voordelen.

Het probleem is dus dat dierenwelzijn geen eenduidig begrip is. Wetenschappelijk onderzoek kan objectief vaststellen hoeveel procent van de hennen bijvoorbeeld vederschade vertonen ten gevolge van verenpikken. Maar welke aspecten je allemaal moet meten en hoe zwaar hun invloed is of moet zijn, om een totaalbeeld van welzijn te krijgen, dat is subjectiever. Het gevolg is dat een wetenschapper zijn invulling van het begrip dierenwelzijn niet kan opdringen aan anderen.

legkipa.jpgSterker: de geloofwaardigheid van dierenwelzijnonderzoek kan afhangen van de mate waarin de maatschappij jouw wetenschappelijke vertaling van dierenwelzijn juist en volledig vindt. Samen met de vakgroep Landbouweconomie van de Universiteit Gent, hebben we daarom onderzocht welke aspecten van dierenwelzijn de Vlaamse landbouwer en burger belangrijk vinden. Beiden plaatsen een goede gezondheid boven het gedrag, bij het bepalen van welzijn van landbouwdieren.

Op ILVO en in andere onderzoeksinstellingen zijn vergelijkende studies voor de leghennenhuisvesting uitgevoerd waarbij verschillende aspecten van welzijn werden gemeten. De samengevoegde resultaten van al die metingen leverden zelden een statistisch significant verschil. De ene indicator van welzijn lijkt de andere te compenseren in de totale evaluatie. Ten tweede is er in de praktijk een grote variatie tussen bedrijven met eenzelfde huisvestingssysteem. Dat valt het meeste op bij de niet-kooisystemen.

Ik zie persoonlijk het meest potentieel voor een goed dierenwelzijn in niet-kooisystemen, en in het bijzonder deze met een buitenloop. Maar in de praktijk zie ik dat theoretisch potentieel niet altijd terugkomen. Zo zijn de risico’s op verspreiding van infecties of schade ten gevolge van verenpikken of kannibalisme minder makkelijk te controleren. Een systeem van huisvesting staat dus zelden garant voor een bepaald niveau van dierenwelzijn. Met name bij complexere huisvestingssystemen wordt de mate van dierenwelzijn bepaald door een veelheid van interacties tussen de dieren, de verzorger, de bedrijfsvoering en de huisvesting.

Voor welke huisvestingssystemen kiezen de Vlaamse leghennenhouders? 
ILVO heeft daar vorig jaar statistische gegevens over verzameld. In 2010 kwamen alternatieve kooisystemen (verrijkte kooi of kleinvolière) nauwelijks voor in Vlaanderen. Het meest populaire alternatieve systeem was de grondhuisvesting (33% van de stallen, 15% van de hennen), gevolgd door de volière (10% van de stallen, 15% van de hennen).

scharrelkip1.jpgIn 2010 was de batterijkooi nog steeds het meest populaire huisvestingssysteem in Vlaanderen (56% van de stallen, 67% van de hennen). Een kwart van de leghennenhouders met batterijkooien had gedetailleerde plannen om tegen 2012 om te schakelen naar een alternatief systeem. De meesten opteren voor volière (55% van de stallen), gevolgd door kleinvolière (29% van de stallen) en verrijkte kooien (11% van de stallen), terwijl grondhuisvesting (5% van de stallen) sterk aan populariteit zal inboeten. Een deel van de leghennenhouders stelt de omschakeling zo lang mogelijk uit om financiële redenen en veel oudere landbouwers zullen de investering niet meer doen.

Met uitzondering van het aspect dierenwelzijn, was de opinie van de leghennenhouders over de alternatieve niet-kooisystemen negatiever dan over batterijkooien. Deze negatieve opvatting baart me zorgen omdat zeker voor niet-kooisystemen een goede bedrijfsvoering cruciaal is om goede resultaten te behalen, zowel wat productie betreft als qua dierenwelzijn. De impact van de persoonlijkheid, vakkennis en attitude van de leghennenhouder op de bedrijfsvoering wordt onderschat. Wie al alternatieve systemen van huisvesting toepaste, gaf aan daar redelijk tevreden over te zijn. De meeste bedenkingen hadden ze bij de aspecten ‘arbeid’ en ‘diergezondheid’.

