nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

12.04.2019 "Afrikaanse markt vraagt om betaalbaar melkpoeder"

Wrevel over de export van zuivel vanuit Europa naar West-Afrika deed een bijzonder bontgenootschap ontstaan tussen ngo’s, Afrikaanse melkveehouders en (een minderheid van) hun Europese collega’s die het ideeëngoed van de European Milk Board (EMB) genegen zijn. “Exporteer onze problemen niet”, klinkt het, waarbij ‘problemen’ slaat op overproductie en een te lage melkprijs. Het exportproduct dat ter discussie staat, is magere melkpoeder die gemengd wordt met plantaardige vetten zoals palmolie. “EMB wil terug naar het quotumtijdperk, maar in de jaren ’90 werd de afzet van 1 op 5 liter melk door Europa een handje geholpen met subsidies. Vandaag bestaan exportsubsidies niet langer en van dumping is er allerminst sprake”, reageert Renaat Debergh namens de Belgische zuivelindustrie (BCZ). Zowel de bevolking als de welvaart groeien in Afrika, maar niet iedereen kan zich volle melkpoeder permitteren zodat er vraag is naar de goedkopere variant.

Woensdag voerden drie Belgische ngo’s waaronder Oxfam, samen met West-Afrikaanse melkveehouders, actie in Brussel tegen het “desastreuse Europese melkbeleid”. Opvallend, zij kregen de steun van de European Milk Board (EMB), die solidair is met de collega-melkveehouders uit Afrika. Na het verdwijnen van het melkquotum in 2015 duurde het niet lang of EMB bepleitte een nieuwe vorm van aanbodbeheersing. Wat Europa naar verluidt niet moet doen om een zuivelcrisis te bezweren, is zuivel dumpen op de Afrikaanse markt.

“Dat gebeurt ook niet”, is Renaat Debergh stellig. De bestuurder van de Belgische Confederatie van de Zuivelindustrie (BCZ) begrijpt niet waar de actievoerders het halen dat de EU overproductie van melk en uitvoer van zuiveloverschotten subsidieert. “Sedert 2007 is er geen kilo melkpoeder, of eender welk ander zuivelproduct, meer uitgevoerd met subsidie”, aldus Debergh. Onder druk van de Wereldhandelsorganisatie heeft de EU zijn landbouwbeleid aangepast. Europa oriënteerde zijn landbouwbeleid op de markt. De steun aan landbouw werd gekoppeld aan grond en losgehaakt van productievolumes. Ngo’s zien er nog altijd exportsteun in omdat de inkomenssteun melkveehouders zou toelaten om artificieel goedkoop te produceren. Daar is Debergh het niet mee eens omdat tegenover de rechtstreekse steun in Europa strengere (en bijgevolg duurdere) productievoorwaarden staan.

Wat Europa wel deed om de zuivelcrisis in 2016 te bezweren, is melkpoeder opkopen . Begin 2018 was de voorraad in opslagloodsen van privéfirma’s aangedikt tot 380.000 ton melkpoeder en dat geraakte maar met mondjesmaat afgebouwd op een overvolle markt. Naar boter was tezelfdertijd wel veel vraag zodat de melkprijs opnieuw ademruimte gaf aan Europese melkveehouders. De grote vraag naar botervet verklaart volgens Renaat Debergh ook waarom er vraag is naar een ‘surrogaatproduct’, zoals het mengsel van melkpoeder en plantaardig vet door de krant De Standaard omschreven wordt. “Wanneer boter erg duur wordt, gaan afnemers op zoek naar goedkopere alternatieven.”

Ook in Europa is er volgens Debergh een markt voor magere melkpoeder gemengd met plantaardig vet. “Het is heus niet alleen bestemd voor export naar arme landen. Voor een zuivelfabriek is het financieel overigens interessanter om volle melkpoeder te exporteren, maar een deel van de bevolking in Afrika zou je dan de toegang tot zuivel ontzeggen. Naast volle melkpoeder voor de groeiende middenklasse blijft een beter betaalbaar product nodig. En dat exporteren we al sinds de jaren ’70. Het wordt in Afrika verkocht aan een vergelijkbare prijs als in Azië en het Midden-Oosten. Nogmaals, van dumping is geen sprake. Europa leent zich uitstekend voor melkveehouderij en exporteert waar het goed in is, zoals Azië op zijn beurt smartphones exporteert naar Europa. . Voor een aantal ngo’s ligt het schijnbaar moeilijk dat we landbouwproducten exporteren.”

