nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

 

Verdienmodel achter boslandbouw oogt fragiel maar niet surrealistisch
21.09.2015  Agroforestry in Vlaanderen

Landbouwers die er oor naar hebben dat één plus één meer is dan twee wanneer je aan ‘boslandbouw’ doet, kunnen zich dankzij het vijfjarige IWT-onderzoeksproject ‘Agroforestry in Vlaanderen’ grondig informeren alvorens zelf bomenrijen aan te planten in een akker of weide. De onderzoekspartners, ILVO op kop, steken veel energie in kennisuitwisseling en begeleiding van (kandidaat-)boslandbouwers. Zo werd begin september, met nog drie weken tijd voor de inschrijving op de subsidie voor aanplant in najaar 2015 of voorjaar 2016, een praktische infoavond gekoppeld aan een terreinbezoek van een zeven hectare groot maïsveld met daarop jonge hoogstambomen. De teelttechniek hebben de onderzoekers reeds goed in de vingers, maar bij het verdienmodel – “boompje groot, plantertje dood” – kan je je vragen stellen. Na enkele verhelderende telefoontjes over de geldwaarde van hout en een gesprek met ILVO-onderzoeker Bert Reubens weten we weer van welk hout pijlen maken.

Bij agroforestry wordt een landbouwgewas op hetzelfde perceel gecombineerd met een aanplanting van bomen. Het idee er achter is dat de bomen vruchten en/of kwaliteitshout opleveren, wat het verlies aan landbouwopbrengst ruimschoots moet compenseren. Door een beredeneerde keuze van bomen en een goede voorbereiding van de aanplant kan een resultaat bekomen worden dat hoger ligt dan de afzonderlijke teelten. Eén plus één is meer dan twee, weet je wel. Licht, water en nutriënten worden efficiënter benut. De voordelen voor milieu en natuur (o.a. biodiversiteit, minder uitspoeling van nutriënten, koolstofopslag) laten zich raden.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT4.jpg

Vanwege de ecologische meerwaarde van dit teeltsysteem wordt boslandbouw actief gepromoot door de Vlaamse en Europese overheid. De ondersteuning is het meest tastbaar in de vorm van een éénmalige subsidie voor de aanplanting van de bomen. Maximaal bedraagt de subsidie 80 procent van de kosten voor aankoop van de bomen, voor de aanplantingswerkzaamheden en voor de aanschaf van staken en draden ter versteviging en bescherming van de jonge boompjes.

Koudwatervrees
Hoewel het dus niet veel scheelt of de overheid komt de bomen zelf gratis planten, was de interesse tot op heden eerder beperkt. De subsidie werd voor het eerst aangevraagd voor het plantseizoen 2011-2012. Sindsdien zijn welgeteld 23 landbouwers na een stevige financiële duw in de rug overgegaan tot de aanplanting van bomen in een akker of weide. De combinatie van bosbouw en landbouw schrikt de meeste Vlaamse boeren af, zoveel is duidelijk. Toch is hun interesse gewekt, onder meer omdat agroforestry meetelt als ‘ecologisch aandachtsgebied’ in het kader van de verplichte vergroening van het landbouwbeleid. Terwijl een mengsel van groenbedekker maar voor 30 procent van de oppervlakte meetelt, is de wegingsfactor bij boslandbouw 100 procent. Dat maakt het tot een ruimtezuinige invulling van de vijf procent die van een bouwlandareaal van meer dan 15 hectare ‘groener’ uitgebaat moet worden.