Europa paste vanaf 1 juli 2010 ook de maximale bezettingsdichtheid aan voor vleeskippen. En op nationaal niveau neemt men een initiatief om dierenwelzijnsnormen voor konijnen bij wet vast te leggen. Toch duikt ook daar kritiek op als zouden de dieren op grote bedrijven niet echt diervriendelijk worden grootgebracht. Klopt dat?
Hoeveel plaats hoort een kip en een konijn te hebben om te kunnen spreken van diervriendelijke vetmesting? Opnieuw is de wetenschappelijke literatuur het daar niet over eens. Wij hebben onlangs via doctoraatsonderzoek experimenten uitgevoerd. Een hogere bezettingsdichtheid bij vleeskippen bleek inderdaad samen te gaan met meer gezondheids- en gedragsproblemen. De geteste kippen waren ook bereid om relatief hard te werken voor meer plaats dan de huidige maximumnorm (42 kg/m2). Wij concludeerden daaruit dat zij zelf veel waarde hechten aan meer ruimte. Bij de konijnen waren de effecten van een hogere bezettingsdichtheid op gezondheid en gedrag beperkter. Maar we zagen wel dat de konijnen zelfs in de allergrootste hokken elkaar nog bleven ontwijken. Uit dat verspreidingspatroon leidden we af dat ze meer ruimte prefereerden.

braadkippen1.jpgDe discussie over meer bewegingsruimte voor een dier kristalliseert in feite in de vraag: “Wanneer vind je een huisvestingssysteem onacceptabel?”. Is een hok pas te vol en dus onacceptabel als er verhoogde sterftes of productieverliezen optreden? Of als dieren hun natuurlijk gedrag niet meer kunnen vertonen, of als ze zich abnormaal gaan gedragen? Dat is alweer een maatschappelijke kwestie. Onze proeven met konijnen toonden wel dat de dieren meer ruimte apprecieerden, maar bewezen geen duidelijke gezondheidswinst of gedragsverbetering in vergelijking met de dieren die in het kleinere hok moesten blijven.

Ik vergelijk de discussie met gezondheidskwesties in de humane sector, of met beleid in het algemeen. Een onderzoeker kan je vertellen hoeveel stofdeeltjes er langs de snelweg in de lucht hangen, maar het zijn uiteindelijk de beleidsmakers die besluiten of er in dat gebied huizen mogen worden gebouwd, en waar de drempel voor gezondheidsgevaar overschreden wordt.

Ligt de consument wakker van het welzijn van landbouwdieren ?
Volgens verschillende Europese en Vlaamse enquêtes hecht een aanzienlijk, en vermoedelijk ook toenemend, aantal mensen hier wel degelijk belang aan. Dit is een signaal naar de dierlijke sector, maar anderzijds dient men deze bezorgdheid ook te relativeren. Gemiddeld wordt dierenwelzijn als minder belangrijk aanzien dan basisverwachtingen zoals gezondheid, betrouwbaarheid, kwaliteit en veiligheid van dierlijke producten.

Bovendien vertaalt deze zelf-gerapporteerde bezorgdheid over dierenwelzijn zich niet duidelijk in het aankoopgedrag van de consument. Men laat dan toch weer prijs voorgaan in zijn keuze. Al moet ter verdediging van de consument gezegd worden dat diervriendelijke producten soms moeilijk te verkrijgen of te herkennen zijn en de informatie op etiketten weinig betrouwbaar is om iets te vernemen over de werkelijke staat van dierenwelzijn.

Schrijf hier in voor de ILVO-studiedagen over dierenwelzijn op 29 september en 12 oktober.

Bron: |

Beeld: Proefbedrijf Pluimveehouderij

In samenwerking met: ILVO

Volg VILT ook via