Ten tijde van de productieregulering waar EMB naar terug verlangt, betaalde de belastingbetaler mee aan het exportsucces van de zuivelindustrie. “Toen werd 12 procent van onze melkproductie met subsidie uitgevoerd, en nog eens 8 tot 10 procent met EU-steun afgezet in de vorm van boter voor banketbakkerijen of melkpoeder voor kalveren. Van elke 5 liter melk was in de jaren ’90 1 liter van EU-steun afhankelijk om een koper te vinden.” Ondertussen hebben melkveehouderij en zuivelindustrie geleerd om marktgericht te produceren, en dat is wat volgens BCZ ook voor de West-Afrikaanse markt gebeurt.

De ngo’s erkennen in hun rapport dat de lokale zuivelproductie in West-Afrika tussen 2000 en 2016 met 50 procent toegenomen is. Afrikaanse melk is goed voor de helft van de lokale behoefte. Renaat Debergh: “Laat ze daar een volwaardig zuivelbeleid uitrollen en verder groeien. We moedigen dat zelfs aan want het voorbeeld van India leert dat melkveehouderij en zuivelverwerking een samenleving welvaart brengen. Toch zal er vraag blijven naar Europees melkpoeder want de bevolkingstoename en de groeiende economie zorgen voor een sterke toename van het verbruik. Zo snel kan de lokale productie niet volgen, zelfs als een aantal remmende factoren opgeruimd zouden worden. In Afrika botst de ontwikkeling van de zuivelsector immers op heel wat beperkingen: een tekort aan veevoeder, een gebrekkige wegeninfrastructuur, te weinig melkophaalwagens en koelmogelijkheden, te weinig centen ook om te kunnen investeren.”

Bij export naar het Afrikaanse continent betalen Europese zuivelverwerkers een lage importheffing van 5 procent. “We zouden er zelfs begrip voor opbrengen, mochten Afrikaanse landen dit verhogen om middelen te genereren voor een eigen zuivelbeleid. India gaf in het verleden het voorbeeld. Zo zou men een hoger tarief voor consumentenproducten kunnen hanteren dan voor zuivel die ter plekke nog verder verwerkt kan worden. In West-Afrika opteert de overheid voor een laag invoertarief omdat ze hun bevolking toegang wil verschaffen tot een basisvoedingsproduct als zuivel.” Volgens Eddy Leloup van Milcobel is het probleem van Afrika niet de Europese export, maar de zwakke productieketen ter plekke en het ontbreken van een beleid dat gericht is op zelfvoorziening.

De ngo’s erkennen dat de lokale bevoorradingsketens tekortschieten en er onvoldoende infrastructuur is. “Om de lokale melk tot bij de consument te krijgen, is er eigenlijk meer steun nodig, bijvoorbeeld voor investeringen in koelsystemen”, zegt Josti Gadeyne van Dierenartsen Zonder Grenzen, dat samen met Oxfam-Solidariteit en SOS Faim de campagne organiseerde. Zij pleiten voor meer beleidscoherentie. Want het geliberaliseerde Europese landbouwbeleid werkt de export van goedkoop melkpoeder in de hand, terwijl het Europese ontwikkelingsbeleid de Afrikaanse boeren juist wil helpen.

De Standaard schreef ook dat zuivelreuzen als Danone en Nestlé in verschillende Afrikaanse landen aanwezig zijn. Voeg daar zeker nog de Franse groep Lactalis en de Scandinavische coöperatie Arla aan toe. Europese multinationals hebben er lokale productie-eenheden opgezet. De Belgische coöperatie Milcobel is niet zelf aanwezig in Afrika, maar brengt met een lokale partner Incolac-melkpoeder op de markt. “Wanneer de markt er verder groeit, zullen ook de investeringen van buitenlandse ondernemingen in lokale zuivelverwerking toenemen”, voorspelt Renaat Debergh. “Europa heeft trouwens een speciaal programma om investeringen in Afrika aan te moedigen in het kader van economische ontwikkeling.”

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via