nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

03.03.2017 "Agro-ecologie kan hefboom zijn voor duurzame landbouw"

Agro-ecologie kan een rol spelen in een transitie naar een meer duurzaam landbouw- en voedingssysteem. Om die reden moet het beleid volop inspanningen leveren om agro-ecologie meer ingang te doen vinden bij de Vlaamse land- en tuinbouwers en bij uitbreiding in de hele maatschappij. Dat kan onder meer door een meer holistisch landbouwbeleid te voeren, ervaringsgericht leren aan te moedigen en agro-ecologie meer mee te nemen in alle bestaande vormen van educatie. Dat is de voorlopige conclusie van een onderzoek van het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in opdracht van het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie (LNE).

Omdat LNE ervan overtuigd is dat agro-ecologie een belangrijke rol kan spelen bij de transitie naar een meer duurzaam landbouw- en voedingssysteem, gaf het aan ILVO de opdracht om een studie uit te voeren naar de mate waarin toekomstige en bestaande landbouwers in contact komen met agro-ecologie. Via tal van groepsdiscussies werden de diverse formele, non-formele en informele netwerken in kaart gebracht waarlangs landbouwers kennis en ervaring opdoen. Vervolgens werden knelpunten en uitdagingen geformuleerd voor elk netwerk en beleidsaanbevelingen gedaan.

Agro-ecologie is een begrip waar de jongste tijd veel over gesproken en geschreven is. Toch heerst nog heel wat verwarring over wat het nu juist inhoudt, zo bleek tijdens de groepsdiscussies van dit project. “Ondanks het feit dat veel mensen worstelen met het begrip agro-ecologie, merken we toch heel wat interesse op”, vertelt onderzoekster Laure Triste. Het onderzoek van ILVO was evenwel niet gericht op het definiëren van agro-ecologie, wel om te bekijken hoe kennis over agro-ecologie wordt gevormd en hoe die meer verspreid kan geraken, zowel bij land- en tuinbouwers als bij de maatschappij. "Daarbij kan ingezet worden op lerende netwerken van en tussen landbouwers en docenten, op het uitwisselen van ervaringen, kennis en inspiratie en op het in contact brengen van mensen die geïnteresseerd zijn in agro-ecologie."

“Eerst en vooral hebben we ons de vraag gesteld hoe boerenverstand wordt gevormd”, aldus Triste. “Drie educatievormen werden daarbij gedefinieerd: formele netwerken, zoals het reguliere onderwijs; informele netwerken, zoals uitwisseling tussen boeren onderling en non-formele netwerken, zoals naschoolse vorming en voorlichting.” Vervolgens gingen de onderzoekers na over welke competenties een agro-ecologische boer moet beschikken. “We kwamen uit bij zes kerncompetenties: systeemdenken, engagement, observatie en creativiteit, autonomie en participatie, kritische reflectie en tot slot sociale openheid”, vult onderzoekster Lies Debruyne aan.

Nadien werd onderzocht in welke mate er aandacht is voor agro-ecologische competenties binnen deze drie educatievormen. Belangrijk voor de ontwikkeling van deze agro-ecologische competenties is het principe van ervaringsgericht leren: hierbij leren studenten in een continue cyclus van experiment, waarin ze iets actief uitproberen, en vanuit hun ervaringen gaan observeren en reflecteren over het experiment, wat vervolgens omgezet wordt tot meer abstracte kennis en bijsturing van inzichten in het systeem, wat dan weer de basis vormt voor verder experiment. “We hebben gemerkt dat er binnen de huidige educatievormen weinig aandacht is voor deze vorm van kennis verwerven. Informatie wordt vaak opgesplitst terwijl agro-ecologie systeemdenken inhoudt en theorie heeft nog te vaak voorrang op praktijk”, concluderen de onderzoekers.