Voorlopig associëren de meeste landbouwers agroforestry nog met administratieve knelpunten en rechtsonzekerheid, of ze hebben onbeantwoorde vragen over de technische en economische kant van de zaak. Vorige zomer werd een grootschalig maar tegelijk interactief IWT-onderzoeksproject aangekondigd dat daar verandering in zou brengen. Vijf onderzoeksinstellingen gaan vijf jaar lang de broodnodige kennis opbouwen en de eerste boslandbouwers in Vlaanderen intensief begeleiden. De projectpartners zijn het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO), de Universiteit Gent, het West-Vlaamse praktijkcentrum Inagro, het agrobeheercentrum Eco² en de Bodemkundige Dienst van België. Opdat de verzamelde kennis na afloop van het onderzoeksproject bewaard zou blijven, vormen zij samen een permanent ‘consortium agroforestry’.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT3.jpg

Begin september, niet toevallig kort voor de deadline voor het indienen van subsidieaanvragen (18 september), organiseerden de IWT-onderzoekspartners en het Vlaams Ruraal Netwerk een praktische infoavond gekoppeld aan een terreinbezoek in de Vlaams-Brabantse gemeente Linter. Akkerbouwer Eric Avermaete heeft dit voorjaar bomen aangeplant op een zeven hectare grote akker. Het late tijdstip van planten zorgde in combinatie met droogte en een te kleine wortelkluit van een deel van het plantsoen voor een verhoogde uitval. Verder ziet de aanplanting er onberispelijk uit. Avermaete kon dan ook beroep doen op enkele experten om de aanplanting op een doordachte manier uit te voeren. Via de partners van het IWT-project beschikte hij over veel voorkennis.

Waar het voorlopig nog aan ontbreekt, is inzicht in de opbrengstderving van andere teelten dan granen. Voor de Vlaamse landbouwpraktijk lijkt het belangrijk om te achterhalen hoe het aardappelen, suikerbieten, maïs en eventueel ook groenten vergaat tussen bomenrijen. Met tarwe en gerst alleen kan je in een intensieve landbouwstreek als Vlaanderen je boterham immers niet verdienen. Verder is de moeilijk te bewerken strook tussen de bomen voor de experten nog een leerproces. Op het perceel van Avermaete werd in het jaar van de aanplanting gele mosterd als bodembedekker tussen de bomen gezaaid. In plaats van een eenjarige te zaaien en de strook ieder jaar te bewerken, kan je er ook voor opteren om daar meerjarig gras of een mengsel van bloemen en kruiden te zaaien.

Een goed begin is het halve werk
Bij het ontwerp van een agroforestryperceel is het de kunst om een evenwicht te vinden tussen bomen en landbouwgewas. De bomenrijen worden idealiter noord-zuid georiënteerd zodat de teelt voldoende licht krijgt. Vanwege de grillige perceelvorm was dat ten huize Avermaete vaker niet dan wel haalbaar. De afstand tussen de bomenrijen werd op het akkerbouwbedrijf afgestemd op de breedte van de spuitboom en bedraagt 45 meter. In de rij wordt een gemiddelde plantafstand van circa tien meter aangehouden. “Voor de productie van kwaliteitshout zou het beter zijn om dichter te planten om later uit te dunnen, maar dat botst op de subsidievoorwaarden”, vertelt ILVO-onderzoeker Bert Reubens. “Om de subsidie niet te verliezen, moeten aangeplante bomen minstens tien jaar behouden blijven.”

Bovendien kan een landbouwer die meer dan 100 bomen aanplant op een perceel daar geen inkomenssteun activeren omdat het voor de overheid dan te moeilijk wordt om landbouwgrond van (niet-subsidiabel) bos te onderscheiden. Vruchtdragende bomen die een regelmatige oogst opleveren, vormen een uitzondering op die regel. “De bovengrens voor het activeren van betalingsrechten verschuift naar 200 bomen van zodra die soorten een belangrijk aandeel uitmaken van de aanplanting”, weet Reubens. Dat de overheid vasthoudt aan een maximum aantal bomen laat zich ook verklaren door de vrees dat bestaande houtkanten gekapt zouden worden wanneer een te soepele definitie gehanteerd wordt.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT6.jpg

De lijst met subsidievoorwaarden houdt een landbouwer beter bij de hand wanneer de bomenrijen op het perceelplan getekend worden. Op een hectare moeten minstens 30 en maximaal 200 bomen staan. In de praktijk zal door landbouwers die betalingsrechten willen activeren een maximum van 100 houtproducerende of 200 vruchtdragende bomen aangehouden worden. Een homogene spreiding van de bomen over het perceel ligt voor de hand. De subsidie claimen om vervolgens alle bomen in een hoekje van het perceel te duwen, kan je immers bezwaarlijk boslandbouw noemen. Alle bomen zijn toegelaten behalve ongewenste exoten zoals Amerikaanse vogelkers en Amerikaanse eik, valse acacia, naaldbomen, laag- en halfstamfruitbomen.

