nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

06.02.2018 Achterstand rampenfonds in Oost-Vlaanderen het grootst

Al 1.338 dagen wachten Oost-Vlaamse land- en tuinbouwers op een tussenkomst van het rampenfonds nadat de Pinksterstorm van juni 2014 heel wat vernielingen aanbrachten in grote delen van Vlaanderen. Naar schatting gaat het om zo’n 3.000 dossiers in Oost-Vlaanderen alleen al die op afhandeling wachten. Volgens de arrondissementscoördinator van het rampenfonds heeft de dienst te kampen met personeelsgebrek, maar ook het feit dat dossiers vaak onvolledig zijn zorgt voor vertragingen.

Het Nieuwsblad trok naar enkele getroffen tuinbouwers uit Oost-Vlaanderen om te horen hoe het hen vergaat nadat grote hagelbollen hun serres vernielden. “Al mijn serres waren kapot”, getuigt sierteelster Vanessa Braeckman. “Die uit glas waren gelukkig verzekerd, daar zag ik al centen van, maar voor die uit plastic was er geen verzekering. De schade bedroeg 32.000 euro. Dat dossier ligt bij het rampenfonds, nog steeds. De aannemer die vier jaar geleden een offerte maakte, zal het vast en zeker niet meer voor die prijs kunnen doen.”

Ook een andere tuinbouwer die liever anoniem wil blijven, getuigt in de krant dat hij nog geen cent op zijn bankrekening zag verschijnen. “Hier was voor meer dan 100.000 euro schade. Geld dat ik zeer goed kan gebruiken. Veel van mijn collega’s die ook moesten wachten, zijn al van miserie gestopt. Er is me nu beloofd dat het snel in orde komt. Ik hoop het, want het heeft nu echt wel lang genoeg geduurd”, klinkt het.

De achterstand van het rampenfonds blijkt het grootst te zijn in Oost-Vlaanderen. Van de meer dan 6.000 ingediende dossiers is amper iets meer dan de helft afgewerkt. In West-Vlaanderen, waar het om een 1.400 dossiers ging, moeten er nog 50-tal afgehandeld worden. In Antwerpen gaat het om 375 onafgewerkte - vooral onvolledige – dossiers van de in totaal 3.250.

Dat het in Oost-Vlaanderen zo traag gaat, heeft volgens de arrondissementscoördinator van het rampenfonds Didier Detollenaere verschillende redenen. “We kregen eerst en vooral meer dossiers binnen dan de andere provincies samen. En in elk dossier kruipt veel werk. Eerst moet nagegaan worden of het dossier volledig is, daarna wordt een expert aangesteld die op plaatsbezoek moet gaan of het geval moet onderzoeken met foto’s. Hij maakt een raming, daarna maken wij een berekening en pas dan kan het dossier naar Brussel voor uitbetaling.”

Detollenaere wijst er ook op dat zijn dienst met personeelsgebrek kampte, en nog steeds kampt. “Toen de eerste dossiers binnen kwamen, had onze expert juist onze dienst verlaten voor een functie bij de gewestelijke dienst van Brussel. Zonder ervaring en met een tekort aan medewerkers moesten we starten. Nieuwe collega’s moeten zich eerst een paar maanden inwerken vooraleer ze volledig inzetbaar zijn. Bovendien was het moeilijk om personeel te vinden. Vandaag mogen we zeven man inzetten, maar onze dienst telt er maar vier. De selectieprocedure voor extra volk loopt, maar die neemt tijd in beslag”, luidt het.

Een ander probleem is het feit dat dossiers vaak onvolledig zijn. “Eén op drie onafgewerkte dossiers zit momenteel in de wacht omdat er documenten ontbreken. De mensen worden daarover aangeschreven, maar sommigen doen zelfs de moeite niet om te antwoorden, mogelijk omdat het maar om een klein bedrag gaat”, zegt Detollenaere. Wanneer alles afgewerkt raakt, hangt af van wanneer extra personeel beschikbaar is. “Als we snel medewerkers vinden en niemand valt ziek, dan nog dit jaar. Anders wordt het 2019.”

Bron: Het Nieuwsblad

Volg VILT ook via