Daarnaast zien ze ook nood aan bewustmaking rond agro-ecologie bij de brede maatschappij. “Binnen de landbouwsector zelf maakt de economische situatie het vaak moeilijk om ruimte te laten voor experimenten. Er leeft ook veel ongeloof binnen de brede sector over de haalbaarheid van agro-ecologie”, klinkt het. “Die negatieve houding stroomt door in het landbouwonderwijs.” Ook het beleid en de regelgeving maken het moeilijk om agro-ecologie meer ingang te laten vinden. “Landbouwers zijn vandaag vooral bezig met het voldoen aan de regels, ze hebben afgeleerd om zelf na te denken en het gangbare landbouwsysteem in vraag te stellen. Vaak botsen de bestaande regels ook met de agro-ecologische praktijk.”

Tot slot is er nog de consument. “Educatie over landbouw- en voedingssystemen zou moeten meegenomen worden in alle lagere en secundaire scholen. Tegelijk is het ook zo dat het bewustzijn als burger zich niet altijd vertaalt in aankoopgedrag van de consument. Hier moet dus extra op ingezet worden”, klinkt het.

De bevindingen uit het project werden vertaald naar beleidsaanbevelingen. Bij een eerste reeks aanbevelingen ligt de focus op agro-ecologie zelf. “Aangezien agro-ecologie bij uitstek holistisch is, is er ook nood aan de ontwikkeling van een holistisch beleid”, legt Bernard Mazijn van het Centrum voor Duurzame Ontwikkeling uit. “Het is belangrijk dat de overheid een visie op agro-ecologie ontwikkelt en daarbij concrete doelstellingen formuleert. Er moeten ook verschillende evaluaties ingelast worden en daarop moet geanticipeerd worden.”

Mazijn benadrukt dat er daarnaast een optimale mix van juridische, economische en (sociaal-)communicatieve beleidsinstrumenten moet ingezet worden die agro-ecologie zowel via een push- als een pull-strategie ingang doet vinden. Het beleid moet hierbij een lange termijnvisie voor ogen houden. Daarbij moet het beleid ook oog hebben voor de rol van de consument, distributie en de producent om dit te bereiken.

Gezien de opzet van het onderzoek werd de meeste aandacht besteed aan beleidsaanbevelingen op vlak van educatie, zowel in de context van formeel leren, informeel leren als non-formeel leren. “Op formeel vlak moet kinderen in het primair onderwijs geleerd worden hoe landbouw zich verhoudt tot natuur. Dat kan bijvoorbeeld door het aanleggen van moestuinen. Kinderen van het secundair onderwijs moeten met agro-ecologie in aanraking komen via lesinformatie en werkpakketten, maar ook door op elk schooldomein een ‘living lab’ te ontwikkelen waar agro-ecologische praktijken aan bod komen”, stellen de onderzoekers.

Andere aanbevelingen voor het secundair, hoger en universitair onderwijs zijn divers: agro-ecologie onderdeel laten uitmaken van de vakoverschrijdende eindtermen ‘duurzame ontwikkeling’, werkplekleren voor TSO-leerlingen of stages voor hogeschoolstudenten op agro-ecologische bedrijven die dan een financieel voordeel krijgen wanneer die zich hiervoor inzetten, lerende netwerken of bijscholing over agro-ecologie voor leraars en docenten, het stimuleren van deelname aan internationale uitwisselingsprogramma’s van de Europese Unie of het stimuleren van masterproeven rond agro-ecologie.

“Op vlak van non-formele educatie, beter gekend onder de noemer naschoolse vorming en opleiding, is het belangrijk dat ook hier een aanbod rond agro-ecologie wordt uitgewerkt. Online-cursussen kunnen ook een lacune invullen. Voor informele educatie blijken lerende netwerken zeer belangrijk. Netwerken over agro-ecologie kunnen ook opengesteld worden voor leraars of docenten uit de formele en non-formele educatie. Om meer landbouwers warm te maken voor agro-ecologie is het belangrijk dat er voldoende sensibilisering is via allerlei kanalen, bijvoorbeeld door succesverhalen aan bod te laten komen.”

Na de voorstelling van al deze beleidsaanbevelingen werd nog verder gediscussieerd in kleine groepen hoe die verschillende aanbevelingen concreet in de praktijk kunnen gebracht worden. Al deze informatie zal gebundeld worden in een globaal onderzoeksrapport waarmee het Departement Leefmilieu dan aan de slag kan.

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via