De keuze van de boomsoort is een moeilijke. Een akkerbouwer streeft naar zo weinig mogelijk concurrentie tussen bomen en landbouwteelt. Hij moet in het achterhoofd houden dat bomen vocht onttrekken aan de bodem maar anderzijds ook water uit diepere grondlagen beschikbaar kunnen maken voor de meer oppervlakkig wortelende teelt. Concurrentie is er om licht en nutriënten, maar die zal kleiner zijn naarmate de boom dieper wortelt en het groeiseizoen minder overlapt. Denk bijvoorbeeld aan gerst die vroeg het veld ruimt of een boomsoort die laat blad vormt of geen dik bladerdek heeft zodat het gewas nog voldoende licht ontvangt. In de wetenschap dat die bladeren vroeg of laat van de boom vallen, mag een landbouwer zich verheugen op meer aanvoer van organische stof in de bodem.

Compenseren vruchtdragende bomen de verminderde landbouwopbrengst?
Door het uitsluiten van laag- en halfstamfruitbomen komt de boslandbouwer die mikt op vruchtproductie automatisch uit bij hoogstamfruitbomen en notelaars. Daar past de bedenking bij dat hoogstamfruit bijna volledig uit het landschap verdween omdat het niet rendabel is vanwege de veel hogere arbeidsbehoefte in vergelijking met laagstam fruitplantages. Niet voor niets ijvert de Nationale Boomgaardenstichting voor het behoud van hoogstamfruitbomen omdat ze volledig dreigden te verdwijnen. Ook heeft Vlaanderen met de steun van Europa jarenlang subsidies verstrekt voor het onderhoud van nieuw aangeplante of reeds bestaande hoogstamfruitbomen. Ondertussen is die subsidie voor het behoud van met uitsterven bedreigde variëteiten van hoogstamfruitbomen uitgedoofd.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT1.jpg

Volgens Bert Reubens is vruchtproductie op een aantal bedrijven toepasbaar op voorwaarde dat het rijmt met de bedrijfsvoering. In dat opzicht lijkt het vooral weggelegd voor een (bio)boer die zijn waren verkoopt via de korte keten. Van de Nationale Boomgaardenstichting kregen we immers te horen dat fruit van hoogstambomen, mede door het gebrek aan gewasbescherming, niet voldoet aan de strenge kwaliteitseisen van de veilingen en de grootdistributie. Misschien is het net om bovenstaande redenen dat notelaars zo populair zijn bij agroforestrypioniers. “De afzetmarkt voor kleine partijen noten is nog onzeker maar niet onbestaande”, weet Reubens, en hij verwijst naar kleinschalige productie van walnotenolie. In het kader van het IWT-project gaat ILVO meer duidelijkheid scheppen over het economisch luik, waarbij de aandacht onder meer uitgaat naar de lokale afzetmarkten voor hout, noten en andere vruchten die agroforestrypercelen kunnen opleveren. “Ook sociale aspecten zoals ‘wie toont interesse’ en ‘hoe wordt die interesse in agroforestry beïnvloed’, zullen onderzocht worden.”

