nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

27.05.2019 Aantal voorwaarden voor VLIF-steun worden versoepeld

Wanneer landbouwers investeringssteun van het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) ontvangen, dan zijn daar een hele reeks voorwaarden aan verbonden. Eén van die voorwaarden bepaalt dat de omzet uit niet-landbouwactiviteiten maximaal 5.580 euro mag bedragen. Die voorwaarde wordt nu versoepeld tot maximaal tien procent van de totale omzet. Daarnaast wordt het ook mogelijk om producten van collega-landbouwers te verwerken met materiaal waarvoor een landbouwer VLIF-steun kreeg. Dat laat adviesbureau SBB weten.

Voor land- en tuinbouwers die vandaag investeringssteun ontvangen, kunnen deze versoepelingen op het terrein een groot verschil maken. Vooral voor verbrede bedrijven komen er extra mogelijkheden. Denk bijvoorbeeld aan een melkveebedrijf dat een ijssalon bouwde met VLIF-steun. Tot voor kort mocht dit maximaal 5.580 euro omzet halen uit drankenverkoop, nu gaat het dus om tien procent van de omzet. Hetzelfde geldt voor een tuinbouwer die in een hoevewinkel, kraam of automaat naast zijn eigen groenten ook niet-landbouwproducten zoals koekjes, alcoholische dranken,… aanbiedt. Voortaan kan het ook hier gaan om maximaal tien procent van de omzet.

Maar ook voor niet-verbrede landbouwbedrijven kan deze versoepeling een verschil betekenen. Wanneer een akkerbouwer zijn machines bijvoorbeeld ten dienste stelt van de gemeente of andere openbare diensten, is de omzet daaruit niet langer begrensd op 5.580 euro. Voortaan gaat het om tien procent van de totaalomzet van een VLIF-gerechtigd bedrijf. Ook huurinkomsten worden door VLIF beschouwd als niet-landbouwinkomsten. Wanneer een varkenshouder bijvoorbeeld een stal wil verhuren, dan zijn die huurinkomsten niet langer gelimiteerd tot 5.580 euro.

Een tweede versoepeling gaat om het gebruik van niet zelf geteelde of gekweekte landbouwproducten in gebouwen of met machines waarvoor de landbouwer VLIF-steun heeft gekregen. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een verwerkeringslokaal, maar ook een frigo, een ijsmachine of een pasteurisator. Vroeger verplichtte VLIF dat het ging om verwerking of bewerking van hoofdingrediënten uit het eigen landbouwbedrijf. “Sinds kort is het toegelaten dat 25 procent van de hoofdingrediënten afkomstig zijn uit de korte keten, dus van bij collega-landbouwers uit de buurt”, stelt SBB.

Stel dat een fruitteler VLIF-steun heeft gekregen op een persinstallatie om zijn fruit tot sappen te verwerken. Vanaf nu is het toegestaan om tot 25 procent kersen van een landbouwer-buur mee te persen. “De VLIF-administratie trekt die lijn ook door voor de hoofdingrediënten van kaas, boter, yoghurt, vlees, meelproducten, bereidingen van groenten, ijs, confituur, brood en gebak, enz. Ook voor die producten mag men tot 25 procent van de hoofdingrediënten halen bij een collega-landbouwer zonder dat het landbouwbedrijf dat de investeringssteun kreeg, bang moet zijn om die steun te verliezen”, klinkt het.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via