nieuwsbrief

Inschrijven op de gratis nieuwsbrief

  
  

11.04.2019 Akker- en weidevogels lijken gedoemd om te verdwijnen

Jaarlijks communiceert de Vlaamse Landmaatschappij over de inspanningen die landbouwers doen op vlak van agrarisch natuurbeheer. In functie van akkervogels voorzien ze bijvoorbeeld wintervoedsel en nestgelegenheid op hun percelen. Belangrijker nog dan de oppervlakte waarvoor beheerovereenkomsten afgesloten worden, is het resultaat dat daarmee geboekt wordt. Lokaal lijkt dat vruchten af te werpen, maar op Vlaams niveau blijven aan landbouw gebonden vogelsoorten als de veldleeuwerik en de grutto verder afnemen. Aan zo’n snel tempo bovendien dat er in sommige uitgestrekte landbouwgebieden nog nauwelijks vogels te horen zijn. Natuuronderzoeksinstituut INBO schrikt zelf van de uitkomst van de tellingen door vrijwilligers van Natuurpunt.

De tijd dat landbouwers er niet voor durven uitkomen dat ze aan natuurbeheer doen, is passé. Steeds vaker laten ze zich door bedrijfsplanners van de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) overtuigen om beheerovereenkomsten af te sluiten. Begin dit jaar communiceerde VLM dat de oppervlakte in akkervogelbeheer met de helft toegenomen is in de voornaamste gebieden waar akkervogels nog voorkomen: van 442 naar 657 hectare (+48%). De beheerovereenkomsten voor akkervogels en ook voor weidevogels worden ingezet in gebieden die van nature aantrekkelijk zijn voor die soorten. Zo resulteren ze meer effect.

Beheerovereenkomsten halen een dekkingsgraad van 6 procent of meer in de voornaamste akkervogelgebieden. Bij elkaar opgeteld gaat het om zo’n 10.000 hectare in Vlaanderen waar het zinvol is om maatregelen te nemen opdat akkervogels er tot broeden zouden komen. Door VLM werd toen nog gecommuniceerd dat de bereikte dekkingsgraad volgens experten volstaat om een verdere achteruitgang van akkervogels in die gebieden tegen te gaan. Plaatselijk misschien wel, maar daarmee is de algemene trend nog niet omgebogen, zo blijkt nu uit de recentste monitoring in het kader van het project Algemene Broedvogels Vlaanderen. Voor soorten die zich thuis zouden moeten voelen in landbouwgebied, zet de decennialange afname zich door.

Voor kievit en patrijs publiceerde natuuronderzoeksinstituut INBO de grafieken bij het persbericht en daarin zie je hoe snel het gaat. Sinds de start van de metingen in 2007 zijn beide soorten nog eens in aantal gehalveerd terwijl hun populatie al decennialang afneemt. “De achteruitgang van de veldleeuwerik trof me het meest omdat het een soort is die algemeen voorkwam in landbouwgebied”, zegt INBO-wetenschapper Glenn Vermeersch. De grootste crash van deze mooie zangvogel vond plaats van voor de tellingen door vrijwilligers van Natuurpunt in functie van het ABV-project. Het aantal broedparen in Vlaanderen is teruggelopen van 75.000 paren in de periode 1973-1977, tot circa 45.000 in 1985-1988, 10.000 in 2000-2002 en slechts 6.000 à 8.000 broedparen in 2018. “Dat is waanzinnig weinig”, zegt Vermeersch ongerust.

Trekvogels gebonden aan landbouwgebied hebben het ook hard te verduren. Een voorbeeld hiervan is de grutto, ooit wijdverspreid in (natte) landbouwgebieden, maar momenteel erg zeldzaam geworden. Als verklaring wordt gewezen op het verlies van leefgebied in Vlaanderen en wellicht ook jachtdruk tijdens de trek. Sinds de publicatie van de vorige broedvogelatlas zijn de aantallen verder afgenomen van circa 1.125 broedparen in 2000-2002 tot circa 715 in 2017-2018. Dat is zo’n klein aantal dat de soort niet meer kan worden opgevolgd met het algemeen broedvogelproject.

Het natuuronderzoeksinstituut schrijft zelf in zijn persbericht dat de achteruitgang zo dramatisch is dat “er in sommige uitgestrekte landbouwgebieden nog nauwelijks vogels te horen zijn”. Dat is een bijzonder spijtige vaststelling voor natuurbeschermers, maar evenzeer voor de landbouwers die onder impuls van de Vlaamse overheid en met de financiële steun van Europa het tij proberen keren. “Lokaal kunnen hun inspanningen effect hebben, maar het is onvoldoende om de negatieve trend om te buigen”, analyseert Glenn Vermeersch.

De achteruitgang van akker- en weidevogels is volgens hem weider verspreid dan Vlaanderen alleen. “Het doet zich in gans Europa voor en dat verklaart ook waarom het zo moeilijk te stoppen is. Je ziet het zelfs bij onze noorderburen die lokaal erg succesvol zijn in akkervogelbescherming.” Blijkbaar is de schaalgrootte van maatregelen te gering om populaties op grote schaal te doen herleven. De INBO-onderzoeker verwijst in dat verband naar Oost-Europa, waar in bepaalde regio’s landbouwpercelen verlaten worden en verruigen. Dan zie je soorten plots weer massaal opduiken.

Het zou zomaar kunnen dat de populatie van een aantal soorten nu in versnel tempo in elkaar stuikt. “Soorten crashen niet in één jaar tijd”, legt Vermeersch uit, en hij geeft het voorbeeld van de grutto: “Deze vogel wordt vrij oud zodat de volwassen exemplaren jaren na elkaar terugkeren naar dezelfde broedplekken omdat ze daarmee vertrouwd zijn. Erg aantrekkelijk is de leefomgeving rond die broedplekken niet zodat de volgende generatie hen dat niet zal nadoen.”

Daarmee verraadt de INBO-onderzoeker wat het onderliggende probleem is, namelijk de aantrekkelijkheid van het landbouwlandschap voor vogels maar bijvoorbeeld ook voor dagvlinders waarvan de recente tellingen evenmin vrolijk stemmen. “Op Europees niveau zal veel meer moeten gebeuren, willen we hier verandering in brengen”, legt de natuuronderzoeker de link met het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Bij elke hervorming gaat er wat meer aandacht uit naar ‘vergroening’, maar vanuit het perspectief van een akkervogel blijft het landbouwgebied in veel gevallen “een groene woestijn”.

De cijfers voor het ABV-project zijn gebaseerd op talloze uren terreinwerk van vrijwilligers die gecoördineerd worden door de studiedienst van Natuurpunt. De kwaliteitscontrole van de data en de onderliggende analyses zijn uitgevoerd door INBO. Om met een positieve noot af te sluiten: bosvogels vertonen een meer gevarieerd beeld van winnaars en verliezers. In het algemeen lijkt het voor dit type vogels geen goede strategie om in de winter naar het zuiden te trekken: als groep vertonen standvogels een stabiele trend terwijl langeafstandstrekkers (dit zijn soorten die in Afrika overwinteren) wel terrein verliezen. Illustratief hiervoor zijn bijvoorbeeld boomklever (standvogel: +120%) en grote lijster (trekvogel: -58%).

Bron: eigen verslaggeving

Volg VILT ook via