Of beter houtopbrengst als lange-termijn-doel stellen?
Aangezien de economische meerwaarde van het fruit verder onderzoek vergt, kan een boslandbouwer die op veilig wil spelen opteren voor de productie van (kwaliteits)hout. In de wetenschap dat brandhout in de verkoop aan particulieren enkele tientallen euro’s per kubieke meter opbrengt – zo leert een kort bezoekje aan een niet nader genoemde zoekertjessite –, lijkt dat een betere garantie op financiële return. Maar is dat wel zo? Het spreekwoord ‘boompje groot, plantertje dood’ doet vrezen dat de gemiddelde Vlaamse boer (die 51 jaar oud is, nvdr.) het niet meer zal mee maken dat zijn bomen gerooid worden voor het hout. Zelfs een jonge landbouwer zal zijn pensioen moeten uitstellen als hij mikt op de productie van kwaliteitshout want daar gaan al snel enkele decennia over heen. Tel voor een mooie eik maar op 50 jaar terwijl ook de meeste andere boomsoorten er 40 jaar over doen om een dikke stam te vormen.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT7.jpg

“Het grote tijdsverschil tussen planten en oogsten, is een probleem”, geeft Reubens toe. “Voor een snel resultaat lijkt populier de beste keuze.” Maar kan een aanplanting van populieren wel door de beugel voor de overheid? Tijdens de infoavond was namelijk sprake van een doelmatigheidsscore waarop een aanplanting afgerekend wordt. Populier zal daar vanwege zijn beperkte ecologische meerwaarde niet hoog scoren, maar zolang het aantal subsidieaanvragen het voorziene budget niet uitput, zal een aanvraag daarop niet afketsen. In de wetenschap dat een populier na 15 à 20 jaar – en ten vroegste na 10 à 15 jaar bij moderne populierenklonen – al (pallet)hout oplevert, lijkt deze boomsoort het meest laagdrempelig.

Kwaliteitshout wordt goed betaald
Aangezien niemand kan voorspellen hoeveel hout in de toekomst waard zal zijn, baseren geïnteresseerden zich best op de marktsituatie anno 2015. Een telefoontje naar een professionele bosbouwer brengt raad. Een opbrengst van 30 à 40 euro per m³ wordt ons voorgespiegeld voor (bulk)hout. Als we ons licht bij een andere marktpartij opsteken, vernemen we dat hoogwaardig hout 50 tot 60 euro kan opbrengen.

De grootteordes van die bedragen worden bevestigd in een lopend doctoraatsonderzoek bij ILVO. Al houdt een boslandbouwer best in het achterhoofd dat prijzen nog sterker kunnen variëren, van 25 tot 40 euro voor bulkhout en van 50 tot 100 euro voor kwaliteitshout. “Soms worden er honderden euro’s per kubieke meter geboden voor zéér kwalitatief hout, maar dat zijn eerder uitzonderingen. In die gevallen gaan de bomen naar een buitenlandse veiling, waar soms individuele stammen verkocht worden in plaats van grote loten”, weet Reubens. Als leidraad verwijst hij naar een recente prijslijst van hout op stam, opgesteld door de Nationale Federatie van Bosbouwexperten.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT5.jpg

Goed beheer van de bomen wordt dus beloond maar dan moet de landbouwer wel bereid zijn om een deel van zijn arbeidstijd te besteden aan het snoeien van de bomen. De onderzoekspartners van het IWT-project organiseren snoeicursussen omdat ze beseffen dat niet elke landbouwer daar een goed oog en een vaste hand in heeft. Een mooi rechte stam is geld waard en die krijg je niet cadeau, zeker niet op een agroforestryperceel waar het vele licht de vorming van takken gaat stimuleren en een botsing tussen boom en landbouwmachine om de hoek loert.

Een boslandbouwer die de kettingzaag niet zelf ter hand wil nemen, moet beroep doen op een bosbouwer. Maar is zo’n firma wel bereid om een ‘harvester’ (zie deze YouTube-video) en ander groot materiaal op een vrachtwagen te zetten om enkele tientallen bomen te rooien? De bosbouwer die we eerder al aan de lijn hadden, verzekert ons dat 100 populieren een mooie partij hout is. Zelfs een agroforestryperceel van één hectare groot met daarop de minimum plantdichtheid van 30 bomen is volgens de man al de moeite waard. Hij rekent ons voor dat je van die 30 populieren 120 kubieke meter hout mag verwachten. Uiteraard zal de vergoeding voor grotere volumes nog iets hoger liggen, maar in het voordeel van agroforestry pleit dat de bomen eenvoudig te rooien zijn omdat er ruimte zat is voor de grote bosbouwmachines.

