nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

06.07.2017 Afloop neonicotinoïdenstudie verrast bijenexperten niet

Grootschalige veldproeven met koolzaad dat deels wel en deels niet een zaaizaadbehandeling met neonicotinoïden kreeg, bevestigen dat dit type insecticiden schadelijk is voor bijen. Opnieuw is de complexiteit van dit soort studies gebleken want het effect op honingbijen was negatief in Hongarije en het Verenigd Koninkrijk maar positief in Duitsland. Bijenexpertisecentrum Honeybee Valley neemt kennis van het in Science gepubliceerde onderzoek en verduidelijkt de bevindingen: “De geografische verschillen zijn te wijten aan een set niet nader gespecificeerde omgevingsfactoren.” Zelf kwam Honeybee Valley al tot de in wezen gelijkaardige vaststelling dat de veelheid aan stressoren bepalender is voor bijensterfte dan de aard van de stressfactor.

In de loop van het jaar wordt het lot van neonicotinoïden op Europees niveau definitief bezegeld. De Europese Commissie is een totaalverbod zinnens, met een beperkte uitzondering voor het gebruik in serreteelten. Het tijdelijk verbod op drie neonicotinoïden zal definitief worden, tenzij de fabrikanten met nieuwe onderzoeksresultaten kunnen aantonen dat deze insecticiden minder schadelijk zijn voor bijen dan momenteel gevreesd wordt. Een grotendeels door Bayer en Syngenta gefinancierde veldstudie, uitgevoerd in Duitsland, Hongarije en het Verenigd Koninkrijk, slaagt daar alvast niet in.

Gelet op de controverse rond het gebruik van neonicotinoïden heeft Honeybee Valley, het bijenexpertisecentrum onder leiding van professor Dirk de Graaf (UGent), de studie onder de loep genomen. De publicatie in het toonaangevend wetenschappelijk tijdschrift Science leert dat er inderdaad een negatief effect op honingbijen en wilde bijen is vastgesteld, maar het bleek geografisch verschillend. Honeybee Valley is daarover niet verbaasd: “Het bestuderen van het chronisch effect van neonicotinoïden blijkt voor wetenschappers een bijzonder moeilijke opgave. De studies van de afgelopen jaren evolueerden van een simpele labotest tot grootschalige veldstudies met honingbijen, hommels en solitaire bijen. Vaak worden tegenstrijdige resultaten bekomen zoals een ongelijk effect tussen gedomesticeerde en wilde bijensoorten.”

Voor de nieuwe veldstudie werden op 33 sites verspreid over het Verenigd Koninkrijk, Duitsland en Hongarije honingbijen, aardhommels en rosse metselbijen uitgezet in bloeiende koolzaadvelden. Sommige velden waren voor de zaai behandeld met clothianidin of thiamethoxam, andere niet maar allemaal werden ze gangbaar uitgebaat. Op vlak van bemesting en ziektebestrijding waren er geen verschillen. Voor honingbijen werd de impact van de behandeling nagegaan op de wintersterfte, het aantal werksters en het aantal broed- en voorraadcellen. Voor hommels gebeurde dit op koloniegewicht en reproductie, en voor metselbijen op het aantal gesloten broedcellen. Men testte ook op de aanwezigheid van neonicotinoïden in pollen.

Over de onderzoeksresultaten zegt Honeybee Valley: “Honingbijen deden het goed in Duitsland terwijl er 24 procent uitval van werksters werd geconstateerd in Hongarije als gevolg van de clothianidin-behandeling. Bij hommels en metselbijen zag men geen effect, hoewel hun reproductie negatief beïnvloed werd door de aanwezigheid van met neonicotinoïden gecontamineerde pollen in het nest. Tevens vond men sporen van imidacloprid, een neonicotinoïde dat niet tot de studiegroep behoorde en waarop momenteel een Europees verbod geldt voor gebruik in de koolzaadteelt.”

De Britse, Duitse en Hongaarse wetenschappers concluderen dat de overlevingskans van bijen negatief wordt beïnvloed door neonicotinoïden. De geografische verschillen zijn volgens hen te wijten aan ‘omgevingsfactoren’, zonder dat ze die verder specifiëren. Ze zeggen er meteen bij dat hun vaststellingen kunnen verklaren waarom oudere studies, die telkens maar in één land uitgevoerd werden, elkaar tegenspraken. Verder verklaren ze dat neonicotinoïden persistent aanwezig zijn in het agro-ecosysteem, weliswaar in zeer kleine hoeveelheden.

De in Science gepubliceerde bevindingen sluiten aan bij die van de Gentse bijenonderzoekers. Honeybee Valley toonde namelijk aan dat bijensterfte vooral afhangt van de veelheid aan stressoren waaraan kolonies zijn blootgesteld, en dat de aard van de stressor hierin minder bepalend is. Zo zal een pesticide schadelijker zijn als de bijen ondertussen hongerlijden of verschillende ziekten doormaken, en kunnen onder deze omstandigheden ongunstige weersomstandigheden of slechte imkertechnieken een even groot desastreus effect hebben.

Bron: Honeybee Valley / eigen verslaggeving

Volg VILT ook via