Bomen planten of kat uit de boom kijken?
Die informatie uit eerste hand kan menig boslandbouwer in spe geruststellen maar als we akkerbouwer Eric Avermaete horen verklaren dat zijn voornaamste beweegreden het verfraaien van het landschap achter zijn boerderij is, dan slaat de twijfel over de economische meerwaarde van agroforestry weer toe. ILVO-onderzoeker Bert Reubens verzekert dat tijd (en onderzoek) raad zullen brengen: “Het is voldoende onderzocht dat agroforestry qua biomassa (minstens) even goed doet als bos- en landbouw elk apart. Alleen vertaalt zich dat niet noodzakelijk in een hoger financieel rendement. Een pasklaar antwoord geven op het verdienmodel achter agroforestry is dus niet eenvoudig. Daarom is het een aspect dat wordt meegenomen in het vijfjarig IWT-onderzoek.”

Terwijl de opbrengst van het hout (en/of de vruchten) het verlies aan landbouwproductie op de akker moet compenseren, kan je ook nadenken over vormen van agroforestry waarbij een lagere landbouwproductie geen issue is. Dat lijkt vooral weggelegd voor de combinatie van bomen met grasland dat beweid wordt. De schaduw van een hoogstamboom geeft graasdieren een rustplaats en beschermt hen tegen hittestress. Het is de Nationale Boomgaardenstichting die ons daarop wijst.

De vzw verdedigt hoogstambomen vooral vanuit ‘zachtere’ waarden zoals landschap, traditie en diversiteit maar weet zich voor hun economische waarde gesterkt door een recent doctoraatsonderzoek aan ILVO en UGent. Daaruit bleek dat hittestress bij rundvee zich ook tijdens een Belgische zomer kan voordoen. Bij melkvee uit zich dat in een iets lagere melkproductie zodat de meerwaarde van agroforestry kan bestaan in het voorkomen van dat verlies aan dierlijke productie. Wellicht is het dus geen toeval dat twee nieuwe agroforestrypercelen te vinden zijn bij een hertenkwekerij in Avelgem en een biologisch leghennenbedrijf in Aalter. Beide bedrijven zien meer heil in een vrije uitloopweide vol bomen dan in een kaal perceel grasland voor de dieren.

agroforestry_AgroforestryinVlaanderen.geVILT2.jpg

Na een leerrijk eerste projectjaar besluiten de Vlaamse kennispartners uit het agroforestry-onderzoek dat de aanpassing van de teelttechniek landbouwers hoe langer hoe minder angst inboezemt en de obstakels zich eerder situeren bij de aspecten regelgeving en economie. “Bij de pioniers die de voorbije jaren doorgezet hebben met agroforestry is de motivatie zelden puur economisch”, weet Bert Reubens. “Net zoals bij akkerbouwer Avermaete spelen ook de landschappelijke en ecologische meerwaarde mee in hun beslissing. Aangezien agroforestry past in een ecologische intensivering waarbij productieve landbouw verzoend wordt met milieu en natuur is dat zeker toe te juichen. Maar voor het gros van de landbouwers is agroforestry door die niet-economische overwegingen een grote stap.”

Desondanks stijgt de interesse in deze vorm van nichelandbouw. Naast de zeven landbouwers die actief begeleid werden bij een agroforestry-aanplanting, zijn sinds de start van het project evenveel adviezen met plaatsbezoek verleend en een 15-tal vragen voor informatie beantwoord. Dat vertaalt zich dit jaar in een groter aantal landbouwers dat concrete plannen maakt om een aanplanting uit te voeren. Bij het verstrijken van de deadline voor inschrijving op 18 september gaven tien landbouwers te kennen dat ze de aanplantsubsidie willen aanvragen. Als zij effectief overgaan tot aanplanting, dan zal de oppervlakte agroforestry in Vlaanderen in één klap met bijna 40 hectare stijgen.

Bron: eigen verslaggeving

Beeld: Agroforestry in Vlaanderen

Volg VILT ook via